Latest Posts

Alleen thuis

Voor het eerst sinds April 2016 ben ik weer eens alleen thuis. Mijn schoonfamilie is op pad, Marcel inclusief.

Donderdagavond was ik met al het Catalaanse gekakel in mijn nieuwe appartement in Les Bossons (Chamonix) getrokken. Mijn huisgenootje Adria werd uit de slaapkamer gekickt zodat papa en mama Marcel in het grote bed konden. Het appartement dat ik slechts kende van de bezichtiging en in mijn fantasie had vastgelegd als mijn stekje voor het winterseizoen, werd het decor van een familie op doorreis naar Zwitserland.

Daar zat ik dan, ’s ochtends aan de thee, al mijn spullen nog in tassen verspreid door de woonkamer en vier Catalanen die iets met de dag moesten aanvangen. De sneeuw in Chamonix had het ernstig laten afweten, waardoor de evidente activiteit van het skiën zich plotseling terugtrok als hoofdzaak en we de ouders maar in de wandelschoenen zetten.
Ik had Marcel graag even voor mijzelf gehad voordat hij aan zijn winterseizoen in Zwitserland begon, maar kwam erachter dat mijn eigen wensen ten onder zouden gaan aan de groepsdynamiek.

Alhoewel, de moeder van Marcel was zowaar jarig en er waren twee dingen die ik zeker wist: Dat de mannen van het gezin daar redelijk snel aan voorbij gingen en zij, de koningin van het zichzelf wegcijferen, stiekem stond te springen om aandacht. En dus kon ik mijn ei redelijk kwijt in het organiseren van een verassingsfeestje. Ik kocht ballonen, cadeautjes, eten en nodigde onze oude vrienden uit, die langzaamaan Chamonix binnen waren gesijpeld en in principe niets van doen hadden met de moeder van Marcel, maar elkaar graag weer zagen.

Het was een opvallend vreemde situatie. Het nieuwe appartement, de drukte, de moeder, ikzelf. Ik dacht dat ik daaraan zou wennen, maar zodra je het leven zelf de controle geeft blijf je je verbazen.

En nu ben ik alleen thuis. Het appartement is gigantisch. Marcel is weg.
Ik pak mijn tassen uit, zet een pot thee die ik met niemand hoef te delen en drink in stilte.
Alhoewel; ik hoor het lawaai van het skiseizoen in mijn toekomst, de gillende Zweedse rijkaards, het gezoem van de pistes, de spanning van de alpinetochten en het gemis van mijn vriendje.
Maar het huis heeft een balkon en vanaf daar zie ik de bergen, die het geraas verstommen en me terugzetten waar ik ben. Tussen hen. Alleen thuis.

Een kwart eeuw

5 december

Toen de verjaardag het belangrijkst was, sliep ik ruim voor twaalven.
De volgende morgen werd ik wakker met kriebels in mijn buik die de hele nacht ongeduldig op de wekker hadden gewacht.  ‘Ik ben jarig’. Mijn nieuwe kleren lagen klaar en ik kon me omkleden; maar naar beneden gaan mocht ik nog niet. Daar klonk gerommel, de stemmen van mijn zus en moeder en de geur van gebakken croissantjes kwamen gewoon de trap op (echt waar).

Ruby, je mag komen!
Ze zongen terwijl ik, officieel en in volle glorie, de trap afliep. Iedereen kuste me, mijn ouders, broer, zus en oma.

Slingers hingen door het huis, ballonnen aan mijn stoel, confetti tussen al het eten en de cadeautjes door op het tafelkleed. We aten het traditionele (en beste ooit) verjaardagontbijt met Coolbest aardbeiensap (jaja), zalm, ei, versgebakken brood, prefabvruchtjes (lievelings) met yoghurt en ik kreeg ondertussen van iedereen een cadeau.
Je hebt geen idee hoe speciaal ik was.
Ik was zó speciaal.

Op school was ik de jarige op Sinterklaas, waardoor ik meer pepernoten kreeg dan mijn klasgenootjes, steevast even op de schoot van Sint mocht zitten en telkens de vraag kreeg ‘of ik minder cadeautjes kreeg omdat ik op Sinterklaas jarig was’.
Natuurlijk niet. Ik kreeg in de ochtend cadeautjes voor mijn verjaardag en ’s avonds net als alle Nederlandse kinderen, cadeautjes van onze Sinterklaasouders. (Later concludeerde ik wel dat ik op jaarbasis een feestelijke dag minder had, maar mijn verjaardag was dubbel zo cool).

