Latest Posts

Tocht 7: Traversée des aiguilles Dorées

Ik ben nog nooit weg uit Europa geweest. Geen Azië toen ik achttien was, geen Zuid-Amerika tijdens mijn studie, geen vluchten langer dan… wat zal het zijn, twee uur? Wat trouwens niet nodig is om voet op een ander werelddeel te zetten: Twee vrienden van me fietsen na de winter naar de Himalaya. Daar doen ze wel eventjes over. Een jaar.
Mijn avontuurlijke leeftijdsgenootjes kwamen natuurlijk thuis met waanzinnige verhalen over hun exotische reisbestemmingen, terwijl ik me verplicht zag uit te weiden over een rotsblok of een bergbeek. Wat me echter vooral bijbleef van hun verblijf in het onbekende, waren de poepproblemen. Ofwel het kwam er niet meer uit, ofwel het bleef er niet meer in (vooral die: drukke Indiase bussen die niet stoppen terwijl jij bijna flauwvalt van kramp). Ik vond dat eindeloos fascinerend, het was me immers zo vreemd als die landen zelf. Natuurlijk was ook mijn systeem weleens slachtoffer van een boosaardige inwoner, maar de gevolgen daarvan waren altijd binnen de perken gebleven. Ik heb nooit naar het toilet hoeven rennen. Er was altijd wel een mate van consistentie. Ik dacht dus ook dat ik voor die ervaring op zijn minst een ticket naar een ander continent moest boeken.

Het bleek genoeg om naar de Aiguilles Dorées omhoog te lopen (Zwitserland nota bene, wie had dat gedacht). Op een warme zomeravond afgelopen jaar liepen Marcel en ik nietsvermoedend richting Glacier de Trient, waar de Aiguille Dorées uitgestrekt het einde van de vallei uitmaken. Bepakt met een tent, slaapzak en kookgerei passeerden we Refuge Albert Premier en een waterbron met, ik verraad het maar alvast, zo’n Indiase bacterie maar dan in Franse variant. Alhoewel mijn darmsysteem die nacht vreemd lag te kronkelen begon ik rond drieën opgewekt aan de klim naar de graat van Dorées. Een fascinerend mooie zon kwam ongeveer gelijktijdig op met een noodtoestand in mijn onderstel waar ik werkelijk versteld van stond. Toen had ik nog de illusie dat ik kon winnen, je weet wel, op spierkracht en wilskracht. Twee rotsblokken verder begon ik naar mogelijk subtiele poepplaatsen te zoeken (alhoewel ik de gedachte vernederend vond). Marcel voelde zich eveneens niet helemaal lekker, niets darm gerelateerd overigens, en suggereerde terug te keren. Ik wist niet hoe snel ik daarmee in kon stemmen. Dan hoefde ik ten minste niet op de graat te poepen.

Terwijl de gletsjers afliepen dacht ik meerdere malen: Naah, wat maak ik mee? Wat gebéurd daar? Maar ik wilde koste wat kost wachten op het toilet van Albert Premier. Misschien omdat ik het monster dat zich in mijn onderbuik had genesteld niet wilde vrijlaten in de natuur, bang voor hoe het eruit zou zien, bang voor achtervolging. Of omdat mijn preutsheid nog net aan sterker was dan de kracht die inmiddels door het monster werd uitgeoefend. Als ik niet zo gebukt ging onder de kramp, had ik mezelf gelukkig kunnen prijzen dat ik niet in een Indiase bus zat, maar het enige waar ik aandacht voor had was niet-poepen. De laatste meters over de morenen naar de hut heb ik toch echt wel in sprint afgelegd.

Goed, sindsdien kan ik dus bijdragen aan wilde poepverhalen zonder ooit een stap op een ander continent te hebben gezet. En nog een succes: Afgelopen maandag hebben we de Aiguilles Dorées in alle rust kunnen traverseren.

