Latest Posts

Charlotte has the Raspberry

Onze servetten zijn rood. Soms kom ik ze bovenin de Gargouille tegen, uitgevouwen en vies, meegenomen door de noorderwind die altijd langs ons terras komt wanneer ze de stad bezoekt. Een gast maakte eens een grapje; ze zei dat we onze naam en menu op de servetten moesten laten drukken, dan kon de wind reclame voor ons maken.

Soms haat ik die wind, omdat mijn glazen van de tafel waaien als ik even de andere kant op kijk. Soms houd ik van haar, omdat ze met futiele dingen aan de haal gaat, zoals servetten, glazen en mijn ongeduld naar onbeleefde klanten.

Het is een moeilijk seizoen. Mijn bazin was in juni al zo ziek en moe dat ze onze menukaart niet meer in het Engels kon vertalen. Met dank aan Google Translate hebben we nog steeds een ‘Charlotte has the raspberry’ (Charlotte à la framboise). Een gast wees me er laatst eveneens op dat, volgens de introductietekst van zijn menu, het geboortedorp van de Nepalese echtgenoot van mijn bazin op vier dagen lopen van Kathmandu lag. Volgens het menu van zijn vrouw lag het op acht dagen lopen. ‘Dat is wel een verschil’, zei de gast met een glimlach. Ik had daar niet echt een antwoord op.

Het ontbreekt me vaak aan antwoorden. Als gasten veertig minuten wachten op hun eten, dan kan ik niet zeggen dat mijn bazin, tevens de chef, 79 jaar is en niet kan bewegen, ademen, leven zonder pijn. Ik kan ook niet zeggen dat de wijn uit voorraad is omdat we toch sluiten na het seizoen, want het gaat niet meer, het gaat niet meer, of dat we geen visgerecht hebben omdat de bazin naar huis is gegaan nadat ze flauwviel in onze armen, en alleen zij weet hoe die klaar gemaakt moet worden.

Dankzij haar heb ik wederom les in leed van anderen. Fysiek leed en mentaal eveneens, angst voor het onbekende, het einde, van het restaurant, eventueel van alles.

Ook wat betreft klandizie is het een moeilijk seizoen. Het restaurant maakte aanvankelijk geen winst; mijn collega en ik konden maar met moeite uitbetaald worden. Heel juli wisten gasten ons nauwelijks vinden, we zaten verstopt achter de hoofdstraat, andere restaurants en de verleiding van het rumoer. Slechts het leed van mijn bazin vulde de ruimte, het terras en de straten tot aan de Gargouille.

Plotseling zijn ze gekomen. Allemaal tegelijkertijd, veel meer dan mijn bazin aankan. Elke dag is een uitputtingsslag, voor haar en zelfs voor ons. Haar echtgenoot heeft woedeaanvallen van stress en schreeuwt in het Nepalees, Frans en Engels tegen klanten, huilende kinderen en langslopende honden. Zijn imago neemt dezelfde koers als de servetten, men zegt dat hij een alcoholprobleem heeft, dat hij gek is. Het probleem is dat hij ongelukkig is.

Over een maand sluiten onze deuren, dan gaat hij terug naar Nepal en zij terug naar het ziekenhuis. Ik zal worden uitbetaald en ga dan de bergen in, om weer met de natuur te leven, ver van de horeca, de glazen, servetten, het geschreeuw, met het besef dat mijn lichaam momenteel jong en sterk is en dat het me vrijheid en geluk kan brengen, zolang de wind in de juiste directie waait.

De Rozen van Fontvallon

Juni 2019

In Fontvallon sla ik mijn laptop niet open, want het is beter voor me om naar de vogels te luisteren of door het gras te lopen. Nooit heb ik een landgoed gewild, een huis ver van buren, maar nu snap ik wat ruimte en stilte kan doen. Hoe ver je ook kijkt, links of recht of achterom, je ziet rozen en bomen, heuvels en lucht. Ik sla mijn laptop niet open zelfs al heb ik veel gedachten om te verwerken, want ik baad in rust en wil het bad niet uit. De gastvrijheid waarmee ik ontvangen ben is zacht en grenzeloos, ik eet goed en slaap in een groot bed. Het is juni en warm en het leven speelt zich buiten af, waar Lola leert om een kleine rode bal terug te brengen naar de gooier. In de groentetuin hangen paprika’s en tomaten, aardappelen en knoflook liggen vlak onder de grond. Olijfbomen onderscheid ik inmiddels van de anderen en de paden in het bos plak ik bijna aan elkaar. Het gefluit van vogels lijkt telkens hetzelfde maar als echt ik luister, verandert het toch. We proberen te zien wie het zijn, die fluiters, maar we vinden ze niet tussen alle takken en bladeren.