5-12-2016 00:00
Het is midden in de nacht, het regent, ik lig alleen in bed, schrijf een blog en ben zojuist 25 geworden, een kwart eeuw om even dramatisch te zijn. Ik denk niet dat morgenochtend anders zal zijn dan gisterochtend of die ochtend daarvoor (en ik ben in Spanje: Sinterklaas zit in Nederland) en hoop als hoogtepunt van de verjaardag drie keer een piste in Valter af te skiën. En vooruit, misschien ergens een taart naar binnen te slaan.

Wat is er gebeurt met mijn verjaardag?

Tsjah, ik ben ouder geworden. Dat is het enige stomme cadeautje dat je elke verjaardag krijgt: Het jaar ouder dat je wordt, waarin je telkens iets meer van je goedgelovigheid en magie verliest. Geen kriebels in de morgen, ‘het is maar een datum, mensen feliciteren me uit verplichting, wat een gedoe’, terwijl je eens als jarige vleugels had.

Het is lastiger om zonder mijn (briljante, supercoole, eindeloos waardevolle wat-houd-ik-veel-van-hen) gekke gezin me zo speciaal te voelen als vroeger, maar toch ga ik proberen om morgen met een beetje magie wakker te worden. Ontvankelijk alsof ik tien jaar oud ben geworden.

Dan zou ik me zomaar eens heel jarig kunnen gaan voelen.

_dsc8340

Ik ben de floep bij mama op schoot, 24 jaar geleden.

Alleen in mijn Nederlandse Slakkenhuis

In Chamonix werd ik regelmatig gek van al die dozijnen Spanjaarden om me heen. We zijn in Frankrijk, dacht ik, laten we Frans spreken. Daar heb ik namelijk mijn best op gedaan.
Maar de dominante taal (in mijn huis, op feestjes, onder vrienden) was Spaans. In het begin van elke sociale affaire werd er wel Engels of Frans tegen me gesproken, maar zodra de groep op gang kwam stond ik systematisch buiten spel. Dan hadden al die mensen waarmee ik afzonderlijk goed kon opschieten een fantastische vibe met zijn allen en had ik het voorrecht daarnaar te mogen kijken. Soms was er een sociaal dier dat me erbij probeerde te betrekken. Soms.
Het maakte me ontzettend boos. Jullie zijn verdomde asociaal, dacht ik vaak. Ik weet dat elk van jullie prima Frans of Engels spreekt, dus waarom in godsnaam doen jullie de moeite niet?
En het maakte me net zo onzeker. Schijnbaar was ik niet van toegevoegde waarde, was ik de moeite niet waard om voor van taal te schakelen.

‘Sorry, ik sta uit’ zei ik vaak tegen vrienden afzonderlijk. Dan was ik te ver in gedachten gezakt om nog in een taal te converseren die me wél eigen was.
Na veel tijd en een hoop gedwongen(!) observatie leerde ik als geen ander hoe ontzettend sterk het groepsverband mensen beïnvloed. Hoe elk individu onder de betovering van een groep komt en alleen nog oor en oog heeft voor wat er zich in de groep afspeelt. Als doofstomme val je letterlijk van de kaart.
Die realisatie maakte me iets minder boos. Ik zag eveneens in dat de situatie uit zichzelf niets zou veranderen en concludeerde dat de oplossing bij mijzelf lag.
Ik moest Spaans leren.

Nu ben ik toevallig voor lange tijd in Catalonië en ik kan je zeggen, het is een interessante onderneming om Spaans te leren in een gebied dat diep in het hart niets van het Spaans wilt weten. Moet ik niet Catalaans leren? – heb ik afgelopen maand vaak gedacht, maar dan sta ik deze winter in Chamonix voor exact hetzelfde probleem. En dus word ik in het dagelijks leven harder buitengesloten dan ooit tevoren (hier spreekt iedereen immers een andere taal dan ik) en leer ik tussen de bedrijven door Spaanse woordjes, die doodstil in een achterkamertje van mijn brein wachten op een Spaanstalig incident.

