Latest Posts

22 jaar emotie

Ik heb nog veel niet gevoeld.

Geen verlies en geen rouw. Mijn opa’s kende ik niet of nauwelijks, mijn oma’s hadden een lang leven.

Ik ben nog nooit wanhopig geweest. Er waren altijd uitwegen.

Ik ken paniek van mijn val, blinde paniek, een totaal irrationele toestand. Dus die kan ik afstrepen.
Maar het vallen ging te snel om bang te zijn, bang moet ik nog worden. Alpine zal me wel helpen. Al denk ik dat bergen niet half zo eng zijn als mensen.

Een mens met kwade bedoelingen.

Door de val weet ik hoe het is om de zorg voor mezelf uit handen te moeten geven. Misschien voelde ik me bijna machteloos, maar slechts het beginnetje ervan. Machteloosheid in ziekte, nee. Machteloosheid in relatie tot mensen waar ik van houd, die ken ik wel een beetje, maar tegen de tijd dat ik kinderen heb zal  ik – denk ik – pas inzien hoever machteloosheid kan reiken. Dan pas zal ik weten wat verantwoordelijkheid is, en zorg, en ook angst. God verhoede verlies en rouw.
Maar ook zal ik weten hoe het is om wel die zorg te voelen. Die liefde. Die verantwoordelijkheid. Ik zal een totaal ander begrip van trots krijgen.

Maar ik sla stappen over. Ik ben nog nooit verliefd geweest – als ik de perikelen in mijn puberteit daar mag laten. Ik begrijp relaties door in een wereld te leven waarin het nagenoeg het  hoogste doel is; elke film, elk boek, elke dag. Maar in feite is het een concept waar ik geen enkele notie van heb.

Ik ken geen eenzaamheid. Lyon zal me er les in geven. Ik heb gemist, tot op zekere hoogte. Weer is daar Lyon.

Ik weet niet hoe het is om fundamenteel niet begrepen te worden, of niet geaccepteerd te worden op basis van zaken waar ik niets aan kan doen. En ook niet hoe het is om te falen met grote consequenties, of mensen onherstelbaar teleur te stellen. Ik ben nog niet geconfronteerd met expliciet onrecht of leed, en ik weet niet onder welke noemer de emotie die zoiets opwekt valt, maar ik kijk er weinig naar uit.

Honger, nee. Afwijzing, ja. Ondraagbare pijn, nee. Vriendschap, ja. Uitzichtloos, machtig, vernederd, nee. Getresst, misplaatst, verward, gelukkig: ja. Schuld, als in, écht schuld, nee. Spijt ban ik uit. Enzovoort.

Ik vind het een intrigerend idee dat ik veel van deze emoties, en nog zoveel andere, complexer, of zo onbekend voor mij dat ik ze niet eens kan indenken, op een zeker moment zal ervaren. Nog veel vreemder vind ik het idee dat de manier waarop ik mezelf nu in gedachten heb, het wezen, het construct, ontstaan is buiten al het bovenstaande om; maar dat ik al die emoties niet alvast kan incalculeren.

Pas op die momenten dat ze me overkomen, zullen ze me vormen.

Aan de ene kant voel ik me een onbenul zonder levenservaring, alhoewel ik misschien mijn basis aan ervaringen onderschat. Aan de andere kant voel ik me een geluksvogel die op een zeker moment haar vleugels zal verliezen. Maar het meest nog voel ik nieuwsgierigheid naar het mens dat ik zal worden – over vijf jaar, tien jaar, of vijftig jaar.

Ongefundeerd

Er zijn wel duizend redenen voor elke keuze die je maakt. Mooie en lelijke redenen, vergezochte en relevante redenen, goede en verkeerde redenen. En je maakt duizenden keuzes; ook die zijn mooi en lelijk, vergezocht en relevant, goed en verkeerd. Het verhaal dat je leven opmaakt bestaat uit duizenden keuzes maal duizenden redenen, en geeft zo een miljoenenmaal mogelijkheid om er een sprookje, dan wel een hel in te lezen. Structuur of chaos. Romantiek of willekeur.

