Latest Posts

Vreemde Verjaardag

5-12-2015

Ik werd wakker in de bus van een drietal Spanjaarden. Ze reden me van Barcelona naar Albertville en dumpten me bij het station met een backpack die te zwaar was om in één keer over mijn schouder te slaan. Gebogen onder het gewicht van een dirtbagleven liep ik naar het café aan de overkant van de straat. Groepen veertigjarige mannen kleefden aan de bar en lieten hun ogen me volgen naar mijn tafel. Ik verbond mezelf met het internet. Tussen de facebookfelicitaties en mails zocht ik naar de bevestiging van een kamer, of in elk geval iets waar ik kon overnachten, en werd hinderlijk gestagneerd door een Frans vrouwtje dat zich ongemakkelijk voelde tussen al die mannen en daarom comfort zocht bij de enige andere vrouw in de ruimte. Ik hoorde over haar kinderen en haar kleinkinderen en alle zo vreselijk ontspannen mensen in een stad die ik lang vergeten ben en dacht: Hoe kan ik me nu ontspannen?

Be careful what you wish for ‘cause you just might get it. Ik geloof dat het een bekende uitspraak van deze of gene is, tot mijn schaamte ken ik het alleen van een nummer van de Pussycatdolls. Ik wenste het leven meer autonomie toe. En daar zat ik op mijn verjaardag: Alleen het leven bepaalde waar mijn feestje op uit zou draaien. Zelf had ik geen idee.

Ik zwierf een tijdje besluiteloos door Albertville, en als mijn tas niet zo zwaar was geweest had ik misschien mijn tijd in het dorpje doorgebracht. Ik kon onmogelijk negeren dat ik die bulk met spullen ergens kwijt moest voor de nacht. Laat staan mezelf. In een tweede café stippelde ik mijn route uit naar Chamonix en in een derde scrolde ik nog een keer door de internetpagina’s. Het is merkwaardig hoe verbonden je je kunt voelen op de eerste dag van je vierentwintigste jaar zonder dat er iemand significant in de buurt is.
Internet.

Ik kreeg gemakkelijk een lift naar Ugine. En tegen de tijd dat een tweede lift me oppikte in de richting van Mégève realiseerde ik me dat ik praktisch langs mijn boerin (WOOFF2015) kwam en dus stuurde ik haar een berichtje. Nadat ze klaar was met haar unstressing hypnosis technic (?) zou ze tijd voor me hebben.
Om de tijd door te komen kroop ik in Notre Dame de Bellecombe wederom achter het internet. Ik nam een thee van 3,60 en verwelkomde mezelf in het achterlijk dure wezen van het skidorp. De velden voor me lagen deels onder sneeuw en toch kon ik in mijn hempje op het terras zitten.  Spanje vrat zachtjes aan mijn hart en de bergen bleven op afstand, maar ik was niet ongelukkig. Ik was eerder in een constante staat van verbazing en onderdrukte vermoeidheid en zag de facebookpagina’s voorbij glijden zonder dat de gezichten tot me doordrongen.

Een uur later zat ik bij de boerin op de bank en lag haar hond languit op mijn schoot terwijl hij probeerde mijn hoofd eraf te likken. Ik liet mijn hand over zijn vacht gaan en zonk even weg naar Siurana, de oranje rotsen en het gelach van mijn oprechte maatjes. De ringtone van de Boerin haalde me terug. Een vriend van haar zou die nacht in de boerderij overnachten, maar had de bus gemist en vroeg haar hem op te halen. De boerin gaf hem twintig minuten om een zelf lift te regelen en als het écht niet lukte zou ze hem komen oppikken, waar het ook was dat hij was.
Hij was in Ugine.
En zat keurig aan zijn derde biertje toen wij aan kwamen rijden.

Ik schoof naast hem onder het TL-licht van het lelijkste café van Savoie en realiseerde me dat mijn Frans een stuk beter is dan mijn Spaans. Hij was ook een dirtbag, maar dan een die zich schuilhoudt in de maatschappij. Ik zou de late uurtjes van mijn verjaardag ingaan met een zwerver. Een echte.
We dronken biertjes en aten pizza, en tot mijn eigen hilariteit werd de ruimte vrijgemaakt voor een verjaarde Franse punkrockband met een rood aangelopen en half ontblootte leadsinger. Hossende boeren en tandeloze locals zweepten me op en namen me mee op de plastic dansvloer. Rond elven belde mijn moeder me en god, wat had ik graag dat gesprek op tape gehad.
Ik kon haar gelukkig verzekeren van een verblijf bij de boerin.