Ik wou dat ik kon zeggen dat ik er inmiddels aan gewend ben, maar in feite kan ik niet wachten om me weer onder mensen te voegen waarmee ik (in groepsverband) kan communiceren. Het maakt me niet meer onzeker, noch boos, maar vooral eenzaam. Iedereen is zo lief, zo uitnodigend, zo warm, maar op het moment (du moment) dat het gezellig wordt ben ik simpelweg niet bij ze. Dan duurt het niet lang of ik trek me terug in mijn Nederlandse slakkenhuis en hoor het lachen en delen van de anderen weergalmen tussen de wanden van mijn schelp.
Het enige wat ik dan denk is: Waar zijn mijn vrienden. Ik mis zo. Ontzettend. Mijn vrienden.

Tot ‘ie grijs wordt

Ik heb nog twee dagen voordat ik begin met aftakelen. Ik geloof dat iemand me dat eens vertelde, dat je cellen op je vijfentwintigste een beetje achterover gaan leunen. En ik zie het al in de spiegel: kleine rimpeltjes rond mijn ogen.

Iemand anders vertelde me dat de meeste dodelijke alpine ongelukken plaatsvinden bij jonge alpinisten, de onervaren garde van onder de 25. Eerst vertaalde ik dat in: Ok, als ik de 25 haal, word ik oud. Na mijn ongeval werd het meer: Mwah, waarschijnlijk word ik niet ouder dan 25.

Nu de 25 twee nachtjes verder ligt, denk ik dat gewoon op deze planeet aan mijn verjaardagstaart zal zitten. De risico’s waaraan ik me morgen en overmorgen blootstel zijn onschuldig: De bomen langs de piste, de scherpe nagels van de buurkat en een overdosis aan gezond eten.

Ik denk eigenlijk dat mijn 25jarige leven iets gevaarlijker wordt, want ik heb vriendjelief deze winter niet om me langs de gletsjerspeleten en lawinecouloirs te leiden, want die heeft een contract in een superluxe hotel in Zwitserland.
Misschien moet ik mezelf voor mijn verjaardag maar een lawinepiep en een off-piste handleiding cadeau geven.

Hoe dan ook, ik zei eens tegen mijzelf dat ik een groot feest zou vieren de dag dat ik 25 werd, omdat ik dan van de Goden het toppunt van mijn fysiek had mogen bereiken. Het probleem is nu dat al die 25 jaren ertoe hebben geleid dat mijn vrienden en familie zich overal en nergens bevinden en ikzelf luxeleef in een geïsoleerd stadje in Spanje (met de buurkat).
Mijn grootste vrienden hier zijn de ouders en vrienden van Marcel en de duizenden varkens die dagelijks naar het slachthuis aan de rand van de stad worden gebracht (want het dorp is groot geworden met de productie van varkensvlees).

Zijn vrienden beginnen overigens al kaal te worden; het bewijs dat de aftakeling inderdaad toeslaat in de tweede helft van de twintigerjaren.

Het beste aan 25 worden zal dus niet dat grote feest zijn, maar ik heb wel een groot eenmansfeest te vieren. Namelijk: de realisatie van het feit dat ik ontzettend veel zin heb in de volgende 25 jaar. Ik zal een coole oude vrouw worden, zo één waarvan elke afzonderlijke rimpel bevestigd dat het bestaan een zegen is geweest (want eerlijk is eerlijk, mijn bestaat tot nu toe was niets anders) en elke nog blonde tevreden afwacht tot ‘ie grijs wordt.

Schraal materiaal en de grote verleiding

Mijn nieuwe blauwe broek is niet nieuw meer. Soms vergeet ik dat, dan denk ik: Nee Ruby, niets kopen, je hebt net die blauwe broek gekocht. Die kocht ik namelijk vier jaar geleden bij de Bever in Amsterdam. Het blauw is inmiddels vaal groenblauw, als een mossig onderwaterleven door een duikbril. Het eerste seizoen zette ik er drie keer mijn stijgijzers in. Het laatste seizoen heb ik de omtrek van de pijpen gehalveerd, omdat ik er nog steeds regelmatig mijn stijgijzers inzette.
Nu past de broek niet over mijn skischoenen meer. En erin irriteert.
Kortom: Ik mag van mezelf de vale broek vervangen.