In de ‘hoezo ga je naar Lyon…?’ fase zie ik het spectrum van redenen zich kleuren bij elk gesprek dat ik voer. Soms zeg ik ‘de bergen, kijk die dingen, ik kan niet anders’, andere keren zeg ik dat ik de keuze ooit gemaakt heb en de reden slechts daarin besloten ligt.
Ik vertel mensen van mijn eerdere willekeurige gang naar steden. Rotterdam, Amsterdam, beide ongefundeerd. Terwijl ik praat zie ik dan een levensloop voor me; van stad naar stad, ingegeven als door een hogere macht, nu Lyon, straks Beijing, dan Los Angeles en daarna Rome.
Of ik vertel ze van de twee massieven, aan de ene kant Chamonix, en aan de andere kant de Écrins. Ik teken beiden in de lucht en wijs naar Grenoble en Lyon, en dan omschrijf ik de keuzestrijd die afgelopen zomer plaatsvond. Ik vertel ze van mijn stop in Grenoble, na een treinreis van zes uur aan één. Op een late, warme avond, toen duizend zielen  zich druk om me heen bewogen en het gewicht van mijn tas door mijn rug probeerde te breken. Toen ik honger en het warm had, het meisje van de ticketservice arrogant was en ik de vertrekplaats van mijn bus niet kon vinden.
Of ik vertel ze van het tijdschrift dat ik op de camping vond, uit 1997. Lyon et les Alpes was het coveritem.
Of ik vertel ze van het grote Franse landhuis met kippen, moestuin en herbergplan en omschrijf Lyon als een tussenstap, omdat ik nog niet klaar ben om de stad achter me te laten, maar wel het gevoel heb dat ik stappen maak in mijn grote droom.
Of ik vertel ze dat ik Frans wil leren, misschien een jaar lang, zodat ik uiteindelijk een Franstalige master kan volgen.
Of ik vertel ze dat Nederland plat is, en het hier regent.
Of ik vertel ze dat ik nooit heb gedacht aan een toekomst in Nederland en geen idee zou hebben wat ik hier zou moeten doen. Een master en dan de koers van het geen-baan-vinden volgen. Settelen en mijn tijd uitzitten. Ik vind niets zo beangstigend als dat.

Er zijn mooie en lelijke, vergezochte en relevante, goede en verkeerde redenen voor mijn vertrek naar Lyon.
Lyon is een keuze tussen mooie en lelijke, vergezochte en relevante, goede en verkeerde keuzes.
Maar ik ga. Zij het een sprookje of een hel, structuur of chaos, romantiek of willekeur.

Doe voorzichtig

Ik schrijf niet zoveel op het moment. Dat komt omdat elk onderwerp dat ik aansnijd, telkens leidt tot allerlei zware kwesties. Wie ben ik en wat doe ik en wat zou ik moeten doen. Mijn nu zit tijdelijk verweven in de problematiek van een heel leven, maar alleen  omdat mijn denken in een bepaalde modus is gesprongen. Voor mij is het vermakelijk, de stukken die ik schrijf lijden eronder.

Modus Lyon. Het was eerst tamelijk onschuldig, meer als een traag naderende droom, zo traag dat ik hem niet kon zien bewegen. Als ik nu een nieuwe jaaragenda zou kopen, zou de verhuizing op een van de eerste pagina’s komen. Ik schrok me de pleuris toen mijn baas laatst zei ‘dus je neemt ontslag’, als reactie op de vage uiteenzetting van mijn plannen aan het eind van een werkdag. Ik krabbelde nog wat terug, zei dat ik niet zeker wist of ik mijn bachelor wel zou halen en dus weg kon gaan. Op weg naar huis was ik overstuur.

Naarmate de winter vordert zullen dat soort concrete zaken steeds meer op poppen. Ik moet er even aan wennen. De transitie van Lyon als plan, naar Lyon als realiteit voelt alsof ik een mannetje in mijn hoofd heb gecreëerd, dat nu via mijn oren naar buiten is gekropen en volstrekt autonoom mijn leven aan het bewerken is. Hé jij daar, wil ik roepen, doe je voorzichtig?

Maar het is oké. Het maakt me een waarderend wezen, elke stap die ik zet door de straten van Amsterdam is van goud. Ik ben een affectiespons, ik slurp vriendschappelijke momenten op alsof ik er van moet leven. Ik heb een passie voor het nu. Alhoewel mijn gedachten als een bok verspringen tussen duizend levenskwesties, ben ik meer zenmonnik dan ooit.  Ik wou dat ik een bandopname kon maken van al dat zich afspeelt in mijn hoofd, want het zou productieve materie zijn voor een ‘ik’ dat er niet middenin zit.

Nog om en nabij drie maanden. In december rond ik drie vakken af, draai ik wat feestdagen, hoop ik een week in een warm land te klimmen en neem ik een eerste kijk in de stad van mijn toekomst. In januari volg ik het laatste vak van mijn bachelor en zullen al die concrete zaken aan de orde van de dag zijn. In februari vlieg ik uit.