Rond middennacht voelde ik de spanning uit mijn lichaam vloeien. Ik lag onder de dekens in het kleine bed onderin de boerderij, de liefste zwerver ooit in een eigen bedje naast me, en vocht tegen mijn slaap om op zijn minst een paar relevante gedachten naar boven te krijgen.
Ruby, je bent vierentwintig geworden, wat vind je daarvan?

Maar ik sloot mijn ogen en sliep.

Rennen voor Zonsondergang

Ik kan niet geloven dat ik weg moet.
Ik heb mijn baas in Chamonix een email gestuurd over het verlaten van mijn terugkomst, maar dat leverde niets op.
Ik moet terug.

Mijn handen en schouders zijn kapot genoeg om misschien het klimmen niet te missen. De omgeving achterlaten, dat haat ik. En de kleine familie hier.

Rustdagen waren de moeilijkste dagen. We dreigden elkaar te vermoorden van verveling. De bakker in Cornudella verkoopt wafels met een dikke laag gesmolten chocolade en ik at een hele per rustdag, meer suiker bijeen dan alle koekjes die ik onder aan de routes eet.

Stuiter. Stuiter.

Eigenlijk is dat niet waar, de rustdagen waren op hun eigen manier vermakelijk. Eergister gingen we sterren spotten in El Pati, een klimgebied hier waarover allerlei Sharma achtige routes kruipen. Het Black Diamond team heeft de afgelopen week poep geraapt om bewustzijn te creëren voor het degraderen van de natuur in Siurana, en tijdens hun vrije uurtjes konden wij ze bewonderen in 8c’s en 9a’s. We keken en zongen, speelden gitaar en schoven mee met de zon die zich langzaam uit de vallei terugtrok. Net op tijd herinnerden we ons dat we op het plateau van Siurana naar de zonsondergang wilden kijken. Een race tegen de zon, tussen de bomen door naar boven, over het stenen pad langs de ruïnes, rennen, rennen, rennen onder een roze hemel.
Net op tijd.

Soms ben ik bang dat ik niet meer functioneer in de samenleving nadat ik eruit ben geweest. Ik voelde me al onzeker na een lang weekend met de ASAC in België. Alsof ik niet meer weet hoe ik precies tegen de caissière van de supermarkt moet praten of de systemen van de tram niet meer begrijp. Nu ben ik er een maand uit geweest.

Ik kan niet geloven dat ik weg moet. Ik kan niet geloven dat ik heb gekozen voor een seizoen in één van de heftigste après-ski bars in Chamonix. Zo stil als het was in het woud, zo druk zal het zijn elke avond.
Elke avond.
Ik weet dat ik het waarschijnlijk allemaal fantastisch zal vinden, de tijd van mijn leven, skiën zal magisch en briljant en poëtisch zijn en die witte bergen – oelalaah.

Maar nu wil ik de rotsen van Siurana.
Niets anders.

De Derde Haak

Ik ging goed. Klimmen, voorklimmen, alles.

Het koste me even om ook mijn projecten zelf voor te klimmen, maar onder druk van mijn stoere mannelijke maatjes deed ik het. Als ik eenmaal mijn gewicht op de wand had was ik toch veroordeelt tot de route. Dan maakte het niets meer uit wat ik aanvankelijk aan voorklimangsten had.

Tot een vervloekte 7b.

De jongens klommen het allemaal onsight, het was een verticale wand zonder bandjes of ongein, en ik viel probleemloos drie keer in de derde haak.
Bij de zesde haak bungelde ik rustig in het touw heen en weer.
‘Wooooww!’, schreeuwde mijn zekeraar. ‘Holyshit! Look at that! Did you hear that?’
Ik had geen idee.
‘Look below you!’
En ik keek.
De derde haak zat niet meer bij de schroef van de derde haak, maar hing aan het setje in het touw bij de tweede haak.
Holyshit – ja.
Ik kon in eerste instantie niet helemaal bedenken wat ik ervan vond en hing stil in mijn touw. Daarna maakten we wat grapjes. En daarna vroeg mijn zekeraar: ‘Are you ok? You still want to climb?’
Het was alsof wat hij zei pas de aanleiding was van mijn paniek. Ik realiseerde me aanvankelijk niet dat ik geschokt kon zijn over loskomen van een haak. Na zijn opmerking hield ik op met ademen. Baam, paniek. Paniek zoals ik dat het afgelopen jaar heb leren kennen. Klassieke, verlammende paniek. Ademen, Ruby, ademen.