IMG_20170821_131613

Marcel aan de top van de serie rappels aan het eind van de traverse, die meer tijd heeft ingenomen dan de gehele graat zelf.

 

Acht paar voetjes op de Mont Blanc

Mag ik terug in de tijd? Een week, om precies te zijn?

Is het werkelijk voorbij?

Afgelopen week mocht ik mee met de hoogalpinereis van de NKBV naar Gran Paradiso en Mont Blanc, met als bedoeling daar een verslag over te schrijven dat volgend jaar in de Hoogtelijn verschijnt. Mijn eerste journalistieke opdracht en een week lang in het hooggebergte: Beter krijg ik het bijna niet. Maar hoe zoiets werkelijk uitpakt, daar had ik dan weer geen idee van. Hangt er een beetje van af met wie je bent.

Acht paar voetjes liepen op een zondagmiddag richting Gran Paradiso: Een fotograaf, twee deelnemers, twee Oostenrijkse gidsen, de vader en het zusje van een van hen en ikzelf – in rol van deelnemer en journalist. Dat die vader en dat zusje mee zouden gaan was niet helemaal gepland, maar de Oostenrijkse gezelligheid was een aangename verassing. Voor mij apart had die gids zijn hele familie uitgenodigd. Zijn hele vallei.

Hoe die reis precies is verlopen ga ik natuurlijk nu niet zeggen. Dat lees je wel in de Hoogtelijn.
Maar ik kan best loslaten dat ik intens genoten heb van elke dag die ik met de groep op hoogte heb gezeten. Dat je het moet treffen met je cursusgenoten en de gidsen zal best waar zijn, maar op wonderlijke wijze word ik altijd in de cursus gegooid met een stel helden. Oostenrijkers lijken bij voorbaat een succes (misschien moet ik mijn land van bestemming aanpassen) en het Nederlandse bergvolk was ook dit keer gewoon heel cool. Interessant, avontuurlijk en gezellig genoeg om uren aan loze tijd ongemerkt mee te overbruggen. Hoe belachelijk sentimenteel het ook klinkt, het is altijd een beetje tragisch dat ieder naar afloop een andere richting inloopt. Hoe loopt het nu af met hen? Mag ik dat ook weten?

Ik was dan wel mee in een soort officiële gedaante, maar uiteindelijk heb ik gewoon onprofessioneel veel plezier gehad. In het begin plaatste ik mezelf nu en dan met pen en papier in relatieve afzondering, maar daarna dacht ik: Ga nu maar gewoon ervaren, Ruby. Daar komt het beste verhaal uit voort.
Als dit het begin van mijn journalistieke carrière is, dan had ’t zo mogelijk niet mooier gekund. Met dank aan de NKBV, een stel grenzeloos mooie bergen en met name die zeven paar voetjes waarmee ik zomaar even op de Mont Blanc stond. (Dat succes heb ik vast verraden).

Moeder, Zus en Dare

_DSC8399

_DSC8394Het regent in Chamonix alsof de weergoden een poeltje zoeken om in rond te dobberen. Wie vlak na Les Houches een stuwdam bouwt, heeft morgen een volwaardig stuwmeer. Dan zouden we, als de zon schijnt, met de boot naar de instap van onze routes kunnen.

In deze doornatte omstandigheden laat ik mijn moeder achter bij de bushalte in Chamonix. Ik weet dat, als alles verloopt zoals afgesproken, er straks een bus langsrijdt die haar afzet bij het vliegveld in Genève, waar vervolgens een vliegtuig langs vliegt dat haar afzet in Amsterdam. Maar omdat ik daar allemaal geen getuige van ben, voelt het alsof ze gewoon in een lichtflits (geïnspireerd door al dat onweer) straks weer op de bank tussen mijn vader en de kat zit.
Wie laat zijn moeder nou achter in een bushalte in Chamonix? Met de wetenschap dat ze dadelijk door een Britse transferdriver ontvoerd wordt, weg uit de realiteit waar ik grip op heb, weg uit mijn mogelijkheden?
Was ze er überhaupt wel, of heb ik dat gedroomd?