Wat een opluchting, want ik voelde me al tijden niet meer cool. Het afgelopen seizoen was het prima om niet-cool over de piste te gaan, want ik wilde zo pretentieloos mogelijk mijn debuut in de skiwereld maken. En dus niet met lichtgewicht bindingen en carbonschoenen en tweedelige GoreTex op de groene piste mijn evenwicht verliezen.
Inmiddels heb ik juist het idee dat een outfit iets kan doen voor mijn zelfvertrouwen. In andere woorden: ik zwicht voor het consumeren, de Ferrari.
Ik moet daarbij zeggen dat ik helemaal gek wordt van tape, touwtjes en elastiekjes om dingen bij elkaar te houden. Als het even kan houd ik liever mijn aandacht bij de afdaling dan bij de afbraak van mijn materiaal.

Maar waar ligt dan de balans? Ik wil zo graag sparen voor dat huis, echt waar, en alle relatief kleine beetjes die ik in mooie dingen stop duwen het huis verder naar de toekomst. Ik kan voor mijzelf nauwelijks meer uitmaken of ik ‘erin trap’ of gewoon iets koop dat ik nodig heb.
Nodig heb in de zin van ‘het bewaken van mijn eigen humeur’, want in feite heb je het allemaal niet nodig. Als je maar zen genoeg bent neem je genoegen met twee houten latten en de wollen trui van je oma. Als je zen genoeg bent hoef je niet eens te skiën.

Goed, ik ben naar de winkel gegaan en heb een Milletbroek en een Monturashirt gekocht, voor het absurde bedrag van 260 tezamen. Het ziet er superfancy uit, ik zou niet opvallen tussen de lichtgewichten van Pierre Menta.
En nu?
Nu droom ik van een geldboom in de achtertuin om al die andere dingen ook aan te schaffen en een imaginair touw om dat huis in de toekomst dichterbij te halen. Nieuwe skischoenen, gordel (ik draag nog steeds mijn allereerste gordel), skistokken, het hele lawinepakket, een gletsjerbril, een horloge met gps, handschoenen, een 30l tas, er is geen einde, er is echt geen einde.

Het is begonnen: Skiseizoen 2016/2017

_dsc9687

Twee avonden geleden stormde het in Olot. Vanachter het woonkamerraam zagen we de lijnen van de bliksem keer op keer de grond in gaan. Micha was nog buiten. Hozen, wind, een ongelofelijk schouwspel gedurende de avond. Na het kalmeren van de storm vond Marcel’s moeder het arme kattebeest op het dakterras. Half haar gewoonlijke taille omdat ze zo doorweekt was.
We hebben haar maar in een dekentje op de verwarming gelegd.

Het eerste wat Marcel deed toen hij gistermorgen opstond was met de verrekijker een blik op de Pyreneeën werpen.
Wit.

Het gekke is dat het heel hard heeft gesneeuwd in Chamonix en we het sneeuwparadijs per ongeluk ontvlucht zijn. Maar nu lag er plotseling sneeuw in de achtertuin en moest er acuut geskied worden. Ik had niet eens de spullen; mijn skischoenen (nieuw: 15 euro op een tweedehandsbeurs) lagen nog in Chamonix en mijn ski’s (40 euro op diezelfde beurs) ter reparatie in een winkel in Olot.
Ik kon de skischoenen van Marcel’s vader (maat 43) lenen. In combinatie met mijn oude ski’s (Scotts, mijn derde paar ski’s in feite: afgedankt door een skiverhuur en opgeknapt door Marcel) had ik in ieder geval een excuus voor als ik het skiën verleerd was.

We waren laat. Om vier uur pikten we buddy Adria op en vertrokken we richting Valtar, een skioord aan de Spaanse zijde van de Pyreneeën.
Adria werd langzaamaan zenuwachtig.
Marcel was hyperactief.

De zon was ruim uit de vallei toen we de parkeerplaats onder het skigebied opreden. Shit, hoe moest dat ook al weer, die peau de foc? Hoe liep je omhoog zonder naar beneden te glijden? Hoe deed je die kickturn? Of, hoe deed je die kickturn met een miniem beetje elegantie?
Kou in mijn luchtwegen. Bevroren vingers, een loopneus, gloeiende wangen, een van de mooiste zonsondergangen die ik heb gezien in de bergen. De lucht achter ons kleurde integraal zonder ons medeweten. We draaiden ons om en zagen het uitzicht in tweeën gedeeld; een knalroze bovenkant en spierwitte onderkant.