Sportklimmen is een veilige sport. Ik wil geen alpine grappen bij het sportklimmen. Ik wil dat de haken me houden zonder dat ik er een gedachte aan hoef te wijden.

Schijtzooi.

Ik maak sindsdien elke dag voorklimvallen, grote en kleine, en ik ben niet meer bang mijn enkels te breken. Maar ik ben verdomde onrustig. Ik vertrouw niets meer. De haken niet, het touw niet, de Grigri niet. Verroeste standplaatsen jagen me de stuipen op het lijf wanneer ik de setjes heb uitgeklipt en in het niets bungel. Ik ben misschien niet bang om iets te breken, maar ik ben bang om dood te vallen.

Mijn ratio kan me rustig maken en de rest is een kwestie van geduld. Ik kan het proces in mijn hoofd niet sneller laten gaan dan het gaat. Het is allemaal een erfenis van mijn val en ik kom er wel overheen.
Maar eerlijk gezegd, het ergert me eindeloos dat het keer op keer lijkt alsof ik lekker ga, tot er weer iets gebeurt en ik overnieuw moet beginnen. Ik wens mijn geest terug van voor de val.

Maar laat ik het er maar op houden dat ik er uiteindelijk sterker van word.
Zoiets.

Winter in een Warm Land

DSCN7372Ik woon tegenwoordig in het busje van een vriend op het parkeerterrein van Siurana. Vlak voor de ruïne van het kasteel ligt een stoffig terrein met de mooiste zonsopgangen – zeggen ze – waar in het weekend toeristen hun auto’s dicht tegen elkaar frommelen en door de week klimbums met busjes een klein dorpje maken.
Ik word wakker als het licht wordt en kom de bus uit wanneer streepjes zon door de luxaflex komen. Precies dan openen de deuren van alle busjes zich en steken her en der de warrige koppen van klimmers uit. Hun blikken gericht op de wolken in de vallei. Niemand waagt zich buiten de bus voor de warmte van de zon het bestaan hachelijk maakt. Niemand.

En dan is het een internationale samenkomst van ontdooiende klimmers die met kopjes koffie van bus naar bus lopen, pochen over hun routes of plannen smeden voor de dag, en klagen over de niet helende wondjes op de toppen van hun vingers.

photo 4 (9)Het was de eerste weken warm voor het seizoen. Sinds een paar dagen duikt de temperatuur ’s nachts door de nul en moeten busbewoners het vorst van hun ramen schrappen voor ze naar een klimgebied rijden. De wind weet zich langs alle rotsen te wurmen en slingert topropers ver uit hun routes als ze eenmaal zijn gevallen. Buiten is een no go wanneer de zon zich terugtrekt en de projecten zijn uitgeklommen of gepauzeerd. Winter in een warm land forceert iedereen ’s avonds naar dezelfde cafés waar de gesprekken van die ochtend voortgezet worden en nog eens wordt doorgezeken over de pijn in de vingers.

Maar als de zon schijnt, als de zon schijnt is het Spanje. Als de zon schijnt klimmen we boven de bomen uit en schrikt het pigment op onze ruggen wakker, stroomt het bloed door onze vingers en het zweet langs onze rug, als de zon schijnt draaien we sjekkies onder de routes, sluiten we onze ogen en zwaaien we naar de winter die ver, ver van ons opdoemt en dan stand maakt.

Daag, winter.

Exotisch Dier

Door het deel van de vallei waar wij op uitkijken kronkelt een bruin riviertje. Het lijkt ver weg, maar als de meisjes nog slapen en ik op mijn rots zit hoor ik het stromen.

Het is een rustdag vandaag. Ik spendeer hem alleen, en ik heb al lang geleden bepaald dat als ik een dag voor mezelf had, ik naar het riviertje zou afdalen.

Ik vul mijn tas met schone kleren en een shampoofles. Ons kamp ziet er kwetsbaar uit vanaf een afstandje. We hebben het Scorpion Plateau genoemd vanwege de aanwezigheid van een kleine familie schorpioenen onder de steen waarop we koken.
DSCN7326Elke dag wordt ons stukje natuur meer als een huis. We hebben een keuken tussen opgestapelde bakstenen, twee tentzeilen slaapkamers, een huiskamer op de rots, een vuilnisbak en een boom waarin de klimspullen hangen. Onze klimvrienden weten waar het is en omdat ze allemaal fluiten of neuriën hebben we een natuurlijke deurbel.
Ik kan me niet voorstellen dat een kwaadwillende wandelaar me van mijn schoentjes of laptop beroofd, maar toch is het vreemd om geen sleutel tot het deel van het woud te hebben dat ontegenzeggelijk het onze is.