Het gekke is dat ik mijn zus hier nog naast me heb. Maar die verdwijnt over twee dagen net zo abrupt met een lichtflits; een afgesproken tijdstip en weg. En denk niet dat er dan nog iets achterblijft, noch van mijn moeder noch van mijn zus. Ik kan terug naar de bushalte lopen en wachten tot ik een ons weeg. Die zitten gewoon in Nederland.

Er was zelfs nog zo’n derde figuur dat inmiddels in de lucht hangt, als ik het moet geloven dan, want ik ben er wederom geen getuige van. Suus (de zus) had een vriendinnetje uit Nederland meegenomen. Ik heb het drietal (moeder, Suus en Dare) hier dagenlang in de bergen gehad, door het vreemde Chamonix, aan touwen, in liften, op flanken of de salsa-avond in de Jazzclub, en ze vonden alles leuk. Bij vergissing noemde ik Dare een grote zonnebloem, maar niets bleek minder waar. Die grote zonnebloem die ik gedurende de week op geen negatieve fractie van een emotie heb kunnen betrappen is dus net als moeders de vallei uit geflitst. De vraag is of ze er ooit echt geweest is.

Maar Suus, die heb ik dus nog eventjes. Morgen gaan we samen op de boot in het stuwmeer. Als de Britse transferdriver zelf geen boot heeft dan blijven we net zolang dobberen tot we oud en grijs zijn. Zo erg is al die regen nog niet.

_DSC837620747614_10154931524341538_862932201_o_DSC8387 (2)20684668_10154931518761538_506946956_o_DSC840120727190_10154931522991538_915884376_o_DSC838320707284_10154931525021538_343122018_o_DSC836220707344_10154931534071538_2043285524_o20727109_10154931525821538_248680409_o_DSC8397_DSC8365_DSC8371 (2)

Die dieren spraken heus wel

De wilde dieren op de boot van Yann Martel in zijn beroemde boek Life of Pi kende ik al voor het gelezen te hebben. De zebra, Orang-oetang, hyena, Bengaalse tijger en het Indiase jongetje Pi waren allang geschetst op basis van de flarden aan informatie die zulk soort bekende en verfilmde boeken de wereld in sturen.
Toen had ik het boek voor me en las ik dat de naam van het jongetje kwam van het Franse woord ‘Piscine’: Zwembad in het Nederlands. Ik las dat hij Hindoe, Christen en Moslim tegelijkertijd was en samen met zijn broertje opgroeide in de dierentuin die gerund werd door zijn vader.
Op een zeker moment vond vader het tijd om zijn kinderen de ware aard van de dieren in zijn dierentuin te tonen, en wel via een verschrikkelijke scene. Voor het oog van de jongetjes liet hij een levende geit de kooi van een Bengaalse tijger binnen. Je kunt je wel bedenken wat er met die geit gebeurde.

Niet alleen de jongetjes waren geschokt, maar ik ook. Ik dacht namelijk dat de Bengaalse tijger in het boek Life of Pi niet écht een levende geit zou afslachten (onder het weerzinwekkend gemekker van die geit zelf).
Toen de familie uiteindelijk met dierentuin en al van India naar Canada werd verscheept, zonk het schip en bleef Pi alleen achter op een reddingsboot. Met dus een zebra, Orang-oetang, hyena en Bengaalse tijger (overigens een andere dan die de levende geit op had gegeten). Nu wist ik dat Pi en al die dieren dikke vriendjes zouden worden, want zo moest het wel gaan als ze allemaal op een enkele reddingsboot waren beland.

