Latest Posts

Oudbestuur

Het 87ste is niet meer. We horen bij de clan van oudbesturen.

Nadat we waren gedechargeerd daalde een rust op me neer. Het waren niet de avonden die werden geofferd aan vergaderingen of activiteiten, die het gevoel van onrust teweeg brachten. Ik had nog ruim de tijd om te klimmen of mijn studie op de rails te houden. Het was echter de constante bezetting van de gedachten die me soms liet verzuchten dat het toch wel intens was, dat draaien van een bestuursjaar.

Sommigen hebben nog wat moeite met loslaten van het één of ander. Een denkwijze leer je immers niet gemakkelijk af. Maar ik wel, ik bevind me in het Walhalla van vrijblijvendheid, sinds het moment dat we officieel zijn overgedragen.

Het bestuur zien handelen en geen idee hebben waar het toe dient, rondlopen door de hal zonder ons aan iemand op te hoeven dringen, genieten van de lieve mensen om ons heen: dat zijn de geneugten van oudbestuur zijn. We kennen de vereniging tot in haar ziel (althans, de moderne variant ervan), maar hebben geen grote verantwoordelijkheid meer over haar welzijn. Er is geen mooiere positie denkbaar.

Ik heb veel te zeggen over het afgelopen jaar. Over de sprong in het diepe, waarin het 88ste nu spartelt, watertrappelt, zwemles krijgt. Het werkelijk leren kennen van bestuursmaten, en de hechte band die daarop ontstaat. De sociale structuren achter de vereniging in beeld krijgen. Een geschiedenis ontdekken. De honger naar revolutie van een stel twintigers, losgelaten op de ASAC. Verantwoordelijkheid, verwachtingen, successen en decepties, het hele rattenplan.

Er is echter één ding waar ik nu op in wil gaan.

Verdomme, dacht ik soms, waarom steek ik al die aandacht aan zoiets liefdadigs? Pas aan het eind van het jaar besefte ik me dat ik een schuld aan het vereffenen was. De ASAC bestaat uit tijd en aandacht van allemaal verschillende individuen, door tientallen jaren heen, ASACcers, een liefdadige kern. Onder die tijd en aandacht ben ik als klimmer groot gegroeid.
Ik was ze nogal wat verschuldigd.
Deze denkstap is kwalijk klein, en ik hoop dat ik niet al te serieus ben genomen in mijn relazen over het schamele leven van een bestuurslid.

Daarbij gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat het leven verre schamel was. We hebben genoten van onze tijdelijke heerschappij. Soms wilden we moorden plegen, maar ASAC hield ons met een reden zo bezig; we waren verslaaft aan de eenheid van uitgesproken figuren rondom bergen en wanden. En nog steeds, alleen nu vanuit een ander perspectief. We horen nu bij de clan van oudbesturen.

88ste, jullie zijn on fire.
Peuple, jullie zijn nog steeds mijn koningen en koninginnen.
ASAC, bedankt.

Awakenings

De wijn stond op tafel en de gitaar wisselde van speler. Al het licht kwam van twee kaarsen. We spraken over niets in het bijzonder en lachten veel om nog minder. De tijd ging voorbij zonder er deel van uit te maken.
Tot Awakenings ons erbij betrok. Alle zes sloegen met lichte tegenzin de jas om en stapten op de fiets. Wat, immers, is bij machte zo’n rustige, mooie avond te overtreffen?

We liepen het terrein van de Gashouder op en hoorden de techno. Mensen waren goed zichtbaar in het felle licht van de hal. Ze vormden kleine groepjes van overeenkomstige kledingstijlen en gedroegen zich uitgelaten. Zodra ze de zaal inliepen waren ze voorgoed verdwenen.

Sceptisch lieten wij ons naar binnen lokken. Meteen kreeg het geluid vat op ons, het dreunen, het volume, de sporadische melodietjes.

Flirten bestond niet. We hoefden ons niet van ons voortbestaan te verzekeren, want de toekomst lag niet verder dan de duur van een beat. We waren op een vreemde manier egoïstisch. Niet omdat we, zoals op andere feestjes, onze vrienden alleen lieten om op jacht te gaan en langs ze heen keken wanneer onze prooi schuin achter hen stond; flirten bestond immers niet. We spraken niet met elkaar. We waren egoïstisch op een sociale manier: Ik laat jou in je bubbel en jij mij in de mijne, en we gunnen elkaar onafgebroken techno.