Dit is een plek van aandacht en zorg, van aanwezigheid en herinnering, van liefde en verdriet.

Een week voor mijn bezoek aan Fontvallon liftte ik van Villard d’Arene naar Col de Lauteret, een traject van nog geen tien minuten, maar ruim twintig minuten in de oude camper van de bejaarde man die me oppikte. Hij hoorde zo slecht dat ik mezelf vaak langzaam en luid moest herhalen. Hij kon om alles lachen, om hetgeen dat hij meekreeg en niet meekreeg, en hij vond me prachtig, in zoverre hij me zag. We spraken en maakten grapjes over mijn leven en het zijne, tot hij zei: ‘Ik zal je eens vertellen over mijn leven. Ik leefde dertig jaar toen ik mijn zoon kreeg. Twintig jaar later ging hij dood. Dat is dertig jaar geleden.’ En toen begon hij te huilen.

Ik zit aan tafel in de tuin van Fontvallon en schrijf toch mijn gedachten op.

Want de verhalen over het ongeluk zakken langzaam weg in de geschiedenis van mijn blog. Letterlijk lager en lager, diep uit het zicht van potentiele lezers en mijzelf. Het probleem met het ongeluk is dat de gevolgen ervan niet wegzakken. Die zijn permanent.

Hoe meer tijd erover heengaat, hoe meer ik leer over de dood. Deels uit boeken, omdat ik voel dat het belangrijk is om tot meer begrip te komen. Maar het meeste leer ik van het verlopen van de tijd zelf: Elke dag is een nieuwe dag zonder de doden. Een dag zonder Céline en Elise, een dag waarop hun ouders en vrienden wakker worden in een realiteit die leegte vertoond, waarin de meisjes weer en weer en weer niet terugkomen. Ik vind die kant van de dood ongenadig simpel en hard. Het duurt al vier maanden en het gaat nooit meer over.

Toch overheerst in Fontvallon niet de absentie, maar vooral de aanwezigheid: Van liefde. Het is ongelofelijk hoe voelbaar Céline voortleeft in de rozen, bomen, paden en vogels, in de stilte en de ruimte, de aandacht en tijd van haar moeder en stiefvader. Haar dood is onherroepelijk, maar haar leven eveneens, en ook dat begin ik te leren. Dat alles op een dag ophoudt, maar tegelijkertijd voor eeuwig doorgaat, omdat dat de scheiding tussen alle dingen minder absoluut is dan ik voorheen dacht. Tussen Céline, de wereld waarin ze opgroeide, de natuur, haar ouders, al hetgeen waarvan ze hield, haar verleden, haar toekomst, mijzelf.

Passage

Mijn huisgenoot zou gisteravond vijf dames over de vloer hebben. Eén van hen ontbrak omdat ze door de gendarmerie was aangehouden in Montgenèvre. Haar naam stond in het systeem en werd eruit gepikt tijdens een paspoortcontrole. ’s Nacht om twee uur lieten ze haar vrij, mijn huisgenootje heeft haar opgehaald in Briançon, ’s ochtends zat ze aan de ontbijttafel.

Ik voel me altijd erg naïef wanneer activisten hier over de vloer komen. Egoïstisch, materialistisch en gemakzuchtig. Want de immigranten lopen hier praktisch langs het huis, in wisselende staat, en ik spendeer mijn tijd aan het uitzoeken van een leuke kat voor het appartement.

Ik heb ze gevraagd waarom het meisje in het systeem stond en dit was het antwoord: Ze woont in Oulx, een stad op 25 kilometer van de Franse grens, waar immigranten met de bus of trein aankomen voordat ze de oversteek naar Frankrijk wagen. Daar legt ze hen uit wat hen te wachten staat wat betreft het pad door de bergen, hoe ze zich het beste kunnen voorbereiden en waar ze zich in Briançon moeten melden.