Ik loop langs de bovenrand van de rotsen tot er een pad de diepte in duikt. Het gepraat van klimmers klinkt luider en luider en vervaagd wanneer ik verder afdaal. Ik passeer de lange overhangende klimroutes en volg een slingerpaadje tot een breed pad dat de vallei in loopt.

Er is niemand.

De rivier ziet er dichtbij heel anders uit dan vanaf boven. Het water is kraakhelder en avontuurlijk, loopt in scherpe bochten en over grote stenen in watervallen en splitsingen, tot het in het stilste bassin doet alsof het altijd daar is geweest. De zon schittert. Kleine en grote visjes zwemmen onrustig door elkaar. De rotsen zijn wit en de bosjes lichtgroen. Ik vind een strandje dat uitloopt naar een grote platte steen midden in het riviertje en leg mijn spullen erop uit.

De wilde vrouw. Het meisje uit de bossen. Het kind van het woud.

Ik trek mijn kleren uit tot op mijn onderbroek en ga de rivier in. Het water bijt. Mijn ademhaling stopt als mijn borstkas onder water komt en ik schreeuw om elk stukje huid dat wordt aangetast.
Maar het wordt beter.
Ik pak de shampoofles van de rots en zie de visjes zwemmen onder het schuim van mijn gewassen haren. Ik dompel mijn kleren onder en hang ze te drogen aan de bosjes. Zelf droog ik op de witte rots en staar naar het vervolg van het riviertje, af en toe opgeschrokken door geluiden om me heen.

Ik weet dat ik me vrij zou moeten voelen en ik voel me vrij. Mijn fantasie loopt synchroon met mijn leven.

Een vrouw staat tot op haar enkels in het water. Ik zie haar pas als ze haar lens op mij gericht heeft en foto’s van me maakt. Een man verschijnt op de oever achter haar. Een ander boven op de rots. Ze zijn te ver om me écht te kunnen zien, maar even ben ik geschrokken. Ik voel me naakt en bestudeert als een exotisch dier.
Fuck it.
Je hebt het riviertje, de plantjes en je hebt mij. Welkom in de natuur.

Als ik me weer heb aangekleed lopen ze langs me. De vrouw vraagt waar ik woon, ‘in the woods’ reageer ik en ik realiseer me dat ik de mythe van mijn verschijning alleen maar groter maak. Ik leef van besjes en vis, slaap onder de vacht van een Spaanse stier en communiceer met de vogels over het leed in de wereld. Ik dans bij het kampvuur en steel brood van de bakker in Cornudella. Men ziet soms een glinster van mijn blonde haren en de afdrukken van mijn voeten in het stof op de straten. Dat is alles wat ze van me weten.

Ik stop mijn droge kleren en de shampoofles terug in mijn rugtas en loop naar boven. Bezweet van de klim onder de Spaanse zon kom ik bij het Scorpion Plateau aan. In de verte zie ik het bruine riviertje kronkelen.

Mijn huis en mijn bad. Mijn leven.

DSCN7305

Wild Mooi

Siurana is niet groot. Vijftig stenen huisjes aan elkaar geplakt op het verre eind van een heuvel, met een tiental smalle gangetjes en oude bewoners die willekeurig door elkaar lopen. Iemand met een romantische geest had het dorp kunnen schetsen en er allemaal ridders en jonkvrouwen doorheen laten lopen. Op magische wijze ben ik er zelf in geschetst.
Alleen de windrichting waarvan uit de weg naar het dorp komt geeft geen uitzicht op de omgelegen valleien. Soms komen de wolken net tot de voet van de eerste gebouwen en lijkt het alsof ze zweven. Een onoplettende toerist kan zonder waarschuwing het plateau aflopen en een snoekduik tussen de oranje rotsen maken. Een mooier einde kan die zich niet wensen.

12200494_1175560439123974_2021537825_nDe eerste dagen hier was ik zo overdondert door de schoonheid van de natuur en dat kleine dorpje, dat ik nauwelijks een gedachte heb besteed aan iets dat zich buiten het moment afspeelde. De meisjes vroegen veel aandacht en het klimmen nam het grootste deel van elke dag in beslag, dus heel veel meer dan het moment was er ook niet. En de brute eenvoud van het leven maakte elke diepere gedachte een beetje gekunsteld. Eten, klimmen en slapen, soms zingen of dansen of praten.