Drie uur later stonden we er nog. Even dacht ik: wat als je deze hele massa, jong en energiek, op de been voor iets goed zou krijgen, zo gemakkelijk als voor Awakenings: wat zou het dan met ons worden?

Een nacht lang was er niets dan het grote dreunen. Muziek die op hoge snelheid en gelijke wijze door onze aderen stroomde, ons tot dansende lichamen maakten, en onze geesten dwong te groeperen in een tweede, magische realiteit. Een samenkomst van bubbels.
Was dit bij machte zo’n avond te overtreffen?

Tentamens

Na vijf minuten verloor ik elk vermogen me te concentreren. Ik zag de zinnen maar ik las ze niet. Ik wist waar ik de informatie in mijn brein had opgeslagen, maar ik kon er niet bij. Ik verdwaalde kansloos op bergpaden. Mijn gedachten vlogen van Nietzsche naar flanken, van topkruizen naar mijn eigen filosofieën, en van strakke blauwe hemels naar dit groteske falen. Het besef mondde uit in grote frustratie. Ik had de vragen kunnen beantwoorden, maar ik kon het niet.

Het tentamen was geen herkansing. Nooit heb ik een toets niet in de herkansing gehaald.
Nooit heb ik een essay kunnen verbeteren, omdat ik ze nooit heb opgestuurd of ingeleverd voor de deadline. Nooit heb ik alle stof voor een toets geleerd. Nooit heb ik me niet geschaamd voor de kwaliteit van mijn antwoorden, essays of mijn gedrag tegenover werkgroepdocenten.

Dit tentamen ging over stof die ik interessant vond. Maar dat is tot dusver geen reden geweest om stof te beheersen: Zodra kennis de sfeer van verplichting ademt verlies ik mijn vermogen me te concentreren. Tot de druk een bepaalde, absurde hoogte bereikt en ik als een getrainde spons wat grote lijnen opneem, diep in de nacht, wanneer de prullenbak redbullblikjes draagt en elke tik van de klok een represaille vormt.

Stel, ze sluiten me op in een lege witte ruimte om me een tentamen over bergen te laten maken, gunnen me een herkansing – maar alleen op de avond van mijn verjaardag, en laten naast wat essayvragen en een antwoordenformulier een willekeurige tekst van Nietzsche liggen: dan heb ik na het verstrijken van de 2 uren Nietzsche drie keer uitgelezen, maar geen vraag gemaakt.

Ik ben een grote idioot en wacht met smart op de periode waarin ik volwassen wordt, want dat schijnt te gebeuren. Er komt een tijd waarin ik kan lezen wat ik moet lezen, zonder het duivelse gevecht achter mijn bureau te hoeven afdraaien. Het zou me een hoop tijd schelen, en een boel meer opleveren.

Eat less, do more

Het klinkt als de lijfspreuk van een anorexiapatiënt. Eat less, do more. We hoorden hem langskomen in een kleine documentaire over een ijsklimmer, als deel van een lange zin met een reeks geboden. De man zocht in elk opzicht het uiterste op, als gevaarlijk middel om de essentie van zijn bestaan uit te breiden.

Deze woorden bleven hangen.

Eet minder, maar doe meer. De boodschap behoeft weinig uitleg en is magisch aantrekkelijk. Het doet me denken aan het lichaam van een sporter, als zijn project, als een beeldhouwwerk en een machine. Het aannemen van deze lijfspreuk zou leiden tot een bijzonder efficiënte machine, en dat op zich voelt al nastrevenswaardig. Alsof het lichaam er volmaakter van zou worden, los van uiterlijke kenmerken. Alsof het zich onafhankelijk en vrij over de aarde zou kunnen voortbewegen, in de meest optimale situatie.