Op het faciliteren van de passage van immigranten (die er niet zo uitzien zoals ik) staat vijftien jaar gevangenisstraf wanneer er profijt uit wordt gehaald, zoals geld. Het profijt dat het meisje eruit haalt, zou kunnen worden gedefinieerd als politieke organisatie (credit) tegen de staat (als ik het goed heb begrepen).

Ze wil, zegt ze, vooral dat die mensen niet doodgaan in de bergen.

Vanmorgen aan de ontbijttafel was ik stil, omdat ik de brug tussen onze werelden niet vond, meer uit onzekerheid dan uit desinteresse. En die onzekerheid komt weer voort uit een gebrek aan informatie: Ik ben hier komen wonen omdat ik weet van de schoonheid van de bergen, niet van de gebeurtenissen rondom de grens en de politiek die erachter schuilt. Ik moet me eerst informeren.

Om met mezelf in het reine te komen heb ik na het vertrek van de dames in plaats van een kitten, een vijfjaar oude, rode, chagrijnige kat uit het asiel gehaald. Hij is veel te zwaar omdat hij acht maanden lang de kattenbrokken van de andere asielkatten heeft opgegeten. Hij heeft moeite om op schoot te komen liggen, want springen gaat zo moeilijk. Hij heet Tigrou en hij is op dieet.

Ik heb tevens mijn huisgenoot gevraagd of ik een nacht mee zou kunnen naar Clavier, het laatste dorp voor de grens, waar hij regelmatig heen gaat om immigranten te informeren over de gevaren van de oversteek. Ik denk dat een dergelijk avontuur nodig is om me wakker te schudden.

_DSC9684

De weg naar Montgenèvre en daar achter, Italië

Dag Zomer

De zomer is mijn seizoen niet meer. Het is te warm rond mijn huid en mijn lippen, onder mijn voeten en in mijn longen, mijn gletsjers smelten en mijn water verdampt, mijn bergen storten in en mijn gras is dood. Ik zou graag de zomer van mijn ouders hebben gehad, en van hun ouders. Ik zou die zomer graag bij ze ophalen en achterlaten voor mijn kinderen. Maar het is te warm om terug te kijken en te warm om vooruit te kijken. Ik geef mijn kinderen gebroken bergen met een beetje lente en een beetje herfst, en zeg ze: Probeer de winter te redden voor onze kleinkinderen en misschien zelfs die van hun. Als het nog niet te laat is.

_DSC9764

Een kleine introductie

Een vache is een koe in het Frans. Gek genoeg lopen er tussen La Vachette (het eerste dorp van de vallei) en Nevache (het laatste dorp van de vallei) geen koeien rond. Ik vraag me af wanneer ze zijn verdwenen of waar ze heen zijn. Wel rijdt er veel gendarmerie heen en weer, iets dat opvalt in kleine onbeduidende dorpen zoals het onze, waar niet eens een bar bestaat om in overlast te voorzien. We hebben alleen, zo heeft mijn huisgenoot waargenomen (een geograaf die zijn thesis schrijft en veel uit het raam staart), twee kattenbendes die het ’s nachts tegen elkaar opnemen. Ik kan me niet voorstellen dat de politie om die reden surveilleert, ik denk evenmin dat ze opzoek is naar ontbrekende koeien.

Ons dorp ligt zo’n honderd meter van de weg tussen Briançon en Montgenèvre (Italië). Die weg is verschrikkelijk. Als fietser circuleer je er tussen bochten, afgronden en ongeduldige automobilisten door. Iedereen zegt me keer op keer dat ik haar niet moet nemen, maar het openbaar vervoer reikt niet tot in La Vachette en ik heb dermate een hekel aan auto’s dat ik koppig mijn fiets pak, zelfs wanneer ik een auto zou kunnen lenen. En wanneer ik naar mijn werk ga, tegen het vallen van de avond, is het spel van het licht tussen de forten en bergen van Briançon zo onwerkelijk dat de stad geenszins normaal lijkt, meer een illustratie naast een ridderverhaal, en dan voel ik mezelf steevast even uit het alledaagse bestaan getrokken. Het is de meest verschrikkelijke, mooie weg die ik ken.