Maar ondanks dat de zonsondergangen nog steeds wild mooi zijn en ik vergeet te ademen als ik de rotswanden in de verte zie opdoemen, begin ik weer een beetje na te denken. We ontmoeten zoveel inspirerende mensen, zoveel bij elkaar geraapte levensconcepten die eigendom zijn van rustige en blije klimmers, busbewoners en reizigers, avonturiers en jonge papa’s en mama’s die hun baby’s voeden in de schaduw van de rotsen, dat mijn eigen levensconcept onmogelijk onaangetast blijft.

Ik geloof dat de grootste verandering ligt bij het feit dat ik mijn leven niet meer dicht wil timmeren met ideeën over mijn toekomst. Ik was vijf jaar lang heel erg trouw aan het ‘ik maak mijn eigen leven’ idee en ik denk dat ik dat nodig had om uit mijn structuur te breken. Nu is het tijd om het leven zelf weer wat autonomie te geven. Ik wil ruimte behouden voor het onverwachte. Voor onvoorziene plannen en ontmoetingen. Voor dingen die te krachtig en mooi zijn om in het leven te forceren, die alleen door het leven zelf op mijn pad geworpen kunnen worden.

Een bootje op de golven. Een dans op het ritme van de muziek.
En we dansen veel hier.

Ik ga nooit meer terug in mijn kooi.

De Novembernachten van Siurana stellen ons op de proef. We slapen in onze hele garderobe en voelen nog steeds de kou langs onze ruggengraat omhoog kruipen. Het dirtbag bestaan is niet voor mietjes. Het klimbestaan evenmin. De routes slopen ons lichaam en onze mentale kracht bevind zich in een ernstig traject dat per voorklim een andere uitkomst levert. Maar op alle fronten boeken we vooruitgang. We worden beesten.
Ik kan me niet voorstellen dat er nog een wereld bestaat buiten deze valleien. Chamonix voelt als afspraak bij de tandarts waarvan ik de datum ben vergeten. Nederlands is een vreemde taal. Parijs ligt op een andere planeet. Ik ben in Siurana en alles buiten de warmte van het dichtstbijzijnde kampvuur is ongrijpbaar. Nog twee weken in deze droom en dan zal ik weer een beetje mijn ogen openen.

Spanje kwam uit de lucht vallen en ik had de vrijheid om het op te vangen. Dat is geluk.

Mam, aan jou, ik wou dat ik met jou door Siurana kon lopen. Dat ik met jou op het plateau aan het einde van het dorp kon zitten. De wolken zouden tot onze voeten komen en we zouden bijna naar het roze van de ondergaande zon kunnen lopen. Als ik daar twee minuten met jou zou kunnen zitten, mam, dan had ik geen vijf uur over dit verhaal hoeven doen. Misschien hadden we samen naar woorden gezocht om de impact van de omgeving te omschrijven, want ik heb er grote moeite mee. Ik vrees dat ik je nooit kan vertellen wat het waard maakt om in een bos te leven en die beren die jij op de weg ziet voorzichtig een aai over hun bol te geven. Ik vrees dat ik je het moet laten zien.

Jij bent ook vrij, toch?

12212406_1175560429123975_641484596_n

Gekwebbel in het Woud

“I had a bath this morning”, zegt een van onze Duitse vrienden, een jongeman met groene ogen, bruine huid, een wilde bos zwarte haren om zijn hele gezicht en een dun touwtje dat het in toom houdt. ‘Huh’, denk ik, met wie is hij bevriend? Douches en wasmachines zijn alleen toegankelijk als je betaald voor de camping of vrienden hebt in Cornudella, het dichtstbijzijnde dorp in de vallei. Siurana zelf heeft alleen een klein waterkraantje. En een bad is wel héél luxe. Klimmers die wonen in een bus in een bos hebben doorgaans geen vrienden met een bad.
“Down in the lake”, zegt hij vervolgens.
Aha.