Nee dus. Diep geschokt was ik toen de hyena plotseling de voet van de gewonde zebra afknabbelde (echt waar). Dat de dieren niet spraken moest ik even verwerken, maar dat ze elkaar opvraten?
Ik had duidelijk niet goed opgelet toen vader ons een Bengaalse tijger toonde die echt wel een levende geit verslond.
De hyena ging vervolgens aan de haal met de Oerang-oetang en de Bengaalse Tijger met de Hyena en Pi, dat jongetje dat naar ‘zwembad’ was vernoemd en drie religies aanhing, met zeeschildpadden.
Gek genoeg dacht ik nog steeds dat de twee overlevende schipbreukelingen een hechte vriendschap zouden opbouwen. Maar Pi moest de godganse tijd dat hij met de tijger op de oceaan dobberde dealen met het levensgevaarlijke, bloeddorstige, beestachtige karakter van zijn bootgenoot. Doodsbang was hij (zou ik ook zijn met een Bengaalse tijger die zich gedraagt als een Bengaalse tijger). Op het einde voelde hij wel een band voor de tijger, maar het beest zelf rende gewoon de jungle in.

Als Pi later zijn verhaal doet (ik zat op een boot met een zebra…), geloven mensen hem niet. Immer, overleven met zulk wild op zo’n kleine oppervlakte voor zoveel dagen is vrijwel onmogelijk. Misschien is alles wel anders gegaan; waren er helemaal geen wilde dieren, is Pi verschrikkelijk in de war. Uiteindelijk geeft Pi een andere mogelijke en vrij gruwelijke verklaringen voor de gebeurtenissen en laat Martel zijn lezers kiezen waarin te geloven.
Ik geloof in een derde, niet door Martel omschreven uitleg: Dat de hyena de wond van de Zebra schoonlikte en Pi er toen zijn shirt om bond, dat de tijger angstig voor het water wegkroop in de armen van de Oerang-oetang en het hele zootje al die dagen op de boot miraculeus overleefde, en toen ze vervolgens een onbewoond (in de zin van geen mensen, maar wel dieren) eiland aandeden leefden ze lang en gelukkig samen, behalve Pi, want die voer door naar de beschaving en vond daar zijn eigen warme nest.

Tocht 8: Nabot Leon & Ozer Josephine

IMGP0796

De routes op de Peigne en Blatière zijn gemakkelijk te bereiken via de plan de l’Aiguille lift en veel van hen kun je ook binnen de openingstijden van de lift afronden, maar een bivak bij Lac Bleu  is altijd, altijd de moeite waard.

The place to be: alle routes op de Blatière. Want ze zijn toegankelijk, overzichtelijk, solide en hartstikke Chamonix Graniet op haar best.
‘Nabot Leon’ en ‘Ozer Josephine’ vormen samen een 400 meter lange klim op de westwand. Nabot Leon geeft de makkelijkste route op de Pillar Rouge en is daarom populair. Zo populair dat we als vijfde touwgroep aankomen en op de hielen gezeten worden door een gids met klanten en een viertal dat het snel opgeeft.

Wachten.

IMGP0804

De buurroute ‘Majorette Tatcher’, daar zat dus maar één touwgroep in, waarschijnlijk vanwege een 6b+ off-width crack die er van boven mega cool uitziet.

We wachten op elke standplaats. We praten met Britten, Fransen en Zweden en wachten. Eén touwgroep ruïneert het voor de rest: Ze waren de eerste en de langzaamste. Links en rechts worden ze ingehaald, maar wij, als vijfde, zijn praktisch kansloos. We wachten zoveel dat het instabiele zomerweer steeds zwaarder in de lucht gaat hangen. Het sfeertje is jolig, want wat kunnen we anders, maar uiteindelijk heeft niemand zin om in onweer rappels in te hangen. En wij willen nog een tweede route in, Oser Josephine. We zouden er immers de tijd voor hebben.

IMGP0803

Ik had weer mega goed het eten voor elkaar: twee croissantjes de man voor de hele dag. Dit was onze laatste.