Ook La Vachette heeft iets onwerkelijks, al is het maar omdat ik er een thuis heb gevonden. Het dorp bestaat uit een verzameling oude, zware gebouwen met stenen muren en scheve houten schuren, verbonden door stroken onkruid, gras en geplante of vergeten bloemen. Er is geen bakker, slager of kruidenwinkel, alleen een boerderij waar ze eieren en salades verkopen en een kleine bibliotheek aan het begin van de hoofdstraat.

Die hoofdstraat vormt momenteel het begin van de snelweg naar populaire vakantiebestemmingen in de Clarée. Vanwege alle auto’s die passeren, het geluid dat ze maken, de katten die ze overrijden en de dreiging die ze vormen is het geen straat waarop buren worden besproken of kinderen spelen, want alleen al om te traverseren kijkt men links, rechts en nog een keer links, om vervolgens in een drafje de oversteek te wagen.

Maar het is eveneens in de vakantie wanneer de dorpelingen avond aan avond Jeu de Boules spelen op het stuk gras achter de huizen, want een aantal van hen woont er alleen s’ zomers en de traditie hangt af van die twee maanden. Het leven dat de zomer brengt, komt in vorm van auto’s en ballen.

Wij bewonen een huis vlak naast de hoofdstraat, met een klein balkon dat ’s avonds de zon pakt en op de één of andere manier bloemen aantrekt. Een van de voordelen van dit stekje is het stel dat onder ons woont: De jongen, zwaar afgestudeerd chemicus, probeert net zoals ik een berggids te worden. Hij is bijna twee meter lang en zonder twijfel de Franse afstammeling van de grote vriendelijke reus, want hij helpt iedereen om zich heen zonder een moment aarzeling en heeft iets bijzonder zachts in zijn blik. Zijn vriendin is een vrolijke springveer van Catalaanse lengte en wordt in mijn hoofd altijd omringt door een dans van warme kleuren, lief en spontaan, zowel haar lach als haar ogen, enigszins exotisch zo tussen de opgestapelde grijze stenen van ons dorp.

Het stel noemt onze linkerbuurvrouw Cheveux Blanc (mevrouw Withaar), want ze zijn haar echte naam vergeten en vinden haar veel te nieuwsgierig, zo klaagden ze voordat we het appartement introkken. Ik wilde Chevaux Blanc een kans geven en glimlach nog steeds naar haar wanneer ze langsloopt – elke keer dat ze langsloopt – en ons doen en laten in zich opneemt. Nieuwsgierigheid is het juiste woord en hoort denk ik bij het dorpsleven.

Het tweede voordeel van ons stekje is dat we op de route liggen van de vrienden van Rosier. Ze voelen waarschijnlijk licht de verplichting om visite af te leggen wanneer ze ons balkon zien en ik houd dat graag in stand.

We liggen daarbij, in tegengestelde richting, op de route naar Italië, een omweg via bergweggetjes langs de prachtige vallei van Col d’Echelle, het groenste gras dat ik hier gezien heb. ’s Winters, zo heb ik gehoord, ligt er een berg sneeuw en traverseren immigranten alsnog stiekem het land in, soms zonder schoenen, zonder een idee van sneeuw. ‘s Zomers komen ze vooral via Montgenevre, zo’n tien per nacht, in het donker in het bos, niet altijd op de hoogte van de uitdaging van de bergen. Dat legt niet uit waarom de koeien uit onze vallei zijn verdwenen, maar wel waarom de gendarmerie de Clarée in de gaten houdt.

Mijn hart en haar gevoel van onrecht is dermate met de natuur verstrengeld dat de opwarming van de aarde me ’s avonds wakker houdt, en niet het mensenleed om de hoek, maar in Rosier, La Vachette en Briançon wemelt het van activisten met felle gezichtsuitdrukkingen en grote gebaren. Ik heb onvermijdelijk het gevoel dat ik een en ander zal leren gedurende mijn tijd in La Vachette.