Het leven is gemakkelijk. Ik slaap op een matje onder de sterrenhemel en wordt wakker door het eerste licht. Boven ons kamp ligt een platte, witte rots waar ik in kleermakerszit wacht op de zon, elke morgen, die altijd achter dezelfde heuvel tevoorschijn schiet. Ik blijf daar tot mijn vriendinnetjes wakker worden (we zijn tegenwoordig met drie, oud-huisgenootje Sadbh heeft zich aangesloten) en dan zetten we koffie, of een brouwsel van gemalen koffiebonen in kokend water dat ongeveer zo ruikt en smaakt. We ontbijten met wat we nog over hebben. Drie aapjes op een rots.
Na een tijdje horen we het gefluit en geknisper van Tom, die zijn weg zoekt tussen de bosjes en daar in tegenstelling tot ons nooit moeite mee heeft omdat ons gekwebbel door het hele woud hoorbaar is. Hij neemt onze plaats op de witte rots en wij beginnen in een stofwolk van chaos onze spullen op te ruimen. En dan vertrekken we in een eigenaardige karavaan naar de rotsen.

Na een week kennen we veel van de klimmers die voor langere tijd in Siurana verblijven. Freja is een sociale stuiterbal die geen rust vindt voor ze zich aan iedereen met een touw en gordel heeft voorgesteld, en dus vind ik mezelf in een eindeloze hoeveelheid ‘waar kom jij vandaan’ conversaties. Spanjaarden, Fransen, Italianen, Belgen, Duitsers, Amerikanen. Het doet veel voor mijn mensenkennis, of in elk geval voor mijn kennis van zij die zich in het zwervende bestaan gegooid hebben. Het is een warm bad van vreemdelingen die verdomd goed lijken in de kunst van het leven en, hoe is het mogelijk, bijna allemaal grappig en sympathiek overkomen.
Tom manifesteert zich ondertussen als een baken van rust, in beweging en woorden. Met zijn blonde sprietharen en ronde brilletje klimt hij de hardste routes. Soms zit hij stilletjes maar geamuseerd op een rots. Hij lijkt niet afgeleid door ons meisjesachtige gegil en gegeit en vormt een belangrijk deel van onze dagelijkse realiteit.

Dagen lijken te vliegen. Het is te kort licht voor al dat klimmen elke dag, en ook te kort avond om datgene te doen wat zich als secundair naast het klimmen voordoet, zoals boodschappen, biertjes en internet.
Ik heb een hardlooproute gevonden die een grote cirkel achter de rotsen maakt. De zonondergangen lijken hier drie keer zo breed en kleurrijk als in Chamonix en dus probeer ik rond het vallen van de avond mijn ronde in het dagprogramma te persen. Het ontbreken van een douche kan me niet meer hinderen om me in het zweet te werken, sinds ik heb ontdekt dat je best schoon wordt onder het leeggooien van flesjes water. Het is een klein ritueel geworden.

Dagen eindigen meestal in een één of andere absurd romantische setting, met wijn in plastic kopjes en bungelende beentjes over de rand van de rotsen, gitaarsessies in klimmersbusjes of biertjes rondom een reusachtig houten vat in de Rifugio in Cornudella, waar binnendruppelende klimmers zich aansluiten en verslag doen van de voorderingen binnen hun klimprojecten.

En dan sluit ik weer mijn ogen onder de sterrenhemel van Siurana.
Zo gemakkelijk als dat kan het leven zijn.

Siuranaans Leven

6-11-2015

We wonen in het bos.

Er gaan verhalen rond over wilde zwijnen die ’s nachts uit de vallei omhoog komen, maar we hebben ze nog niet gezien of gehoord. Het is hier zo stil als hoog in de bergen. De nachten zijn pikzwart en de hemel is gigantisch. We hebben een klein plateautje gevonden aan de rand van de afgrond, tussen lage donkergroene bosjes en bomen, en dat stukje wereld is nu van ons. Drie meter onder de laatste haring van onze tent eindigen klimroutes, duizenden meters daarachter toont zich alleen maar die heuvelige Spaanse natuur, een rivier in de diepte, grote Lion King rotsen aan de overkant.

De weg naar onze tent is niet helemaal duidelijk, er zijn veel paden en gelijksoortige bosjes die het overzicht verdoezelen, en dus verdwalen we op weg naar huis. Altijd. De bosjes zijn stekelig en mijn benen ogen alsof de lokale zwerfkat ze als krabpaal gebruikt. Mijn vingertoppen zien rood met witte vlekjes en klagen nu al dagen om het gewicht dat ik ze laat dragen. Mijn schouders zijn bruinverbrand.

Freja en ik zitten in Siurana, het paradijs Siurana, daar waar het landschap bestaat uit reusachtige oranje en gele rotswanden en de brede schouders van de lokale bevolking. We hebben een vriend, Tom, die ergens anders in het bos woont en gedrieën vertrekken we elke dag naar de routes.
En die zijn overal.
Het houdt nooit op.