Rond twee uur ‘s middags begint al het volk op de Blatière massaal terug te keren. We houden het nog wat lengtes vol, maar worden eveneens, nog voor we de top bereiken, te zenuwachtig van al dat gedreig van boven. Gestrest en in rap tempo beginnen we abseils in te hangen. De donder blijft uit, maar regen en wind jagen ons terug naar Plan de Aiguille.

IMGP0809

Slecht weer dus. Daar is  Massief Mont Blanc goed in, de laatste tijd.

Goed, dan maar terugkomen op een zonnige dag en beter tijdstip. Met een aantal grote cams voor de prachtige spleten die we onze spontane abseil zijn tegengekomen, want er valt daar nog veel te ontdekken. We hebben zelfs een blik kunnen werpen op de beruchte Fidel Fiasco (‘fingercrack’ 6c+) over de Pillier Gris, alhoewel we dan nog even ons mentaal naar zelfvertrouwen moeten afgraven.
Dan weet je in elk geval dat je niet in de rij hoeft te staan.

IMGP0811

Schuilen voor de regen terug bij Lac Bleu.

Echt een coole relatie

Toen ik nog geen relaties achter de rug had, moest ik alle mannen uit mijn fantasie aan een tragische dood laten sterven. Want de ware liefdes die ik voor mijn geest haalde konden niet ten onder gaan aan een simpel ‘einde van een relatie’. Als het tijd werd voor een nieuw ideaaltype man, moest het voorgaande type op een romantische (doch dramatische) manier van het toneel geschreven worden, en daar ging alleen de dood voor op. Iets van buitenaf, het lot, zolang de liefde maar niet gewoon ophield.

Er loopt dus een groot aantal mannelijke schimmen door mijn gedachtegangen te dwalen.

Ik heb relaties altijd slechts twee toekomstscenario’s gegeven: Zij die voor altijd doorgaan of zij die eindigen (mislukken) met (in elk geval enkelzijdig) liefdesverdriet. Een relatiebreuk in mijn omgeving was dus bij voorbaat drama. Het kwam niet bij me op om te denken: ‘Ah, die twee hadden nou echt een coole relatie. Wat vet om dat te mogen meemaken’ of blij uit te roepen: ‘Yo, dat was een mooi avontuur hè!?’.
Een relatie kan niet echt succesvol zijn geweest als er een einde aan komt.

Maar jij, lieve jongen? Ik vier de tijd die ik met je heb mogen doorbrengen! Je bent een kunstwerk aan de wand van mijn gedachtegangen en ik voel nog steeds de magie van ons samenzijn als ik voor je sta. Ik dank de wereld dat ik je heb mogen ontmoeten en daarmee basta. Het feit dat we lang niet meer romantisch betrokken zijn veranderd daar werkelijk niets aan. We zijn een succesverhaal van begin tot einde en ik hoop je voor altijd bij me te hebben, harstikke levend en dolgelukkig, niet als mijn vriendje maar als een labelloze en fantastische realiteit waarmee ik een woest mooi verleden deel dat niemand ooit ook maar in vage contouren zal leren kennen.

Toen ik al die perfecte mannen in mijn hoofd vormgaf wist ik nog niet dat ze niet persé voor altijd aan mijn zijde hoefden te blijven. Los van mij, na mij, mogen ze ook best een mooi bestaan leiden. Dat zal niets afdoen aan hun perfectie of de onvoorwaardelijke liefde die ze in hun schepping van mij kregen. Liefde verandert niet in een leugen nadat het leven een andere richting inslaat. Romantiek verrot niet in het verleden. Ik ben misschien meer in aanraking gekomen met het feest van het samenzijn dan met de pijn van het gebroken hart, maar ik hoop dat ik ook na een dergelijke catastrofe op een dag kan uitroepen: ‘Wij hadden nou echt een coole relatie’.

En jij? Lang leve de herinnering en lang leve jou.