Vandaag organiseert het dorp het jaarlijkse feest, met een rommelmarkt, een jeu de boules toernooi en een taartbakcompetitie waarvoor ik al sta ingeschreven, zelfs al heb ik nog geen idee van een winnend recept (ik leun hiervoor enigszins op mijn huisgenoot). Wel ben ik erg nieuwsgierig naar de opkomst; ik hoop op een setje ontbrekende koeien, de gendarmerie, beiden kattenbendes, mijn onderburen, Cheveux Blanc, vrienden van Rosier, immigranten met schoenen en goede taart van eigen (nieuwe) keuken.

La Vachette

Begin deze week betrok ik een appartement in La Vachette, Vallée de la Clarée, vlak bij Rosier. Het appartement ruikt nog naar renovatie, behalve als ik wierook aansteek, wat de geur van verf en vers hout voor een uur of twee overstemt. De kamers zijn licht en groot, de vloeren glanzen en de muren zijn nog leeg. Ik huur het voor zo’n twee jaar en word begin oktober vergezeld door Fieke, die op de pistes van Serre Chevalier voor haar pisteurexamen wil trainen. Tot zover een droom die uitkomt.

Ondertussen werk ik voor een Nepalees restaurant waar ik licht uitgebuit word door een 78-jarige vrouw en haar 20 jaar jongere Nepalese echtgenoot. Ik trek mezelf langzaamaan financieel uit het slob door Pakhora’s en Momo’s te serveren, begeleid door luide mantra’s uit een oude stereo-installatie die zichzelf herhaalt, net als het echtpaar, en zelfs al heb ik er een hekel aan weer terug te moeten vallen op de horeca, mijn dagen zijn zo slecht nog niet. Er is altijd iets leuks te vinden in de interactie met gasten. Mensen zijn vaak leuk.

Er woont daarbij een dikke, bruinrode kat vlakbij, die zich alleen vertoont wanneer gasten plaatsnemen op het terras. Hij zit dan zelf op de balustrade, met zijn poten nog geen dertig centimeter boven de boorden van de gasten, en werpt een lange, stille blik op hetgeen hij zelf niet eet, dat op een dag, hoopt hij zichtbaar, toch zijn richting op zal komen. Hij is zich er niet van bewust dat hij mijn lievelingskat is.

Nu mijn leven weer enigszins stabiliteit vertoond, ongekende stabiliteit zelfs, kan ik eindelijk afstand nemen tot wat er de afgelopen maanden gebeurd is. Ik voel dat er iets groots veranderd is in mijzelf en de manier waarop ik de wereld ervaar, maar ik heb er nog geen grip op. Soms lijkt het alsof ik toch ook een beetje ben gevallen, die dag in het couloir, alsof er een deel van me nog steeds in vrije val is, op weg of op zoek naar een definitieve bestemming. Daardoor kan ik de draad niet zomaar weer oppakken, zelfs nu mijn leven zulke fatsoenlijke vormen aanneemt. Ik moet mezelf opnieuw bevestigen en een nieuwe weg vinden in een wereld die zelf misschien niet veranderd is, maar toch een beetje voor mij.

Dat ik die weg kan inslaan vanuit La Vachette is heel, heel erg van waarde. Het appartement is zelf net aan een nieuw leven begonnen en leven erin voelt fris en onbepaald, vrij van slechte gewoontes en rommel, alles erin heeft vooralsnog een doel of een verhaal dat gemakkelijk terug te halen valt. Zoals de houten pinguïn, een recent aangevlogen bewoner zoals ikzelf, afkomstig van de markt en hier enigszins misplaatst, gepositioneerd op Fieke’s houten kast in de woonkamer en aangeschaft wegens Suus (zus) haar passie. Trots als een pauw (pinguïn) in haar houding, herinnert ze me elke morgen aan ons gemeenschappelijk lot in La Vachette, aan de willekeur ervan en ook het geluk dat we hebben, en ze inspireert me om beiden als trotse pinguïns de uitdaging aan te gaan.

Maison Nel

Er zijn heel veel redenen waarom het een goed idee is om vakantie te vieren in de Champsaur. Het is er weids en groen, overal valt te fietsen en te wandelen, de zon schijnt, het staat er vol bloemen en lammetjes, de grote bergen zijn niet ver, de croissants evenmin, zelfs Céüse ligt om de hoek en, bovenal, in het dorp Villard Trottier staat Maison Nel.