Alhoewel we de spreuk voor de zomer als mantra hadden aangenomen, ging het er in de bergen significant anders aan toe. Eten moesten we zelf omhoog zeulen. We aten vaak uit één pan en hielden scherp de lepel van de ander in de gaten. Eten werd nagenoeg de doorslaggevende factor op een dag; niet omdat we een feestmaal wilden bereiden en ons imago van de kwaliteit zou afhangen, maar omdat we maar beperkte hoeveelheden beschikbaar hadden en moesten bedenken hoeveel we ons op basis daarvan konden inspannen. Eat more, so you can do more. Eten was nadenken en rantsoeneren. Light and fast, nog zo’n soepel Engels woordenpaar, dat onder jammerlijke omstandigheden evolueert in Light and less. De zomer bewees ons dat een lichaam zich niet onafhankelijk en vrij over de aarde kan voortbewegen. We waren mensen, en schokkend behoevende machines.

Maar doorgaans zijn we niet op tocht. Eten hier vormt geen extra gewicht en lijkt in de koelkast aan te groeien. Eat less, do more vindt pas aantrekkelijke grond in een overvloed aan beschikbare producten en kan ons pas dan van het mooie, illusoire streven naar een volmaakt lichaam voorzien- volmaakt in de betrekkelijke context van een sporter. Daarbuiten kan het slechts dienen als een gevaarlijk middel om bijvoorbeeld de essentie van ons bestaan uit te breiden, of als een meedogenloze veroordeling wegens bijzonder slechte omstandigheden.
Het is een luxe spreuk. Misschien pas magisch aantrekkelijk als we hetgeen dat we minder eten, eat less, geven aan diegene die het nodig hebben. Do more.

Liever, echter, val ik niet deze lijfspreuk af, en dat is geloof ik ook niet zozeer nodig. Zolang ik me blijf beseffen dat ik in de bevoorrechte positie leef om zo’n spreuk te kunnen hanteren valt me slechts nog te verwijten dat mijn do more op mijzelf gericht is, en niet op hulpbehoevende anderen.
Toch, onze efficiënte machines zijn een stuk minder belastend voor de wereld, waardoor de wereld ons, misschien, onze decadente motivatie wel kan vergeven. Dus:

Eat less. Do more.

Totale Destructie

Ik wist niet dat mijn rug en armen uit zoveel afzonderlijke spiertjes bestonden, en zeker niet dat ze zich zo konden uitspreken.

Ik heb het internet afgespeurd naar wijze adviezen omtrent klimmen en trainingsleer, maar hun overvloed deed hen teniet. Klimmers om me heen zijn weinig eenduidig. Intuïtief denk ik nog steeds: Hoe meer, hoe beter, maar nu mijn lichaam dat gaat tegenspreken moet ik wel een ander geloof aannemen.

Gezien haar schreeuw het meest dwingend is zal ik mijn lichaam tot mijn raadgever maken.

Deze week heeft me verbijsterd. Na een sessie projecten in Thea lag ik er twee dagen af en een avond Monk was desastreus voor de overgebleven dagen. Ik heb mezelf haast moeten vastbinden om die dagen waarop mijn brandende spieren me met klem aanraadden te herstellen, niet toch mooie routes in te stappen. Ik heb drie avonden gespendeerd aan de grepen van viertjes en vijfjes. Wat tergend irritant om anderen dan je projectjes te zien klimmen. Wat tergend irritant om op spierkracht te moeten wachten.

Dit was totale destructie. Ligt dat in lijn met ontwikkeling; een soort fluctuerend gedoe dat uiteindelijk tot verbetering leidt? Lichaam, wat zeg jij ervan?

Kun je het nog aan?

De Billen van een Klimmer

Ik betrap mezelf erop dat ik een haast technische visie loslaat op lichamen, zowel dat van vrouwen als van mannen. Mijn esthetische waardeoordeel gaat gepaard met een inschatting van klimvermogen, zelfs van het onbestemde lijf van mijn werkgroepdocent of van de kassamedewerkster van de Albert Heijn.

Niet alleen gaat mijn oordeel gepaard met aan klimmen verwant gedachtegoed, het wordt er ook door beïnvloed. Waar ik eerst jaloers was op lange dunne benen, kijk ik nu venijnig naar dunne middeltjes die contrasteren met buiten proportie grote schouderbreedtes. Ik weet welke capaciteit daaraan kleeft. En mijn spiegelbeeld reflecteert eerder de welvingen van spieren, dan de hoekige structuren van botten, alhoewel niets aan verhoudingen is verandert.