Regenbroek

Ik sta in de metro, met vingers geklemd om de paal. Boven en onder grijpen andere handen. Het is spits en het ruikt naar natte mens. De pijpen van mijn regenbroek slepen over de grond als ik mijn balans zoek tussen andermans voetstappen. We staan te dicht op elkaar. Ik zie poriën en ongemak, trek me terug in mijn sjaal.

Het naderen van 2015 brengt me buiten mezelf. Telkens op een klein afstandje, nu in de metro, straks op het perron, dan weer in de collegezaal. Lyon ligt stil in mijn toekomst. Ik klamp me vast aan momenten die elkaar willekeurig opvolgen, het ene na het andere. Het Amsterdamse tegoed wordt schaarser met de dag.
Ik houd zoveel van mijn vrienden dat ik me afvraag of ik niet juist afstand moet nemen, in plaats van het krampachtig waarderen dat ik nu doe. Ik twijfel of ik mijn familie zo ver wil hebben.

Nu juist heb ik het zijn in de bergen nodig om te bepalen wat belangrijk voor me is. Om hun me te laten realiseren dat zìj belangrijk voor me zijn. Het lukt me om me tussen hun flanken te fantaseren, maar dat levert me vooral begrip op, geen steun. Ik snap hoe ik me daar voelde, maar ik voel het nu niet. Ik zou er eigenlijk voor een paar dagen heen moeten, de zon zien zakken achter één of ander massief.

Het is donker en de regen maakt de straten glimmend, en de passanten, en mijn regenbroek. Ik trek hem uit. Ik wil niet dat de pijpen nog langer over de grond slepen. Mensen fietsen voorbij, ze kijken terwijl ik mijn schoenen weer aantrek. De professor noemt het later ‘de eerste echte herfstdag’ in een lofrede over onze opkomst. Die vergeet ik niet meer.

De zomer was een bevestiging. Ik liep door de velden aan de overkant van La Meije, Goethe achter me aan. Het is een van de herinneringen waar ik mijn keuze op baseer.
Maar het definitieve plan legt de hunkering lam, die al drie jaar mijn constante stadse metgezel is. De bergen hebben gewonnen, Amsterdam heeft verloren. Nu het spel over is komt alles feitelijk over en zijn de bergen even uit gratie voor wat ze aanrichten. Sympathie voor het verliezende team.

Na college loop ik naar huis.

Kapitein

Het flitst en het dondert. Ik loop heen en weer achter de bar van Monk en zie het resultaat van noodweer binnendruppelen. Kleurrijke maar zeiknatte figuren, alles behalve verslagen, eerder opgelucht of trots dat ze zo mans zijn geweest om de fiets te pakken.
Het Ij licht tientallen keren op. Schijnwerpers voor het onrustige water en de bewegelijke begroeiing op de kade. Het is laat op de avond. Voor een keer zijn de duizenden gele vierkantjes aan de overkant secundair; plassen schitteren op de stenen van de parkeerplaats, gebogen bomen betrapt op hun zwakte. De regen klinkt in de zaal, niet in het getik van druppels, maar in het ritme van de vloed die met krachtige vlagen op het dak stort.

Een vrouw loopt binnen. Ik praat tegen een rondje van bleek hoofd, de rest verbergt ze achter een huls van plastic waar de storm nog vanaf druppelt. Ik vraag haar hoe ze het heeft overleeft en ze zegt me dat het even spannend was of het pontje wel zou gaan. Zij gaat boulderen, mijn fantasie is aangewakkerd.

De kapitein van het Oostpontje staat wijdbeens achter het roer, zijn handen op spanning en zijn wenkbrauwen gefronst. Contact met het vaste land is verloren. Golven slaan stuk op het dek of grijpen fietsen mee de Amsterdamse diepte in. De pont kantelt van links naar recht, met de neus uit koers en de achterkant tollend tussen Azartplein en de kade van het G-sus terrein. Forenzen staan samengeplakt in een hoek van de boot en houden elkaar in balans. Net als de kapitein de controle lijkt te hervinden, doemt pont Ij-plein op uit het donker, in de greep van een reusachtige golf. De kapitein stuurt wild naar links, maar de pont is traag en oud en slachtoffer van zijn eigen golven. Bliksem belicht de overmacht van de storm en de kapitein beseft het. Hij ziet het blauwwitte staal op zich afkomen en vraagt zich in een flits af wie hij aan boord heeft. Als laatste noodgreep gooit hij het roer om, de pont kantelt vervaarlijk, de forenzen houden vast aan elkaar of de reling en voor me staat iemand die om een La Chouffe vraagt.