Een jaar geleden verhuisden Henri en Els, de ouders van mijn beste vriendinnetje, naar Frankrijk om daar, midden tussen de koeien en de Fransen, een oude boerderij om te bouwen tot een Bed & Breakfast. Ze waren niet persé klussers, spraken niet persé vloeiend Frans en hadden niet persé een netwerk vrijwilligers noch een onuitputbare geldbron, maar ze waren dapper, taai en erg goed in het realiseren van dromen. Want Maison Nel is deze zomer open en ontvangt binnenkort haar eerste gasten.

Nu, waarom moet je naar Maison Nel?

Omdat ik Henri en Els erg leuke mensen vind en hun een eindeloze stroom gasten gun, natuurlijk. Maar ook omdat het er écht heel mooi is, zowel het huis, de directe omgeving als de bergen, en ik er zonder twijfel mijn eigen kritische wandel-monster vader heen zou sturen, net als mijn boekje-lees theetje-erbij moeder.

Maar waarom ik vooral vind dat je vakantie moet vieren in Maison Nel, is omdat het zo inspireert. We hebben altijd grote enge dromen die uiteindelijk nooit het daglicht zien, want we geloven niet écht dat het mogelijk is om in een tiny house te leven, een lama op te voeden of de biezen te pakken naar Zuid-Amerika. Wat we nodig hebben is bewijs, het bewijs dat normale mensen dromen verwezenlijken door te durven en hard te werken. Zoals Henri en Els.

Het leuke is dat zomervakanties bij uitstek droomvakanties zijn: Je bent ver van huis, het werk en de stad, en de zon en frisse lucht maken je hoofd leeg van gekke gedachten. Het grootse van de bergen en de voeten in een beek moedigen aan tot verandering en het fietsen en wandelen herinneren je eraan dat je sterk bent en door kunt zetten. Als je dan ook nog eens midden in de kersverse droom van twee mensen precies zoals jijzelf, opstaat en weer gaat slapen, dan vertrek je een week later richting huis met kriebels, ideeën en een diep gevoel van vertrouwen in mogelijkheden.

Mocht je  nieuwsgierig zijn geworden naar de recente geschiedenis van Maison Nel, kijk dan op haar facebookpagina, daar staan foto’s en filmpjes van bouwputten, uitgeputte arbeiders en natuurlijk het eindresultaat. En ga naar www.maisonnel.com voor een idee van de activiteiten in de omgeving, het aanbod en natuurlijk om te boeken!

Ga voorklimmen en val

Mijn zus doet binnenkort haar voorklimcursus. Ik deed mijn eigen zeven jaar geleden en heb dus zeven jaar ervaring met voorklimmen en… voorklimangst. Het heeft me vaak dwars gezeten, zowel de voorklimangst zelf als de verhalen eromheen, maar inmiddels ben ik dankbaar dat het deel van mijn leven uitmaakt. Het is lastig om dat uit te leggen aan iemand die voor een eerste keer boven een haak uitklimt, maar ik heb het vermoeden dat ervaren voorklimmers misschien wel hetzelfde voelen.

Hier in Briançon word ik omringt door fanatieke sportklimmers en aspirant gidsen. Het (overtuigende) merendeel bestaat uit mannen tussen de 25 en 35 jaar oud die tussen de 6b en 8a klimmen, en het merendeel daarvan is vaak bang om vallen te maken. Het valt me niet eens meer op. Ze hebben allemaal hun tactieken, zo ongeveer de helft kent The Rock Warriors Way, sommige zien het als onderwerp waarover (met liefde) gesproken kan worden, anderen worden erdoor gehinderd en uiten vooral hun frustratie. Maar in welke vorm dan ook, het is bijna altijd aanwezig aan de voet van rotsen die beklommen kunnen worden.

Ik heb erover nagedacht welk advies ik nou het beste aan mijn zus kan geven, die nog geen enkele mentale verhouding heeft met het parcours boven de haak. Het liefst zou ik zelf bij haar voorklimcursus zijn, zodat ik haar ter plekke zou kunnen laten wennen aan vallende mensen en het vallen zelf, want ik ben ervan overtuigd dat een deel van voorklimangst vermeden kan worden door van het begin af aan te ervaren dat er eindeloos gevallen kan worden, dat het normaal is en erbij hoort. Het valklimaat is altijd van invloed. Ook hier in Frankrijk ga ik liever op pad met vallers dan met twijfelaars, omdat ik anders ook ga twijfelen. En ik ben een beetje bang dat er in Nederlandse hallen weinig gevallen wordt en voorklimmers nog steeds een beetje bijzonder zijn.