Verbazingwekkend is het geenszins. Al die zekeraars kijken naar al die klimmende lichamen – want wat is er meer te doen wanneer vrienden aan de andere kant van de hal klimmen – en wie niet bewust verbanden legt tussen hetgeen die ziet (lichaam) en hetgeen die ziet klimmen (klimniveau), zal dat onbewust wel doen. Het is er klimmers ook wel om te doen. Die shirtjes van getrainde vrouwen tonen vrijwel altijd de rug, soms met aandachtstrekkende gaten of touwtjes of dingen. Bij hockey waren de rokjes kort en lagen de benen bloot, bij klimmen zijn de shirtjes strak en ligt de rug bloot. Ik ben simpelweg slachtoffer van een heersend schoonheidsideaal binnen de omgeving waarin ik me vaak begeef.

Dat laat me overigens een andere link tussen lichamelijkheid, de twee sporten en mijn waardeoordeel leggen. Ooit was ik geconditioneerd de dikke billen van hockeyende mannen aantrekkelijk te vinden, maar nu heb ik slechts nog oog voor lange gespierde ruggen en spanwijdtes van absurd veel meters. Hoog in de voorklimwand hangen de meest bewonderenswaardige prestaties van moeder natuur.
Zo bevestigen mijn vriendinnetjes: Gespierde onderarmen met aderen en blijk van grenzeloze kracht doen nauwelijks meer onder voor een sixpack.

Ik vraag me af welke sporten nog zo’n lichaamscultuur hebben en welke lichamen mij potentieel zouden kunnen beroeren, wanneer ik me maar opgeef voor de sport die ze uitoefenen – denk aan acrobatiek, darten, paardrijden, sumoworstelen…?

Waarom, overigens, heerst er niet een gigantische billencultuur, juist bij klimmen? Die zijn toch vrij prominent aanwezig, zo in gordel gegoten, strak en hoog. Is dat omdat klimbillen geen indicatie van kwaliteit geven, zoals hockeybillen vertellen of iemand een goede sprinter is? Omdat ze slechts als loos gewicht heen en weer worden gezeuld?

Strevens

Het oude Thea en Centraal verleidden ons dik twee jaar geleden om klimmen in ons dagelijks leven op te nemen. Zonder gegronde motivatie bevond ik me met een groep meisjes wekelijks tussen routes, tot ook de activiteit van de sport zelf aansloeg. Elk half jaar stegen we een niveau, met als grote doorbraak de stap naar de 6jes. De ambities op de grote klimmersschaal werkten motiverend en verslavend, omdat de beloning aanbleef. Inmiddels is de wand een stuk stugger en moet ik harder werken.

Desondanks ligt de nadruk minder dan ooit op het bereiken van het volgende niveau. Mijn motivatie is vrijwel gereduceerd tot het meest intense van het klimmen: klimmen zelf. Controle. Begrijpen, verdwijnen en overwinnen, daar gelaten wat het precies is dat ik wil overwinnen. Natuurlijk ben ik zo menselijk om blij te zijn als ik een voor mij uitdagende route onsight, presteren is me lang niet vreemd en ook mijn ego is nog geen zwijgen opgelegd. Daarbij blijft de klimmersschaal een mooie graatmeter van techniek en kracht en enzovoort, en geeft het de enige manier om “Controle. Begrijpen, verdwijnen en overwinnen…” te verwoorden in de praktijk. Ik zou graag zeggen, ‘vandaag ga ik aan mijn verdwijnen werken’, maar ik geloof dat ik dan mijn klimbuddies verlies.

Toch staat dat alles in geen verhouding tot wat ik voel als ik werkelijk aan zo’n wand hang. Mijn alpienambitie is niet meer gelimiteerd te worden door mijn eigen kunnen (of onkunde; een oneindig streven omdat de bergen altijd in een grotere uitdaging kunnen voorzien, en tevens een aandoenlijk streven omdat ik nog zo aan het begin sta) en ik geloof dat mijn klimambitie hetzelfde karakter heeft gekregen (wederom oneindig en aandoenlijk). Ik wil controle. Begrijpen, verdwijnen en overwinnen.