Ik spoel het glas, schuif het onder de tap en laat het bier gecontroleerd stijgen. De klant heeft rode wangen van inspanning, ik stel een vraag en krijg een antwoord dat me ontgaat. In mijn ooghoeken trekken flitsen over het water.

Hoe zou het met die arme kapitein zijn?

Het Donker van de Herfst

Het koste me vandaag zeker acht uur om wakker te worden. Ik kwam uit bed rond een uur of zeven, en pas bij het vooruitzicht naar een sloot koffie (zoals mijn moeder dat zegt, ik weet niet of dat echt een uitdrukking is) in de namiddag voelde ik een koppeling met de realiteit. Het meest scherpzinnige dat gedurende dit loze tijdsbestek in me opkwam, was de vraag naar het waarom achter mijn terneergeslagen wezen, maar ik was te duf om naar antwoorden te zoeken. Nu dat er weer geluid tot me doordringt, iets moois in de ogen van passanten leeft en kleurrijke toekomstbeelden mijn gedachten bereiken, zie ik geen heil meer in het beantwoorden van die vraag. Verkeerde been uit bed, volgende keer het juiste kiezen.

Er is iets vreemds aan de hand. De bladeren van de bomen kleuren en fladderen bruin en geel door de lucht. De wind zoeft door takken en drijft gekamde haren uit elkaar. Kinderen dragen gekleurde plastic laarsjes. Ik wou dat ik een eigen kind had om gekleurde laarsjes aan te trekken, want het voelt heel toepasselijk om dat nu te doen.
Nog iets anders; het is nog geen zes uur, de koffie raast door mijn lichaam (ik heb de gewoonte van mijn moeder overgenomen om voor kwantiteit te gaan wat koffie betreft) en de sfeer in mijn kamer betrekt. De kleuren vervagen. Letters en woorden van mijn artikelen kan ik niet onderscheiden zonder voorovergebogen achter mijn bureau te zitten, als een in elkaar gedoken en steen geworden dichter, met een potlood krampachtig in mijn hand. De muren zijn volgehangen en mijn bed draagt stapels kussens en knuffels, maar toch is het kil. Pas nu besef ik me dat het schemert buiten.

Ik stap in sloffen en kruip in vesten, oren verborgen achter een wollen muts. De verwarming ratelt. Rondom mijn kaarsen wakkert een cirkel van kleur. Klassieke muziek klinkt uit de kamers van huisgenootjes. Ik denk aan sprookjes en herbergen, kleine mannetjes met ronde bril en wijsheid in groeven rond de ogen. Iedereen trekt langs mijn geest; vrienden, familie, verloren kennissen, zelfs de trieste gezichten uit de krant van vanmorgen.

Als ik morgenochtend de dekens van me afsla, ril ik van de kou. Op de tast naar de lichtknop, struikelen over twee verkeerde benen. De zoete stroop in de havermout passeert smaakpapillen geniepig en Amsterdam Oost verschijnt niet aan me tijdens mijn fietstocht naar college. De reflectie in de ruiten van het café waarin ik koffie drink toont een terneergeslagen wezen, en ik vraag me even af waarom. Maar als ik wakker word, opgeschrokken door het tikken van de druppels tegen het raam, dan gloei ik van warmte en glimlach ik van genegenheid.

Er is iets vreemds aan de hand.

Knoopje

Een open gletsjerspleet was oncomfortabel, omdat het gapende gat een zuigende werking had op ons nieuwelingen, alsof we elk moment erin konden springen zonder dat we daar controle over hadden. Gedachteloos stappen we er nu overheen, blij dat we ze zien. De gletsjerspleten die zich verschuilen onder een dun laagje sneeuw, dat zijn diegene die ons zorgen baren.

De stenen in de sneeuw onder een steile wand; onbewust voelen we even aan onze helm.

We kennen het gevaar achter onschuldig ogende sneeuwveldjes. We weten van sneeuw en lawines. De balans in ons gevoel van comfort is in de loop der jaren getraind en afgepast. Zorgvuldig hebben gidsen bepaalde impulsen afgezwakt en aangesterkt.

Abseilen

Julien (gids) verbaasde me om zijn gedrag rondom afdalen tijdens  tochten op de Welnesscursus. Hij benadrukte keer op keer dat we snel moesten leren afklimmen en tevens zo ver mogelijk, zodat we ons pas wanneer echt nodig, keerden tot de rappel.
Wanneer een rappel in het zicht kwam voelde ik de sfeer betrekken. Welke rol wij ook hadden bij aankomst, zij het naklimmen of leiden, hij was nu de gids en wij allen idioten. Hij richtte de rappel in en dirigeerde onze handelingen. Gestrest liet hij zijn blik langs het touw gaan, dan weer naar de constructies, dan weer naar de gehaaste bewegingen van zijn handen. Hij was zo oncomfortabel. Ik begreep maar niet waarom.