En toch, het was eventjes heel dramatisch. Wat had ik nu eigenlijk gedacht, dat ik na een jaar skiën klaar zou zijn voor het gidsenexamen? Was er op zijn minst iets over gebleven van het afgelopen seizoen? Kon ik opnieuw beginnen? De jongens liepen ver voor me, ik kreeg de bochten nauwelijks voor elkaar, hoe zou ik naar beneden gaan? De piste was keihard en spekglad. Frustreer je niet, Ruby, het komt wel.
De schoenen waren zo groot dat ik af en toe naar boven stapte en (bijna) mijn ski’s achterliet.

We stegen tot het einde van de pistes, met een stel verbijsterend mooie vergezichten zolang het donker onderweg was. Boven zette ik alles op daalstand en gleed naar beneden met de ski’s dwars voor me. Voorzichtig. De jongens hadden een technisch probleem met de bindingen, waardoor ik alleen kon zijn met mijn uitdaging. Een bocht. Nog een bocht. Uit balans, nog een bocht. Lange rechte stukken tussen elke bocht. Ik was terug in Januari 2016, concludeerde ik, het niveau van een skiër die zich afvraagt of er communicatie plaatsvind tussen intentie en beweging.
Het kostte me de halve piste om een beetje ritme te vinden. De jongens vlogen me voorbij, totdat Adria zijn ski verloor en we met zijn allen de piste moesten doorkammen naar een eigenwijze ski in het donker.
Ik vond hem in de helling langs een riviertje.
Há, dacht ik, het eerste succes van vandaag.

Die avond laat, thuis op de bank met een kalme Micha op schoot, kregen we een telefoontje van een andere vriend van Marcel. Hij zou de volgende dag om 7 uur richting Valtar rijden en vroeg of we mee wilden. Oef, dacht ik, het skiseizoen is begonnen. Konden we een oplossing vinden voor de te grote skischoenen?
Ja, twee paar dikke sokken en de zooltjes van een ander paar schoenen. Ik zei nog tegen Marcel: ‘Ik weet ik niet of ik dit seizoen weer met afdankmateriaal wil doorkomen. Misschien is het tijd voor een investering. Het is moeilijk genoeg.’ Hij zei: ‘Ruby, volgens mij ben je vergeten dat het skiën leuk is. Laat los dat je goed moet zijn, geniet ervan, dat kun je op n’importe quoi. En binnen een half seizoen zit je op niveau.’

Dus, de volgende dag ploegde ik dezelfde ijzige piste omhoog, met voeten doordrenkt in sokken en een geest die herhaalde: wees hier, wees hier, geen zorgen. We bewogen ons van de piste en klommen richting de top van Bastiments, via een steil ijzig stuk waar Marcel zijn ski’s afdeed en direct onder me meeliep voor het geval ik weg zou glijden. Hoe de fack doen die mensen dit? – dacht ik.
En ik dacht aan Freja, mijn klimzusje die zich heldhaftig tussen de klimmers in Chamonix had gevoegd terwijl ze net haar eerste paar wrijvingsschoentjes had gekocht. Waarom aan haar? Ze was er altijd extreem op gebrand te presteren, want ja, iedereen in haar omgeving klom in de zeven en zij in de vijf. Haar obsessie was presteren. Geniet er nou toch van! – dacht ik dikwijls.
Een sport beginnen te midden van de sterren van die sport (Chamonix), dat kan een uitwerking hebben. Dat is wat ik dacht: Freja en ik lijden onder hetzelfde minderwaardigheidscomplex.

Halverwege de afdaling kon ik me loskoppelen van mijn bewegingen en zelfs van mijn geest.
Wat een vrijheid bleek dat skiën ineens. Wat was de omgeving mooi. Wat was het verschrikkelijk onzinnig om energie aan gedachten te verkwisten in een omgeving die geen gedachten nodig had.
Wat een sport was dat skiën.
Wat mooi dat het seizoen nu eindelijk begonnen was.

_dsc9688

Micha en de ezel

20 November. We zijn nog steeds bij de ouders van Marcel. Het lijkt erop dat de kat (Micha) mijn aanwezigheid eindelijk heeft geaccepteerd, laatst kwam ze namelijk dichtbij me op de yogamat liggen. De kat van de buren (twee keer groter (dikker) dan Micha) laat zich met vier omhooggestoken poten in de armen van Marcel heen en weer wiegen, maar als ik goedemorgen-kat zeg sprint ze weg. Daar moet ik dus nog wat aandacht (kattenkoekjes) aan besteden.