Mer de Glace met appelbomen en een autovrij Chamonix

Ik droom ervan om een balletdanser op de top van de Mont Blanc neer te zeggen, want daar geeft de natuur een van haar wonderen en als je dat op de achtergrond zet van ons wonder van de balletdanser, dan heb je ongetwijfeld een wonder in het kwadraat.

Ik droom er eveneens van een kolonie Flamingo’s los te laten op de Mer de Glace, al zou dat een tragisch einde hebben (daarom droom ik ervan en ga ik niet tot actie over).

Ik heb overigens meer gedachtes over de Mer de Glace. Wat nou als je al die oerlelijke grijze bende op de wanden links en rechts, het slagveld dat overblijft nadat de gletjertong zich terugtrekt, volplant met bloemen? Bomvol met talloze kleuren bloemen (en alle bijen en vlinders die daarbij horen)? Marcel had een ander idee: Je kunt er een groentetuin voor de hele vallei planten. De linkerzijde voor de tomaten en de prei, de rechterzijde voor de pompoenen en de pepers en dan in het midden, aan de rivierbeddingen, doe je slakroppen en misschien zelfs fruitbomen en wijntakken.

Misschien evolueert de Mer de Glace uit zichzelf wel in een jungle en lopen daar op een dag gorilla’s en alligators over de vlakte. Paradijsvogels in de lucht, bananen voor het oprapen. Tegen die tijd ben ik er zelf helaas niet meer.

Les Aiguilles Rouges inspireert me altijd tot een ander experiment: Wat als je nu skiliften ontwerpt die zich ’s zomers terugtrekken in de grond? Ik bedoel, technisch gezien is het ongetwijfeld mogelijk, het zal alleen peperduur zijn. Maar dan reserveer je het geld van één seizoen Aiguille de Midi liftpassen (60 euro x 40 (?) mensen per cabine x heel veel keer per dag x juni – aug) en dan heb je ongetwijfeld budget voor die terugtrekkende skiliften. Ze zouden mij president van Compagnie de Mont Blanc moeten maken.
En oké, die Flamingo’s gaan het dus niet worden, maar ik zou wel een fokprogramma voor marmotten opzetten, want ik heb er hier dus gewoon nog nooit eentje gezien. Dan haal je een paar van die dikzakken uit Des Écrins en eigenlijk zit je dan al wel goed.

En als we nu toch bezig zijn: Per januari 2018 maken we Chamonix autovrij. Vanaf Servoz tot Vallorcine is de vallei alleen toegankelijk voor voetgangers en fietsers. Tunnel de Mont Blanc kunnen we dan gebruiken als museum, ‘Chamonix in tijden van uitlaatgassen’, toegangsprijs gelijk aan huidig tunneltarief.  Dan boosten we gelijk de lokale economie van Aosta en verder, misschien dat zij dan ook wel groentetuinen in hun bedorven gletsjers planten.

Onder deze voorwaarden vertrek ik nooit meer uit Chamonix.

Olifant; het roze touw dat geknipt moest worden

Olifant was een dik, roze 70metertouw.
Zo roze was ze, dat ze onmogelijk in de winkel achtergelaten kon worden.
Roze is ze nog steeds.
En dik ook. Maar geen 70 meter meer.
Beide uiteindes waren zo donzig geworden dat een voorklimvalsessie nog wel gehouden kon worden, maar slechts met de gedachte aan het grote offer in de nabije toekomst.

Ze is dus geen 70metertouw meer.
Ik kan niet eens zeggen dat ze een 60metertouw is. Ze is een 66 meter komma weetikveel hoeveel cm touw. Hoe kun je jezelf dan nog serieus nemen? Heb je weleens een 66 meter komma weetikveel hoeveel cm touw in de winkel zien liggen?

Haar geamputeerde, donzige uiteindes liggen stil op de grond.

Toen Shrek aan één uiteinde geknipt moest worden had hij op zijn minst nog Fiona om zich aan op te trekken.
Olifant is alleen.
Maar we houden des temeer van haar.