De weken erna voelde ik dat ik zijn spanning had overgenomen. Er hing een doem rondom het abseilen die ik niet kon vatten, maar wel mijn gedachten en bewegingen krampachtiger maakten. Snel, snel, snel hier weg, alsof de combinatie van ATC, twee strengen touw en prussik functioneerde als een tijdbom. Ik checkte alles driedubbel.

Purtscheller Abseil

Tijdens het afdalen na de Purtscheller eveneens. We konden de instap niet vinden, tot drie keer toe, en besloten het brosse terrein achter ons te laten voordat de tijd ons parten zou spelen. Ik was opgewonden en zenuwachtig, want ik stond op het punt mijn eerste zelfgemaakte (zonder een ‘officiële’ prussikbende) abseil in te hangen. Zoeken naar een goede rots, zelf de prussik er omheen leggen, zelf het knoopje maken. Ik checkte alles driedubbel. Ik hing en ik viel.

Het knoopje? Maar hoe dan?
Ik kon het maar niet bedenken.
Ik liet de scene door mijn hoofd spoelen en zetten hem eindeloos stil op het beeld van de knoop. Wat in godsnaam was er mis met die knoop?

Ik weet nog dat ik me verbaasde over de eenvoud ervan, elke keer als we langs een abseil kwamen, drie jaar lang. Zowel over de eenvoud van de knoop onder in het abseiltouw, als de eenvoud van de knoop in de prussiks om het abseilpunt.
Ik had op de Purtscheller nog gevraagd aan de anderen; wat voor een knoop? Zaksteek. Maar in mijn hoofd en in de prussik had ik hem al gelegd – de strengen over elkaar, en wederom de strengen over elkaar, het simpelste dat in me opkwam. Wat de naam was van hetgeen dat ik legde drong niet tot me door. Simpel is simpel, het meest rechtdoorzee knoopje dat bestaat.

Dus wat was er mis met mijn knoopje?

Oud Wijf

Er ging een dag overheen, en een nacht. De volgende morgen lag ik met spinazie en Gordon Blue in een bed met witte lakens en kwam opeens een andere mogelijkheid bij me op: twee strengen bij elkaar, en daarin een zaksteek. Ik zakte door de grond, bloed steeg naar mijn wangen. Shit, shit, shit, dat was hem. Hoe de fack…Waarom…Hè? Waarom had ik dat niet gedaan? Waarom had ik dat niet gedaan?

Twee weken later kwamen Jeroen en Lieke (instructeurs) op bezoek en gaven een fruitmand en een reep Tony Chocolony. Met mijn ene bil op de stoel en de andere zwevend in de ruimte, besprak ik de Purtscheller aftocht met de rode mannetjes en de lieve verpleegsters. De rappel. Het besef van het knoopje.
Oh, je hebt een oud wijf gelegd!, gierde Jeroen. Nee nee, of ja, of waarschijnlijk, reageerde ik onverschillig.
Wat de heck is een oud wijf, dacht ik.
Ik wist wel van het onderscheid tussen de platte knoop en die andere, maar ik had me nooit beseft dat er een relevant verschil bestond tussen de twee. Misschien was het een keer tijdens een cursus langs gekomen, tegelijk met standplaatsbouw of abseilen, maar in zijn eenvoud bedolven onder de complexiteit van het andere.  Al die tijd was er een fundamenteel gat in mijn kennis geweest.

Keuzes

Sindsdien heb ik er, onvermijdelijk, veel over nagedacht.

Waarom ik geen zaksteek heb gelegd, is me een raadsel dat ik als dusdanig heb geaccepteerd.

Dat ik in plaats daarvan een oud wijf heb gelegd, kan ik mezelf vergeven. Eén van de eerste dingen die me duidelijk werd van het klimmen, was dat ik niet wist wat ik niet wist. Ik kon ervaring opdoen wat ik wilde, maar er zou altijd een duistere ruimte van onwetendheid blijven bestaan, als een soort objectief gevaar in mijzelf dat ik kon optellen bij vallende stenen en wankele seracs.
Ik had echter niet verwacht dat zoiets fundamenteels in mijn kennis zou ontbreken. Ik hoop immens dat mijn bouwwerk van ervaring weinig meer van dat soort grapjes verhult.