Welkom in Spanje. Of specifiek: Het kleine witte buurtje in Olot dat tegen de oude vulkaan opkruipt en meer katten en honden huisvest dan buurtgenoten. Als de ene hond begint de blaffen, blaffen ze allemaal.
En de bejaarden zeggen ‘Ola’ tegen me.

Ik ben nog niet vergeten dat ik in een vreemde cultuur rondloop. Of laat ik zeggen: Dit is Spanje, kader Spanje, vreemd maar ik ken het al. De shock is overigens nooit groot geweest, het is geen India hier. En toch, als ik erop reflecteer realiseer ik me dat alles een beetje anders is. Het soort natuur dat zich door de ramen toont, het kleurenpallet van de dorpsstraten, de oude stenen nederzettingen buiten Olot, het klimaat, de etenstijden en in feite non-stop eetcultuur en niet te vergeten: de warmte van mensen (vriendschappen, eerste ontmoetingen, gastvrijheid: ik weet niet hoe het is om in een Noordelijke cultuur te belanden, misschien net zo warm. Maar het gaat ver hier; ik ben nooit een buitenstaander, net zo veel vriend in de vriendengroep als zij die samen zijn opgegroeid. Eerlijk waar, alsof ik hier een gewaardeerd bestaan had nog voordat ik voor het eerst voet in Olot zette).
Ik twijfel overigens wel of ik over Olot in Spanje kan spreken. Olot is diep Catalaans. Mensen uit Barcelona zijn al vreemdelingen. Vrienden van Marcel hebben hun stamboom klaarliggen, de Spaanse burgeroorlog, Franco, het leeft, het is recent, het is belangrijk. Het idee van ‘onafhankelijk willen zijn’ is me in feite drie keer vreemder dan de etenstijden en ik zie of voel het overal.

Maar toch nog even over het eten: Laatst gingen we weer op bezoek bij Joseph, die woont in het landhuis waar ik tijdens mijn vorige verblijf al zo lyrisch over geschreven had. Het huis met de ezel en het paard, beide nog geen twee jaar oud, de gigantische groentetuin, de kippen en het kleine hondje, de piano en gitaren, de eettafel van vier meter; dat huis. We kwamen toevallig tegelijkertijd aan met de moeder des huizes, die ons twee grote manden gaf en opdroeg om groenten uit tuin te halen en eieren uit het kippenhok. In de keuken had ze ondertussen de tafel afgeladen met gerechten, uit het niets, uit de koelkast, uit de tuin. Er was huisgemaakte druivensap en appelsap, brood, salade, quiche, spinazietaart, kaashapjes, olijven en een amandeltaart toe. Zoiets krijg ik nog niet voor elkaar op een feestdag. ‘I like cooking’, zei ze verontschuldigend. Iedereen hier in Spanje houdt van koken.

Ik ging natuurlijk weg met een hoop aangewakkerde dromen (en een mandje met groenten), precies zoals afgelopen Juni. Met name de ezel maakt diepe indruk op me. Geef mij een ezel voor mijn verjaardag – en het bijpassende huis. Desnoods in Catalunya; ik mis de bergen, brood met Nutella in de middag en zal me nooit bij de seperatisten scharen, maar de rest zie ik wel zitten.
En dat hart van Micha en de buurkat verover ik nog wel.

Ze schrijven zichzelf niet

Ik schrijf deze blog om iets van mijn enthousiasme terug te winnen. Een half jaar geleden begon ik namelijk aan een boek. Ik was verslaafd, leefde het leven van de hoofdpersonen zo fanatiek als het mijne. Het document waarin het allemaal gebeurde staat nog steeds elke dag open, maar ik heb de aandrang verloren om erin te kijken. Dat is gek, want voorheen was het alsof het verhaal al eeuwen bestond en zich koste wat kost een weg naar de realiteit worstelde. Via mij. En nu, nu is de ziel verloren en blijkt het… gewoon een verzameling zinnen. Alle hoofdpersonen zijn passief, staan bevroren precies daar waar ik ze gelaten heb, geen sprankeltje initiatief, het leven is gestopt.