Nu, omdat ik schrijf over de praktijk en niet blijf dwalen in onduidelijke sentimenten, geef ik toch een concreet doel aan de hand van de grote klimmersschaal. Zoals ik al aangaf is de wand stug en kan ik alleen maar juist anticiperen door zelf nog stugger te zijn. Ik wil stugger zijn dan een 7a. Dat is mijn project.

Het niet in de nacht

Na een verjaardag op de camping lieten we ons afzetten in de buurt bij Obergurgel. De twee jongens en ik waren onzeker over de aanlooproute, die zich bevond aan de andere zijde van de rivier en begon bij het dorp. Het was donker. We wisten en zagen niet waar het dorp begon of eindigde en haalde ons een extra uur aanloop op de hals.

Aanvankelijk waren we van plan bij de hut te bivakkeren. Ik was nog vermoeid van een eerdere tocht en moest wennen aan het idee dat het donker was opdat het nacht zou worden, en niet vanwege het vroege opstaan. Mijn zaklamp liet me slechts een paar meter van het pad zien, en wat daarbuiten viel kon variëren van bossen tot verlaten pretparken, dodelijke dieptes tot dorpspleinen bij nacht.
Soms passeerden we een waterval. Ongeacht hoe klein die was, was het geluid indrukwekkend, en zo werd alles dat buiten het zicht de zintuigen prikkelde een indruk op zich.
We wisten dat de hut te ver was om die nacht te bereiken. Ik spoorde mijn benen aan alsof het vermoeide paarden aan een koets waren, en probeerde ze ook als zodanig te ervaren; iets waar ik medelijden mee had maar dat gewoon zijn werk moest doen. De afspraak om vanaf 12 uur scherp te zijn op een plek waar we konden bivakkeren voelde als verlossend.
Tegen half 1 liepen we nog steeds, over een smal pad dat ons geen hoogtemeters gaf, zonder enig idee wat er nog aan gebied of pretparken zou komen. Links verdween mijn licht in de diepte, rechts stuitte het op een wand van gras. We namen genoegen met een schuin rotsig vlak op twintig meter afstand van een waterval.

Normaal is een slaapplek in te richten. Dan grens ik hem in gedachten af aan de hand van de bosjes op de camping, andere tenten, bomen. Ik richt hem in met mijn spullen, al is het slechts een bivakzak: Ik weet waar de bivakzak zich toe verhoudt en voel me thuis in zijn setting.
Dit keer leken we buiten elke context te zijn gestapt. Ik kon mijn slaapplek niet inrichten, want ik wist niet meer waar ik vandaan kwam en waar ik heenging. Ik zag alleen maar stukjes schuine wand, ik hoorde dingen die ik niet kon inschatten en ik bevond me zelfs in een illegaal tijdsbestek, waarin ik eigenlijk al had moeten slapen op 500 meter hoger dan ik me bevond. Alles wat ik neerlegde leek in het niet te vallen. Ik nam mijn rugzak van mijn rug en zodra ik hem losliet was die van me ontvreemd, eigendom van een wereld waarin ik niet was. Wij drieën, we bestonden niet. Of we bestonden in het oog van de waterval, het baken dat de hele nacht lang zachtjes aanwezig was.

Net wakker

                            Net wakker

De zon wekte ons. Ik richtte me op in mijn slaapzak en keek in de breedte van een dal. Zover ik kon kijken groeide lichtgroen gras, een speciaal soort dat ons bestaan weer bevestigde. Ik zag mijn rugzak liggen, en het touw, en de jongens, onder de indruk van de omgeving. De waterval lag uit het zicht, waardoor ik me enigszins verraadden voelde: Het was immers het enige dat over ons had kunnen waken die nacht en als ik hem niet zag, zag hij mij ook niet. Maar ik was vergevingsgezind door de andere onthullingen, die van de kleuren, het uitgestrekte, de toppen, de diepte, de blauwe hemel en de felle zon. We raapten onze spullen bij elkaar en liepen terug naar het pad, dan lichtbruin bleek, en tot diep in het dal zichtbaar was.