Wat ik mezelf niet kan vergeven, is dat ik tegen het advies van mijn gids in, ben gaan abseilen terwijl aflopen nog meters lang mogelijk was. Zijn discomfort tijdens de rappel heeft zich overtuigend gelegitimeerd en zelfs effectief in mijn handelen genesteld. En toch maakte ik die keuze, terwijl me anders geleerd is.

Ervaring

Alpien is (en nu gaan de ervaren alpinisten gniffelen) echt ontzettend moeilijk. We zijn nog steeds de nieuweling die angstig in een gletsjerspleet staren, of er juist overheen kaggelen omdat anders geleerd is; alleen is de selectie aan obstakels en stille gevaren inmiddels  gevarieerder.
Na drie jaar voel ik me op verschillende soorten terrein, in verschillende mate comfortabel, ingefluisterd door gidsen en mijn fysiek, mijn partners en mijn gemoed, de kleur van de lucht en nog honderd dingen.
Een deel doe ik simpelweg al wel goed. Ik maak doorgaans de juiste afwegingen en voel me op gepaste momenten niet op mijn gemak. Maar: Er is een onbepaalde ruimte, een duistere plek van verkeerde keuzes en gebrekkige kennis, of nog enger: van comfortabele niet-keuzes.

Abseilen zat in mijn range aan discomfort en toch mocht het niet tot een juiste keuze leiden. Eenvoudige knoopjes zaten niet in mijn range aan discomfort, waardoor ik klakkeloos in de prussik ging hangen, en de rest is geschiedenis.
Alpineren beslaat een immens bouwwerk aan bewuste en onbewuste handelingen binnen onvoorspelbaar en voorspelbaar terrein. Ervaring, wat een toverwoord. Er staat een legendarisch knoopje in mijn hoofd gebrand en hell no, die fout maak ik niet meer. Welke lering er verder uit te trekken; ik weet het niet, misschien die van geduld of immer weloverwogen keuzes, maar daarin bestaat een grens. Uiteindelijk willen we die bergen op.

Uiteindelijk wil ìk die bergen op, oude wijven of niet. Wat een machtige hobby, wat een lastige hobby.

Waarover nog meer

Het gaat over de autoritten richting de Alpen die brandstof genoeg hebben aan alleen onze adrenaline. Het gaat over kleuren, de kleuren van de bergen en van de opkomende of ondergaande zon, van de ogen van mijn klimpartner, het enige dat tussen lagen kleding van hem of haar zichtbaar is. Het gaat over de bibliotheek op stoffige planken achterin de eetzaal, met tijdschriften die uitkwamen ver voor ik geboren ben, Nederlandse en Duitse stationsromannetjes, een paar schunnige strippen, plaatjesboeken van C.A.F. en S.A.C. en informatieboeken over rappels en techniken in den (der? dem?) Alpen.

DSC02395Het gaat over de sokken van mijn ouders over de rand van het balkon van een berghut en touwen die absurd waardevol zijn als mijn vrienden eraan verbonden zitten. Het gaat over het verliezen van de weg en verfrommelde vochtige kaarten, over uren van verveling en het gegil van screaming barfies. Het gaat over sterke drank die als een razende naar onze kop stijgt en verlopen bergmonumenten met een leren huid en liters bier op houten bankjes, onaangeraakt, of juist verwoest door het bergleven. Het gaat over weerberichten, condities, teleurstelling, acceptatie en het vermogen nieuwe dromen te smeden. Het gaat over gelukspoppetjes die aan de gordel bungelen en over Bonopus.

Het gaat over poepen tussen de rotsen, melkpoeder en de verborgen schoonheid van gletsjerspleten. Het gaat over momenten waarin de wereld gekrompen is tot het wit van de sneeuw en mijn grote schoenen die één voor één in beeld verschijnen, tot het geluid van gehijg en trage, in herhaling gevallen gedachten. Het gaat over haren die niet meer uit de knoop gaan, gesmolten snickers, of bevroren snickers, of gesmolten en daarna bevroren snickers en het zoeken en vinden van de blik van mijn tochtgenoten als we net de top van de berg hebben bereikt.

Het gaat over een deuntje van Jeff Buckley na De Koeeen uur van 600 hoogtemeter stijgen en klote branders die niet aan willen. Het gaat over sigaretjes met uitzicht en onsamenhangende betogen over net gemaakte tochten, vol van adrenaline en en toen, en toen. Het gaat over ingegroeide teennagels, gestolen materiaal en weerzin. Het gaat over boekwerken van gedachten over het hier en daar, berggidsen en warme chocolademelk van zes euro. Het gaat over ontmoetingen met onbekende alpinisten, waar we uren mee spreken zonder iets te weten te komen over henzelf, slechts over zijn of haar beweging in de bergen. Het gaat over Bertha en haar soortgenootjes.