Maar gezien ik niet bij haar voorklimcursus ben, zou ik haar vooral willen zeggen: Zodra voorklimangst zich aandient, maak er dan gebruik van om sterker te worden. Ik heb het zelf veel te lang afgedaan als iets vervelends waar ik overheen moest komen, maar de mentale uitdaging is in feite goud waard. Voorklimangst is een soort angst op bestelling: Je kiest ervoor om boven je haak uit te klimmen, je kunt je erop voorbereiden en je kunt zelfs nabespreken hoe je ermee om bent gegaan. Het valt (in mijn ervaring) alleen maar op te lossen door met de juiste gedachten een route in te stappen (The Rock Warriors Way) en dat vraagt om concentratie, discipline en meditatie (dingen waar ik zelf van nature geen aanleg voor heb en heel veel moeite voor moet doen). Thuis op een matje dus, of tijdens een wandeling, of voor het slapengaan.

Want als je er op de juiste manier mee om leert gaan, dan is de beloning waanzinnig. Een route die geklommen wordt in een totale flow geeft bijna een bovennatuurlijke ervaring. Je voelt je zo vrij. Zo bevrijdt. Zo sterk. En dat neem je zo, hop, mee naar het normale leven.

Het is zeker niet zo dat ik zelf immer in meditatieve toestand aan de rots hang, in tegenstelling. Soms ben ik bang en soms niet, het kan verschillen per week, per route, per pas. Maar ik probeer elke sportklimsessie te gebruiken als een mogelijkheid om te leren en ik voel dat ik steeds iets sterker word. Het hoofd is een taaie, maar ons duel is interessant en zolang ik een beetje mediteer en boven mijn haak uitklim, ben ik het die wint. Ik win aan klimniveau, puur plezier en mentale buffer voor het normale leven.

Dus, zus. Misschien begrijp je geen donder van dit nerdy voorklimverhaal, misschien slechts delen, maar wat ik vooral wil zeggen is dit: Ga voorklimmen en val, lees Arnold Ilgner en val, mediteer en val, leer en val, geniet en val. Laat je niet bang maken voor enge dingen. Het is zo mooi, zo zonde om de angst te vermijden, zo waardevol om het voorklimmen met beide handen aan te grijpen. Misschien ben ik in de loop der jaren verandert in een dichtgetikte klimfanaat die overdreven belang hecht aan iets dat op de normale mens niet als zinnig overkomt, vergeef me dan mijn passie, maar ik bedoel het goed en met heel mijn hart. Klim voor en…val.

(En word alsjeblieft geen boulderaar. Of niet alleen maar. Een klein beetje boulderen, af en toe, naast het klimmen enzo).

Felgekleurde bloem

Iemand zei me dat de dag voor het ongeluk de heetste ooit gemeten op die datum was geweest. Ook onze dag, de 27ste, was heet. Zo heet dat we eigenlijk om drie uur ’s nachts op hadden moeten staan; zo heet dat het ijs tussen de rotsten boven ons in het couloir wegsmolt; zo heet dat we twee levens verloren.

Als de wetenschappers zeggen dat de wereld opwarmt, dan eet je misschien wat minder vlees. Als de bergen bovenop je kop instorten en je miraculeus doorleeft, in tegenstelling tot twee meisjes precies zoals jijzelf, dan dringt het pas tot je door wat die wetenschappers eigenlijk bedoelden. De wereld warmt op en de gevolgen zijn nu al niet te overzien.

In het ondoordringbare, duistere woud van willekeur groeien felgekleurde bloemen. Dit exemplaar valt niet te negeren. Ik wil best toegeven dat ik sinds het ongeluk op zoek ben naar iets dat mijn eigen overleven goedpraat, een zoektocht die me gevoelig maakt voor bedoelingen, lessen, verborgen boodschappen. Dat de opwarming van de aarde me aan het hart gaat is misschien niet nieuw, maar nu ik er ook nog eens voor het leven mee verbonden ben, moet ik het wel serieus nemen.