DSCN7219We klimmen en pogen een ‘dirtbag’ bestaan. Het vieze rugzak leven waar klimmers misschien wel monopolie op hebben, ik weet het niet. Ik wil het graag omschrijven, maar ik zit niet zo in de literatuur en ontbreek het zelfvertrouwen om uit de losse pols een heel specifieke cultuur neer te zetten die ik zelf pas drie dagen geleden ben betreden.
Ik zal me laten verleiden tot een snelle schets: Het is een soort…gecultiveerd zwerven. Coole armoe in de natuur. Als je hier een dag rondloopt en slechts af en toe je mond open trekt heb je zo zes nieuwe dirtbag vrienden die elk een eigen cliché uitoefenen. We eten smerig, primitief voedsel, poepen in de bosjes, douchen in het meer, dragen elke dag dezelfde kleren, betalen niets, profiteren, zijn de hele dag buiten want er is nergens een binnen en vinden het allemaal fan-tas-tisch. ‘Dit is het ware leven’. We hebben niets nodig.
En zolang de zon schijnt is dat absoluut waar.

Dan nu het klimmen.

Want daar ontkom je hier niet aan; alles dat zich horizontaal voortbeweegt in Suirana doet dat zonder twijfel ook verticaal. En niet lichtjes, ze klimmen angstaanjagend hard. De eerste keer dat ik in de topo keek brak het zweet me uit. Ik zag de 8a’s en b’s bezaaid over de bladzijdes en de rotsen oogden precies zo ontoegankelijk. Grote, eindeloze, gladde muren die onheilspellend over ons heen bogen. Ik voelde me op zijn minst misplaatst.

Op andere bladzijdes ontdekten we wat 5jes en 6jes en dat bracht een beetje adem terug in mijn longen. Maar ik realiseerde me dat ik geen poes meer kon zijn. Er zou geklommen worden.

En dus vond ik mijzelf de eerste middag vér boven mijn niveau en vér boven mijn laatste haak in een 7a+ met een waanzinnig fysieke uitklim. Welkom in Siurana, Ruby. Wat vloog ik prachtig door het niets.

Toch is het voor Freja en mij net zo’n Walhalla als voor de massa’s Sharma’s en Ondra’s die uit alle streken van de wereld hier hun rotsdansen komen tonen. De absurde standaard doet iets vreemds met je. In België en Frankrijk waren het de grote jongens die zich aan de zeventjes waagden, hier begint men de dag met een zeventje. En dat maakt elke willekeurige 7a een stuk toegankelijker, alhoewel ze er niet minder hard op worden. Je doet het gewoon. Je zeikt niet, bindt je in en ziet wel waar het schip strand. En dan opeens groeit er hars op je vingers en veranderen je spierballen in glanzend metaal.
Klimmen is grappig mentaal.

Freja en ik blijven nog vijf dagen klimmen, tot er geen plusje hoger meer uit ons lichaam valt te persen en we schil kijken van al die rots zo vlak voor onze neus. Het leven is goed. Iets te goed. Maar daar kan ik nauwelijks over klagen.

DSCN7250

Dakloos in Spanje

De natuur. Het dorp. De stad. Ik schiet als een sneltrein door het landschap en kan de velden niet meer van de bomen onderscheiden. De concepten zijn door elkaar gaan lopen, een wereld aan fimokleipoppetjes gekneed tot een grote bal.

Wat ik bedoel, is dat ik op een morgen wakker wordt in een Spaans hostel waar vrije stadsgeesten hun ontbijteitje omdraaien met een stijlvol getatoeëerde arm, boter dat in stoomwolkjes tussen hun glanzende bruine lokken doorglipt, en ik niet helemaal meer kan plaatsen wat ik zie. Ik kan ook niet zo goed vatten dat in de hoek een gigantische tas uitgeput tegen de muur aanleunt, met een roze touw en rode klimschoentjes, die garant staat voor een ‘life on the road’ en in vol ornaat de huissleutel ontbreekt van elk onderkomen in de wereld.

Ik ben dakloos en ik ben in Spanje.

En ze noemen het avontuur.

photo 2 (16)

Herfstzonnetje

CIMG2801 (2)Lac de Gailland is een meertje net binnen het dorp. ‘s Zomers zou de Mont Blanc erin weerspiegelen, maar nu drijven er rode en oranje blaadjes op.