Het zou toch zo cool zijn als ze zichzelf verder hadden geschreven.

Teleurgesteld in de karakters en de magie, kan ik me alleen maar ergeren aan het feit dat ik een on-af boek de werkelijkheid ingesleurd heb. Mijn vader zei nog, begin met kleine verhalen. Dat was de bedoeling, maar ik viste per ongeluk een gigant op, een zwaargewicht uit de verhalenwereld. En eerlijk is eerlijk, ik heb helemaal geen zin om dat hele document door te lezen, op zoek naar het enthousiasme dat me nu ontbreekt.

Maar ik geef niet op. Ik had geen plot en geen einde en een wankele verhaallijn, en toch zal ik terug kruipen in mijn fantasie en mijn personages aansporen om verder te leven. Kijken waar ze heen willen, of ze nog ergens heen willen. Of ze misschien uit zichzelf een plot kunnen ontwikkelen.
(Ik moet altijd denken aan Stoner van John Williams, een boek dat me compleet in zijn greep had omdat er helemaal niets in gebeurde en ik het razend interessant vond. Williams liet me zielsveel houden van een oersaai, menselijk personage. Na het boek had ik een plotselinge fascinatie voor élk mens, want als Stoner zo interessant was, dan moest iedereen dat zijn. Dus keek ik mijn ogen uit in de tram, collegezaal, Albert Heijn…Helaas werd de realiteit niet via Williams aan mij gepresenteerd en waren de meeste mensen binnen een paar dagen weer passanten. En nee, het is ook Williams niet die mijn boek schrijft. Ik behoef een plot.)

16 november 22:10

Het werkt. Direct na het schrijven van de blog ben ik het document ingedoken. Ze leven weer. Godzijdank.

En we stoppen weer met beesten (Bertha’s) eten

Het komt door de koeien in Le Tour. Ze waren zo gelukkig op die flank, een beetje liggen, poepen en grazen, dat ik het idee van hun vrienden op mijn bord plotseling weerzinwekkend vond. Sindsdien wil ik Bertha weer recht in de ogen aan kunnen kijken, en dat kan ik niet als Bertha’s zus nog op de bodem van mijn maag ligt te verteren.
De vorige keer dat ik vegetariër werd was het toch wel een dingetje. Beïnvloed door het stadsleven en alle kleine denkers om mij heen, misschien ook de transitie die ik zelf doormaakte (corpsbal -> hippie), was ik veel bewuster van mijn eigen ideologie. Enerzijds schaamde ik me voor mijn besluit, het cliché, het paste te zeer bij mijn wending, anderzijds probeerde ik het aan alle kanten van argumenten te voorzien.
Nu is alles zo… überhaupt zo moeilijk om in een hokje te plaatsen, dat ik het grote kader langzaamaan heb losgelaten. Wat de som is van mijn ideeën intrigeert me momenteel niet zoals in mijn studententijd. En als ik even geen beesten meer wil eten, tsjah, dan niet.

Alhoewel, het is toch wel gek dat ik het ene moment de connectie tussen Bertha’s zusters en het vlees tussen mijn pasta’s wel maak, en het andere moment niet. Ik interesseer me de laatste tijd weer wat meer in de wereld en haar geschiedenis – onbeperkt toegang tot internet heeft zijn gevolgen – en doorspit een hoop onheil. Nazi-Duitsland, Pinochet, drugsoorlogen in Colombia, een ontzettend willekeurige reeks aan onbegrijpelijke regiems en misdaden doet me afvragen hoe je als mens in staat bent om een ander mens kwaad te doen.
En het lijkt, of het voelt voor mij begrijpelijker als ik denk aan mijn wisselende vermogen om een vredige, grazende koe tussen de grassprieten in het vlees dat ik eet te zien. Óf ik kan meevoelen met een koe, of ik kan het niet. Alsof een deel van mijn empathisch vermogen (naar koeien toe!) een beetje gedijt op toevallige omstandigheden. Gelukkig zie ik het verschil tussen een mens en een koe… ik kan vrij eenvoudig concluderen dat mijn empathisch vermogen wat betreft mensen iets minder wisselvallig is (alhoewel, ik koop nog steeds kleren waarvan ik vermoed dat het productieproces niet helemaal netjes is – daar moet ik dus mee stoppen).
Hoe dan ook, het fascineert me. De status van het leven, al dat leeft, de koe, de kat, de vlieg, het mens, hoe dat schommelt en rommelt en bepaald wat ik doe, dat is interessant.