Het gaat over onmogelijke ochtenden. Het gaat over geuren van natte schoenen, getik van karabiners tegen elkaar of regen tegen tentzeilen, schaamteloze halfnaakte en dikke snurkers in het lager, en het gevoel van kriebelige dekens, pijnlijke vingers, en nieuwe niveaus van angst, euforie, daadkracht, zelfvertrouwen, teleurstelling, voldoening en geluk. Waarover nog meer?

Proxi

Het lijkt op een supermarkt, maar het is iets anders. Werknemers zien eruit als klussers, en het gebouw als geklust, niet gebouwd. Je struikelt over producten en waggelende kinderen. Ijsjes en Snickers halen ze uit grootverpakkingen en verkopen ze per stuk (not for resale, luidt de tekst op de papiertjes). Vergeelde bergmarmotknuffels en opgekrulde ansichtkaarten verdringen elkaar binnen wankele stellages. Grote, foute klassiekers staan op repeat van ’s ochtends vroeg tot sluitingstijd. Overal hangen geplastificeerde aanbiedingen in dezelfde kleurrijke lettertypes die je op de basisschool voor werkstukken gebruikte. De deals zijn verleidelijk, lachwekkend en zorgwekkend, met halve kippetjes en friet voor vijf euro, en meloenen zowel voor twee euro als voor vier euro  (als ze hun eigen acties niet goed bijhouden).

Voor de winkel ligt een plastic terras waar je als klant je boodschappen opeet en ondertussen bediend wordt door een lief en gestrest meisje met een laag decolleté. Het befaamde ontbijt (de ontbijtdeal, het Proxiontbijt) bestaat uit een donut, rozijnenbroodje, croissantje en/of chocoladecroissantje, en/of sinasappelsap of koffie (grand of espresso). Voor twee euro verzamel je vier producten, behalve als je sinasappelsap neemt, want die telt voor twee. De drankjes worden op je bonnetje geschreven, het bonnetje geef je af bij de drankjeshoek. De broodjes eet je samen met je yoghurt, appels of stokbrood (die je ook daar belegt) op het terras. Je koffie komt vaak laat, je sap belandt op de verkeerde tafel, maar als je een beetje scherp bent heb je toch echt een monsterlijk ontbijt.
Beschaafde mensen kiezen voor koffie, sinasappelsap en twee broodjes. Minder beschaafde mensen kiezen voor vier broodjes en eten ze allemaal op, en als ze net van tocht terugkomen, dan nemen ze twee keer vier broodjes.

Het dorp waarin de Proxi zo floreert, Ailefroide, geeft de winkel een kleurrijk gezelschap. De mogelijkheden van het Écrinsmassief brengt wandelaars, boulderaars, verschillende soorten klimmers en alpinisten bij elkaar. Je loopt onopvallend met volle gordels tussen de schappen en mengt naadloos tussen de klandizie als een touw over je schouders hangt. Boulderaars op Crocs in E9broeken zakken weg in hun stoelen. Alpinisten dumpen hun tassen met veel poespas naast de tafels en schuiven hun dure zonnebrillen in hun ongekamde haren. Elke morgen zie je dezelfde gezichten en  staart het elkaar aan vanachter grote stapels donuts en koffiekopjes. Wie weet, is er al een Proxiliefde ontstaan.

De andere winkel van Ailefroide, de Sherpa, heeft het ‘supermarkt met terras’ concept afgekeken en biedt nu ook gelegenheid om boodschappen meteen te nuttigen. Alleen dan luxe: onder een stevig dak, met een grote breedbeeld televisie, internet en een bar met ijzeren stoelen. Verse taartjes staan achter schone vitrines. De koffie komt met een glimlach en de ijsjes zitten netjes in een Olabox.
Stiekem gebruik je het internet, staar je naar de breedbeeld en werp je een blik op het gebak. Maar de Sherpa is de Proxi niet. Er loopt geen baas in verwassen spijkerbroek met een sigaret zware artikelen naar achteren te sjouwen. Er staat geen rij tot bij de ingang. Er zijn geen aanbiedingen die theoretisch niet kloppen maar als een trein lopen.
Je koopt er geen eten om de gezelligheid te onderhouden, en de eerste Sherpababy zal pas geboren worden wanneer al vele generaties Proxikinderen de Écrins onveilig maken. De Proxi is geen supermarkt. De Proxi is briljant.