We faalden de tocht die we wilden maken. De graat was te lang en de tijd was te kort, het zelfvertrouwen te weinig en de vermoeidheid te groot. Op de terugweg kwamen we langs pretparken en dorpspleinen, geen van allen reëel, en bleken we ’s nachts een hele mooie tocht te hebben afgelegd.
Ik spoorde nog eenmaal de paarden aan en reed samen met de jongens het iets van Obergurgel weer binnen.

Wielrennen

Ik kan dus niet zomaar even gaan fietsen.

Het wielerwereldje heeft alles wat ik verwacht van een nieuw wereldje, wat iedereen verwacht, en ik ga dan ook niet in herhaling treden over outfits, goeroes, jargon, sexy topmannen, bekende evenementen, bekende pijntjes en onuitgesproken regels. Pezige oude mannetjes zeggen geen Fietsheil, de vrouwenkleding is godsgruwelijk lelijk en dunne bandjes op grote keien is kut. Daarmee basta.

Toch kan ik het niet laten twee dingen te noemen.

Ik ga altijd met de trein, van mijn ouders in Heemstede naar Amsterdam, en kijk nooit onafgebroken naar de omgeving. Voor het eerst, sinds ik de afstand heb gefietst, zit er een volledige geografische connectie van de twee plekken in mijn hoofd. Ik kan als het ware voelen waar het ene ten opzichte van het andere ligt.
De ligging van Amsterdam is een openbaring. Wat een water! Wat een weilanden, wat een schapen! Ik maak de kaart met elke tocht gedetailleerder, logischer en gekleurder.
Wat blijkt, ik moet drastisch mijn begrip van de Nederlander aanpassen. Muiderberg en Naarden zijn dorpen uit kinderboeken, met kleine huisjes in smalle straatjes, waar ongetwijfeld sinterklaas over de daken struint. Ik snap best dat maar een handjevol mensen in zo’n dorpskern woont, maar als zo dichtbij de boel zo consequent zo anders, zo landelijk en ouderwets is, hoe woont dan de rest van Nederland? Wat ken ik allemaal niet? Wie zijn jullie?

Dan nog iets van een heel ander kaliber. Ik vreet de hele dag lang alles op dat zich als voedsel aandient. Ik dwing mezelf niets in huis te nemen, want ik geniet maximaal een uur van wat ik in mijn keukenkastje leg. Brood, eieren, yoghurt, appels. Weg!
Ik denk dat ik op die toeren veel verbrand, maar hoeveel precies? Straks moet ik gaan fietsen om mijn voedingspatroon aan te kunnen: zie hier het ontstaan van een vicieuze cirkel. Ik weet precies wat ik moet eten als hockeyer of als sportklimmer, en als loper of passief mormel op de bank. In de Alpen is het eten wat je eten kunt. Maar wat is de gezonde balans voor een wielrenner in een gewoon dagelijks leven? Specifiek deze wielrenner? Chocoladepepernoten alsjeblieft?

Zomaar even gaan fietsen is dus niet wat hier gaande is. Zodra ik op de fiets stap wordt ik een hongerige ontdekkingsreiziger in mijn eigen streek. En dan laat ik al die andere zaken binnen het wielerwereldje dus nog rusten.

Cafédans

Zij kwam eerst binnen. Ze liep naar de bar en vroeg mijn collega of ze hier kon werken. Hij wees haar op de grote tafel in de hoek en zij nestelde zich daar; tas op de bank, laptop op tafel, kopje thee in bestelling.

Buiten zat een jongeman aan een cappuchino. Hij kwam binnen en legde even een hand op haar dikke buik. Ze zaten lang zwijgend naast elkaar, zij tikkend en wrijvend in haar ogen, hij verzonken in een boek. Ik liep langs en hij zei het volgende: She is working very hard and she needs something that makes her feel strong. Do you have something like that?
Ze moest erom lachen en gaf hem een kus. Ik bracht een broodje tonijn, en weer even later een taart.

Tegen de avond pakte hij haar hand en trok haar van de bank. Daar dansten ze, eventjes. Vervolgens rekende hij af bij mijn collega, stopte zij haar laptop terug in haar tas, en liepen ze samen de deur uit. Thank you!, riepen ze na.

Nee, jullie bedankt, dacht ik.