De conclusie is dat ik Bertha’s zusters rustig in hun weide laat en wederom overga op konijnenvoer. Als ik het simpel houd. Laat ik het simpel houden.

Festival del Foc i de la Llum

_dsc9538

Fransces is een van de beste vrienden van Marcel en diegene van wie ik de naam het eerste onthield. Hij werd aan me geïntroduceerd als een collegaschrijver, overbodig, want zijn grote, dromerige groene ogen, krullende haar en ouderwetse (en toch heel hippe) kledingstijl verraadde hem bij binnenkomst (en lieten absoluut geen ruimte over voor een ander beroep).
Marcel had me overigens al ingelicht, hij zei: die ga je sowieso mogen, want die schrijft.

Nu was hij categorie schrijver die me angst inboezemt, zo een die ze allemaal gelezen heeft. Een Catalaans dichter met ongekende (filosofische, donkere) diepten en tegelijk journalist. Daarom durfde ik nooit zo goed een inhoudelijk gesprek met hem aan te gaan. Het duurde een tijdje voor ik het onderwerp op onze schrijfcarrières bracht, wat achteraf zonder gevaar bleek omdat we bleven bij gebabbel over de praktijk van het schrijven zelf. Een hutje hoog in de bergen, kwamen we beide op uit, dan kreeg je het wel voor elkaar om een boek te schrijven.
Hij vertelde me dat hij niets van zijn eigen werk instuurde, maar ik kwam er niet achter waarom niet; misschien omdat zijn Engels niet goed was (of mijn Catalaans) en ik hem onvoldoende begreep, misschien omdat hij het zelf ook niet wist. Marcel vertelde me later dat Fransces geen reden zag om zijn eigen werk te publiceren omdat hij het niet schreef voor het grote publiek. Ik dacht meteen: die durft niet.
Hij lijkt overigens wel het type dat over honderd jaar, lang na zijn dood, wereldroem vergaard.

_dsc9534

We ontmoetten de hele vriendengroep op de avond van Festival del Foc i de la Llum, een feest in Olot dat vijf jaar geleden in het leven was geroepen en de hele regio op de been bracht. Witte aliens aan draadjes vlogen hoog boven onze hoofden. Vuurwerk barstte in kleuren uiteen, de Catalaanse zangeres Marine Rossell verscheen op het balkon, witte ballonen rezen naar de hemel, kinderen met lichtgevende schoenen renden achter elkaar aan, de straten liepen vol en toonden ons lichtgevende kunstwerken op elke hoek en elk plein.
We slenterden. Het Spaanse klimaat maakte de novembernacht niet zo zacht als ik had gehoopt. Als we geen kunstwerk van brandend hout in winkelwagens waren tegengekomen, was ik met traditioneel bevroren vingers uit de nacht gekomen.
Ik sprak veel met Jordi, een van Marcels vrienden die werkt als chocolatier, met fabelachtige foto’s op zijn mobiel en verhalen over bonbons, chocolademelk en kunstwerken van ja, cacao. Ook leerde ik veel over Sergio, een afgestudeerd bioloog die niet aan de bak komt en daarom voor 600 euro per maand vrachtwagens inlaadt (een van de vele jonge Spaanse hoogopgeleiden die zijn originele roeping volledig naast zich neer heeft gelegd).
En ondertussen was Fransces aan het werk. Hij had die middag toevallig een fotograve ontmoet, en omdat hij toch al de opdracht had om verlag over het festival te doen gingen ze samen op pad. Wij liepen erachteraan.

Elke vijf meter ontmoette iemand een vriend van vroeger, een kennis van de ouders, de ouders zelf, studiegenootjes, oude liefdes, het hield niet op. Olot is een dorp. Ons kent ons.

We sloten de avond af met een diner in een Kebabzaak net buiten het dorp. Fransces was er lang niet meer bij, die had de plicht om alle kunstwerken af te gaan wanneer de rest allang de warmte had opgezocht. Misschien dat zijn verslag van de avond later in de historieboeken wordt opgenomen, het festival van het licht in de ogen van de jonge Catalaanse schrijver die later zoveel faam zou opdoen.

En ik was erbij.

_dsc9475