Want ik wil niet dat de bergen instorten en vooral niet bovenop mensen die ik liefheb, en er zijn nogal wat geliefden die tijd spenderen in de bergen. Allereerst schreeuw ik daarom maar: Pas op, die dingen warmen op. Maak niet onze fout. Zomerhitte bestaat nu ook in winter, zomerhitte is nog heter in de zomer.

En daarnaast: Fuck, onze bergen storten in. Voor bergbeklimmers is de opwarming genadeloos zichtbaar. Het ziet er niet uit, dat broze skelet van gesmolten gletsjers. Vaak loop ik rond op weet ik veel welke hoogte en had ik eerder willen leven, in een tijd van loodzwaar materiaal maar springlevende bergen, zij het maar twintig jaar geleden. Nu bereid ik me voor op een beroep dat zich grotendeels afspeelt op ski’s, nota bene. God mag weten hoe de pistes er hier over tien jaar uitzien.

Mijn felgekleurde bloem, mijn schuldgevoel, onze toekomst. Ik pas mijn leven aan en consumeer en verspil minder, maar ik zoek naar meer, naar honderden felgekleurde bloemen die ik overal in ieders hart plant, misschien groeien ze wel in de bergen en moet ik me eerst tussen hen begeven om te weten waar. De meisjes zullen me een richting op wijzen.

_DSC9504

Le Rosier

_DSC9479

Tussen het dak en de muur hebben tientallen kolmezen een nestje gebouwd. Ze fluiten wat af, die beestjes. Alsof er altijd iets geregeld moet worden, alle dertig een andere mening, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat.

Het huis dat me heeft opgevangen, is een huis van verloren zielen. Een oud, koud, krakend, stenen boerenhuis en tevens opvangcentrum voor gebroken harten en getroebleerde geesten; passanten bij wie het leven al heeft toegeslagen. Na een week in het tweede dorp van Vallée de la Clarée, Le Rosier, in de mezzanine van een bijzonder gezelschap, wist ik nog steeds niet wie er precies woonden. Maar er werd accordeon gespeeld op de bovenverdieping en vuur gemaakt in de openhaard; overal lagen briefjes met vriendelijke boodschappen (vrienden, ik kom terug over een week, amusez-vous bien) en tijd werd verdreven met boeken en spelletjes.

Ik heb me zelden zo goed gevoeld in een huis en een omgeving. De vallei zit vol klimgebieden en klimmers, de gang puilt uit van klimmateriaal en de boekenkasten worden gevuld door topo’s. De drukte van Briançon is zowel ver weg als dichtbij; we zitten op zeven kilometer van het centrum, vijf minuten met de auto, een half uur met de fiets, zo’n 200 meter hoger, kouder en stiller. En mijn huisgenoten zijn drugsbaronnen noch nachtbrakers. Het zijn volwassenen die niet raar opkijken als ik met gekleurde krijtjes aan de keukentafel zit, want ze hebben zelf ook gekleurde krijtjes. Bourgondische sportievelingen, mediterende springveren, vrolijke denkers.

Toen ik een cake wilde bakken, was alles al in huis: Vijf verschillende soorten bloem, vers en gedroogd fruit, noten, kruiden, chocoladepastilles, marsepein, potten vol geheime ingrediënten, een lade met bakvormen en een koppige oven. Ik hou van deze plek.

Bij het juiste perspectief geven de ramen uitzicht op een steile rotswand, dan lijken we te wonen in een ruig, verticaal landschap, misschien zelf wel op een rots geplant als een elvenhuis, met witte rozenstruiken tegen de muren en ronde toegangspoorten voor kleine bewoners met puntige oren. Maar Vallée de la Clarée is juist weidt en groen en doet me denken aan koeien. Dagelijks fietsen zo’n vijftig wielrenners richting Refuge Laval of Italië. Ze hebben de gewoonte om hard te praten en wij volgen hun conversaties vanuit de achtertuin. Ons terras ligt de hele dag lang in de zon en als er niet gewerkt wordt, dan wordt er ontbeten, gerookt, geconverseerd of gedineerd. Onder de fluitende kolmezen.

Het leven laat zich op het moment van verschillende kanten zien en zette me hier af. Met een beetje geluk mag ik hier blijven.