Tocht 9: Aiguille du Pouce – Voie des Français

De bergen tegenover het Mont Blanc massief heten samen Les Aiguilles Rouges. Ze zijn minder hoog, minder imponerend en ook een beetje minder mooi dan hun overburen, met name omdat het gedierte van de vallei religieus skiliften heeft neergezet, met bijbehorende wegen die misschien niet geasfalteerd zijn, maar wel lelijk. Een Aiguilles Rouges zonder beschaving zou adembenemend zijn. Het uitzicht op de overkant en de eigen golvende natuur, prachtige rotswanden en romantische hoekjes maakt de gedachte aan hoe het ooit geweest moet zijn een beetje pijnlijk.
Maar ’s winters houden we allemaal zielsveel van die liften, dus moeten we maar genieten van wat er ’s zomers overblijft.

Aiguille du Pouce ligt verscholen achter de eerste reeks bergen boven de skiliften van Flégère. De befaamde toegankelijkheid van de routes in de Aiguilles Rouges (met lift) gaat hier even niet op: Om de voet van de route te bereiken moet je een col over en afdalen in het naastgelegen dal, beide kanten bedekt met afschuwelijk puin en tientallen Chamois die ongegeneerd toekijken hoe je wegglijdt. Maar dan heb je ook wat: Le Pouce, een blanke wand met angstaanjagende overhangen, heel erg Chamonix stijl, mega aantrekkelijk en afstotelijk tegelijkertijd.

Ik had spookverhalen op internet gelezen. De lengtes zijn harder dan je denkt (topo schrijft 6a obligatoire) en de afdaling over de graat is serieus. Twee mannen raakten verdwaald in de mist en brachten de nacht door in het gruis. Niemand haalt het liftje terug.
Met die spookverhalen in gedachten zijn Marcel en ik dan maar gewoon begonnen met klimmen. Ook wij hadden mist. 6a obligatoire? – ja. Misschien niet die ene 6a zelf, maar ongetwijfeld de drie 5c+jes die volgden en niet specifiek uitblonken in de mogelijkheid tot protectie. We moesten geregeld even het mentaal uitschakelen, en toch viel het allemaal wel mee. Dit is nu eenmaal wat je krijgt in routes van het kaliber eigen protectie, zij het in het Mont Blanc Massief of de Aiguilles Rouges.

De traverse die een paar meter onder de overhangen doorliep was bloedmooi en het routeverloop ten alle tijden evident en amusant. De afdaling over de graat bleek iets minder evident, maar daar waren we voor gewaarschuwd. De mist draaide ons even een loer en liet ons vervolgens met rust, genoeg om steenmannen te kunnen onderscheiden van het omliggende puin en via wat keutels van de Chamois en een knalroze flamingo onze weg naar Flégère te vinden.
Daar hadden we, met dank aan onze geschrokken voorgangers op het internet, een tas met eten en bivakspullen verstopt, zodat we warm en gemoedelijk met een stel Belgen én een bonte kudde schapen de nacht ingingen. Om de volgende ochtend, dankzij die geniale zet van het dal om de hele Aiguilles Rouges vol met liften te planten, zorgeloos naar beneden getakeld te worden.

Wij hebben zelf geen camera meegenomen (stom stom) maar ik vond zojuist wel deze blog online. Geeft een hoop foto’s en een geinig inkijkje in de lengtes. 