ProxiontbijtProxiselfie
Proxigezelschap

Bloggen

Ik lees mijn eigen blog door en ik vraag me af in hoeverre ik het nog ben, die voorgaande teksten schreef. Ik twijfel of ik mijn eigen woorden interpreteer zoals ik ze toen bedoelde. Ik vraag me af of in die twijfel mijn ontwikkeling zit; als ik het verschil in interpretatie zou kunnen formuleren, dat ik zwart op wit zou hebben hoe ik ben veranderd in de afgelopen jaren.

2013-11-24 21.04.33Ik schrijf veel. Ik heb een reeks dagboeken vanaf mijn tiende tot mijn twintigste en in elk afzonderlijk staan de gedachteconstructies van dat moment.  Letterlijk constructies, ik was altijd aan het timmeren, vastleggen, aanpassen, organiseren. Mijn brein was een bouwpakket.  Nu richt ik nooit meer woorden zo strikt naar mezelf, maar formuleer ze toegankelijk voor andere mensen. Misschien ben ik door het schrijven van mijn blog wel toegankelijker gaan denken. Misschien is mijn brein gedisciplineerd in de structuur van mijn schrijven aan de buitenwereld.

Het kostte me moeite om mijn eerste paar blogs openbaar te maken. Ik was bang dat mensen mijn schrijfstijl niet zouden waarderen, en dat ligt best gevoelig. Want alhoewel een deel uit trucjes en mopjes bestaat, weergeeft mijn schrijfstijl ook de manier waarop ik mezelf kies te representeren. Zelfs los van de inhoud, of juist los van de inhoud.
Met de wetenschap dat ik als schrijver de tijd heb gekregen om elk woord zorgvuldig te kiezen, kan ik me niet verschuilen achter gedragingen van het moment, die binnen het echte leven makkelijk gerelativeerd worden. Gek doen door adrenaline, er niet uit zien omdat ik hard heb gefietst, niet uit mijn woorden komen omdat ik verlegen ben. Nee, de manier waarop ik schrijf is keihard hoe ik wil overkomen.

Maar het was een kwestie van wennen. Daarbij, niemand geeft commentaar wanneer iets slecht geschreven is of een vergezochte emotie weergeeft. Deden ze dat maar, dan leer ik nog wat.

Binnenstebuiten1Ik had minder problemen met het openbaar maken van de inhoud. Binnestebuiten had me laten wennen aan het idee dat mensen een inkijk kregen in mijn gevoelsleven. Ik heb zelfs een tijd gedacht dat het openbaar maken van al mijn gevoelens (laten we daar alsjeblieft een nieuw woord voor vinden) en ideeën me zou harden voor eventueel commentaar, alsof het naar buiten brengen van alle aspecten van het mij-zijn een volledige acceptatie vanuit mijn kant, van mijn eigen menselijkheden inhield.
Alhoewel ik nog steeds denk dat die methode voor sommige gevoelens en ideeën geldt, weet ik ook dat ik een heel scala aan Ruby-dingen simpelweg niet noem, hoe eerlijk ik ook denk te zijn. Dingen waarin ik écht nog geen zekerheid heb gevonden, in zoverre dat ik ze misschien zelf niet eens onderken, komen niet op mijn blog.
Datgene wat ik wel noem, vormt een selectie aan dingen waar ik zin had om over te schrijven. Ik schets een beeld van mezelf dat volledig steunt op mijn opwellingen. De grote kloof tussen de intentie van mijn woorden en jullie interpretatie blijft. Er zal vast een redelijke karakterschets mogelijk zijn op basis van mijn blogberichten, maar ik behoud een groot deel persoonlijkheid dat niet leesbaar is op WordPress.

Blogs verbazen me. En ze imponeren me. Samantha weeft wetenschappelijke artikelen door haar persoonlijke ervaringen en brengt het als een solide verhaal. Fieke durft ongenadig positie aan te nemen in grote wereldproblematiek. Kimberley publiceert haar gedachten zoals ze in haar hoofd op ploppen en ingekaderd zijn, en haar eerlijkheid shockeert me. Maar ik leer meer van haar dan van al mijn studieboeken bij elkaar.
Blogs, ik weet het niet, het zijn momentopnames, maar er zit ook iets eeuwigs in. Ze lijken verdomde op de echte wereld, maar verschillen er dramatisch van. En nog duizend woorden. Dit stuk schrijf ik binnen een nu dat straks niet meer is, en lees ik als ik niet meer ben wie ik nu ben. Ik ben benieuwd hoe ik het zal interpreteren.