De herfst heeft de bergen een warm jasje gegeven. Dat gaat heel goed met bergen, omdat ze steil de hoogte in schieten en gemakkelijk iets als een jasje kunnen omslaan. De gletsjers zijn glinsterend wit boven alle kleuren, wit en ver weg, verstopt achter windvlagen, warme huiskamers en ingepakte kindertjes. Kastanjes, kabouters en… Fieke.

Ik neem haar mee naar de rotsen van Gailland. We lopen langs echtparen in dikke jassen en dichte cafés, voorbij plekken waar het rumoer twee maanden geleden tot diep in de nacht klonk. Er zijn minder auto´s op de weg en minder klimmers in het klimgebiedje. Maar wij zijn er.

De lucht ruikt koud, of naar winter, ik weet niet precies hoe. De huid van mijn gezicht trekt zoals dat alleen in de kou gebeurt en ik weet bijna zeker dat mijn neus rood is. Mijn vingers verstop ik in mijn zakken als ik niet aan het zekeren ben. De rotsen zijn vreemd genoeg warmer dan de lucht, maar dat is misschien omdat het herfstzonnetje de strijd met de kou serieus neemt en zich vastgrijpt aan het gesteente. We zijn liever hoog dan laag, liever tegen de rots dan in het open veld,  en toch is er niets fijner dan weer samen onderaan de routes te staan. Zoals vroeger. CIMG2793 (2) (1)

De herfst is koud. Maar warm.

Het is circus. De mensen die zich vandaag bij Gailland hebben verzamelt zijn erop uitgezocht om ons te vermaken. Twee oude jofele Franse heren naast ons zekeren alsof ze beiden voor het eerst een touw in handen hebben. Aan de andere zijde gebruikt een sportieve oma de techniek van ‘het touw langs de rug’ om haar kleinkinderen op te vangen. Het hele klimgebied wordt getreiterd door een hond die, als hij niet op zijn baasjes aan het klimmen is, van zekeraar naar zekeraar loopt en eten uit hun tassen steelt. Het beest is niet groter dan een onderarm van een klimmer, zwartglanzend en hormager, en beweegt zich in wonderbaarlijke vaart langs ons op zijn vier stekelige wankele pootjes.

CIMG2813 (2) (2)Midden in het massief loopt een ijzeren trap langs de rots naar boven. Ik heb me nooit afgevraagd waar het precies heenleidt, misschien omdat ik onbewust het mysterie intact wilde laten.
Een man en vrouw doorbreken mijn dagdromen. Ik ben Fieke aan het zekeren en zie de twee achter elkaar naar beneden dalen, beide met hun billen in de lucht en een touw om hun schouders. De man zet als eerst voet op vaste grond en kijkt guitig om zich heen. Hij lijkt achterin de zestig en draagt een grijze snor en een gebreide muts. Als ik in zijn blikveld val vraag ik hem waar hij vandaan komt. ‘Van boven’, zegt hij in het Frans. ‘We deden meerdere lengtes en wilden abseilen, maar ik was mijn gordel vergeten, dus zijn we maar via het trapje gaan afdalen.’
Stom van verbazing kijk ik hem aan. Voor ik er op in kan gaan is ook de iets jongere vrouw geland en begint tegen hem te praten, duidelijk niet geïnteresseerd in een conversatie met mij. Samen lopen ze weg. Hij draagt inderdaad geen gordel.

‘Fiek!’ schreeuw ik naar boven, ‘je moest eens weten wat hier net langsliep!’

photo 3 (9)We lunchen naast een groot rotsblok in de zon. Het is geen dag van harde routes, noch van veel routes, een dag waarop het klimmen eigenlijk secundair is. Met stokbrood in mijn hand staar ik naar de kinderen die rondrennen tussen de klimtouwen en het zwartglanzende hondje dat het heeft gemunt op onze pesto. Naar Fieke die stil tegen het rotsblok leunt en de Mont Blanc die ons haar zegen geeft vanaf ongrijpbare hoogte. Ik doezel weg in de tijd waar ik op zonnige dagen eindeloos buiten speelde, rende en klom, achterna gezeten werd en bloemetjes plukte, buren lastig viel en naar binnen geroepen werd voor boterhammen en limonade. Het maakt me verdrietig en gelukkig tegelijkertijd.

We klimmen nog twee routes en grijpen daarna onze spullen bij elkaar om door de blaadjes terug naar Chamonix te lopen.
Die avond voelen we ons beide rozig van een dag in de zon en de kou.
Het verschil met vroeger is de wijn, in plaats van de limonade.
Ik schrijf dit verhaal en Fieke leest haar boek.

Lang leve deze dag.

CIMG2799 (2) (1)