Gecultiveerde vleugels

Toen ik veertien jaar was, droomde ik ervan het vriendinnetje van Pharrell Williams te zijn. Hij was tweeëndertig en ik zou doorbreken als zangeres dankzij hem, omdat hij bij toeval (ik weet niet meer in welke vorm ik het goot) mijn talent zou ontdekken. Mijn fantasie overbrugde leeftijdsverschil en de reële kans dat dit alles zou gebeuren sneller dan het licht, moeiteloos zoals dat gaat in het hoofd van een kind.
Het is jammer dat ik al mijn fantasieën niet heb opgeschreven in mijn dagboeken, want die waren kleurrijker en lachwekkender dan alle verwarring en zorgen uit het echte leven van een veertienjarige. Ik was er ontzettend goed in; in mijn hoofd stond een soort boekenkast waar ik naar gelang mijn humeur altijd eentje kon uitpakken. Die van Pharrell, of die van de Nederlandse hockeyselectie, of die van het veertienjarige meisje dat een bestseller schreef en miljonair werd.

Ze stierven allemaal omdat, wie zal het zeggen, mijn interesses veranderden of ik ze simpelweg te vaak had afgedraaid. Dan gaven ze geen energie meer, letterlijk uitgewerkt, en dan begon ik een nieuwe of trok een uit de kast die me nog wel kon beroeren.

Ik ben zeker niet gestopt met fantaseren, maar de fantasieën zelf zijn een stuk bescheidener geworden. Saaier zelfs. Er zit geen Pharrell Williams meer in, noch de capaciteit om gedachten te kunnen lezen of vleugels te groeien, noch wereldroem. De grote finale van mijn fantasieën ligt veel dichter bij mogelijkheden in de echte wereld. Ik fantaseer over het passeren van het ski-examen, over het hebben en inrichten van een huis of van kindjes die vrolijk om me heen dartelen. Ik fantaseer over een belletje van de uitgeverij ‘je maakt veel fouten, Ruby, maar we zien wel wat in je’, over het oprichten van een bescheiden folky band of over een groot zomers dansfeest waarvoor ik me mateloos kan uitdossen (mijn nieuwe favoriet, ik mis denk ik wat civilisatie in mijn leven). En oké, vooruit, ik heb een stiekem scenario dat de National Geographic plotseling hypergeïnteresseerd in me raakt en een ander waarin een stinkend rijke bejaarde me uit willekeurige naastenliefde besluit te sponsoren. Met een miljoen ofzo.

Het punt is dat ik me een beetje zorgen maak. Ik juich voor de mensen die denken in mogelijkheden, maar als ik kijk naar de evolutie van mijn fantasieën, dan zie ik dat mijn denken door steeds smallere schachtjes stroomt. Waarom wil ik niet meer vliegen? Waarom wil ik geen relatie met Keanu Reeves meer? In dit tempo fantaseer ik straks over het niet-aanbranden van een appeltaart of het vinden van een nieuw hardlooprondje.
Het is waar dat ik elf jaar minder levenstegoed heb dan toen ik veertien was, maar de kans dat ik de wereld van haar ondergang red is nog steeds even groot. Ik ben een beetje laat voor de hockeycarrière, maar Keanu Reeves zou ik nog steeds aan de haak kunnen slaan. En wie weet groeien er op een dag vleugels op mijn rug, het heeft weinig zin om ervanuit te gaan dat zoiets niet gebeurt.

Sterker nog, als ik tachtig ben zou ik nog steeds willen fantaseren over een relatie met een (dan achtennegentig jaar oude) Pharrell Williams. Gewoon omdat ik denk dat het goed voor me is om mijn leven lang de mogelijkheden wat dichterbij te houden. Zodat het altijd interessant blijft in mijn eigen brein. Zodat ik nooit een chagrijnige kikker word die inmiddels wel door heeft dat al dat gefantaseer in het hoofd opgesloten blijft. Zodat ik niet blind word voor de mogelijkheden die zich onverwacht voordoen. Een ding is zeker: Als ik die vleugels niet in mijn brein cultiveer, dan zullen ze nooit in het echt verschijnen.

(Overigens, als die geslaagde appeltaart en loslopende kindjes het hoogtepunt van mijn leven zijn, dan hoor je mij niet klagen. Ik weet immers ook niet hoe het werkelijk is om een miljoen en Keanu en Pharrel en vleugels te hebben.)