
Latest Posts
‘Nee’, zei ik
Toen ik de afgelopen week met mijn touwgroep voor een berg stond, en mijn examinator vroeg of ik met hen meeging in de route, zei ik ‘nee’.
Die ‘nee’ was natuurlijk al drie jaar in de maak, wat op dit moment behoorlijk moeilijk is om in te zien. Het voelt alsof ik naar het raam ben gelopen, mijn hand heb geopend, mijn allergrootste droom eruit heb laten glijden en daarna simpelweg heb toegekeken hoe het ding in slow motion naar beneden viel.
Ik kan hem eigenlijk nog steeds zien vallen.
Weer eens wens ik de afgelopen dagen gewoon niet beleefd te hebben, zoals ik dat ook wenste na het ongeluk. Of ik niet gewoon wakker kan worden, drie dagen terug?
Het was waarschijnlijk precies hetzelfde gelopen.
Ik ben nu eenmaal al drie jaar lang bang. De aap, ben ik die angst afgelopen weken gaan noemen, en die zat zowel in mijn hoofd als in mijn maag.
Uiteindelijk heb ik denk ik nooit begrepen waarom Céline en Elise werden meegezeuld en ik niet, het ging om een fout die spoedig zou worden hersteld, zo stond het vastgelegd in heel mijn wezen. Zodra ik een stap op een flank zette, bood ik de gelegenheid aan vallende rotsen om mij, Ruby, dat derde meisje, nu eindelijk ook eens naar de diepte mee te sleuren. En als ze mij niet konden hebben, dan zouden ze voor mijn tochtenpartners gaan, of voor mijn klimmende geliefden.
Mijn god, hoe ik heb geprobeerd ‘t allemaal te overwinnen.
Het is niet gelukt.
Nu zit ik hier met een nijpend besef van hoe dichtbij ik was, hoe sterk en vrij ik me daarboven eens voelde, hoe mooi het beroep zou zijn geweest. Ik merk bovendien dat de aap na zijn geslaagde sabotagepoging meteen op vakantie is gegaan. Ik, bang in de bergen? Waarvoor eigenlijk? Mijn armen zijn gespierd en mijn longen gigantisch, en ik heb geen idee wat ik er nog mee moet. Verkopen, misschien. Ik heb bovendien bergervaring en nu de aap weg is, kan ik de rest van mijn mentaal voor een goede prijs op de markt zetten. Die deed het verdomde goed dit jaar.
Het doet pijn. Oh, wat doet het pijn.
Ik geef mezelf nog tot het einde van deze week om te zwelgen in zelfmedelijden, pas maandag dwing ik me tot het opbrengen van begrip voor de keuze die ik afgelopen dinsdag maakte, en het relativeren van mijn ongelukkigheden. Tot die tijd hoop ik intens dat iemand met een flinke bulldozer over de bergen heen walst zodat ik in de toekomst nooit meer met mijn oude droom geconfronteerd hoef te worden.
Hulpjes in de ijssalon
Ze zeggen dat de rivier nu al zo laag staat dat professionele kajakkers zenuwachtig beginnen te worden. Hun klanten zullen komend zomerseizoen de boot zelf over het droge rivierbed moeten slepen. Misschien dat er dan ergens nog een plasje ligt zodat ze er toch even in kunnen zitten, in die kajak, voor de foto.
Een winter die het vrij volledig aflaat om een dikke witte laag over de bergen heen te leggen, heeft een droge zomer tot gevolg. Wie voedt immers de rivieren? Niet de hitte die momenteel aan de bergen en dalen plakt, aan onze armen en benen. Bergtoeristen moeten zeer binnenkort hun favoriete hoge bergen beklimmen, want in het hoogseizoen is het beetje sneeuw daarboven reeds gesmolten. Dan lopen de normaalwegen langs blauw ijs of stapels wankele stenen.
Misschien kunnen professionele kajakkers en berggidsen deze zomer terecht als hulpjes in de ijssalon van Briançon. Ik vermoed dat er heel wat ijsjes zullen worden verkocht.



Bluesy Billie

Het is eind lente en ik vind mezelf terug in mijn dorp, waar struiken onder het gewicht van rode rozen over de paden buigen en jonge vogels elkaar het nest uit duwen. Of misschien dacht Billie dat ‘ie al kon vliegen en haperden zijn jonge vleugeltjes hoog in de lucht, waardoor hij luttele seconden later voor mijn voeten neerstortte.
Ik dacht dat Billie poten en vleugels gebroken had, hij zag eruit alsof Tigrou hem reeds elk van zijn sadistische kanten getoond had. Dus liep ik er voorbij. En toen liep ik weer terug, want ik kon de natuur zijn gang niet laten gaan, dat was dan weer tegen mijn natuur in.
In de palm van mijn hand klopte het hart van Billie zachtjes. Zijn dons piepte hier en daar nog onder zijn verendek vandaan. Gekke geluiden maakte hij, een soort enthousiast gerasp, bluesy Billie. Toen hij zijn bekje open de lucht in stak, vroeg ik me voor het eerst sinds tijden af wat vogeltjes eigenlijk aten. Insecten, zaden? Het bekje was feloranje aan de binnenkant en leek er diep van overtuigd dat ik wist wat ik erin moest stoppen.
Op het internet suggereerden ze dat ik het lokale noodnummer voor wilde dieren moest bellen. Daar hadden ze meer aan het hoofd dan Billie. Ze zeiden dat mijn vogel beter af was dichtbij zijn moeder, en daar hadden ze natuurlijk gelijk in, wie dacht ik eigenlijk wel dat ik was? Een vogel?
Ik hing hem in een doos aan een boom en keek urenlang of iemand hem kwam voeden. Het zong overal hoog in de bomen, er klonken wel honderd moeders en vaders van Billie in het bos en Billie zelf tjilpte krakend de longen uit het lijf. Maar niemand leek hem te horen. Ik ging toch maar even langs de boswachter voor advies. ‘Nee joh, zodra zo’n vogeltje uit ’t nest valt, trekt moeder haar pootjes ervan af. Voed hem tot hij wegvliegt.’
Dat klonk wel te doen.
‘Het is een zanglijster’, zei een vriendinnetje op basis van een foto die ik stuurde via whatsapp. En, zo herhaalde de buurman, het belangrijkste was dat ‘ie genoeg dronk. Vaak stierven zulke vogeltjes aan uitdroging.
Met een pipetje waarmee ik Tigrou eens medicijnen had gegeven, gaf ik Billie toen te drinken. De dierenhandel verkocht me insectenprut dat ik met een pincet in zijn oranje bekje liet vallen. Het werd de meest intieme ontmoeting met moeder natuur die ik ooit had gehad, Billie en zijn oranje bekje, de geur van gras in een doos en onhandig getjilp dat door de gaten naar buiten kwam. Goedemorgen, Billie. Slaap lekker, Billie.
Hij dronk en at gulzig en maakte een hoop lawaai, ‘oefende met zingen’, zei mijn moeder, die op hem paste wanneer wij de deur uit waren.
Toen ik met Thibault ging klimmen in Italië liet ik haar vijf dagen achter met een pup, een kat én een babyvogel.
Billie probeerde toen al zo nu en dan een soort van te vliegen, maar hij kon op geen enkele poot staan en zijn vleugels klapten hard tegen de bodem van de doos. Hij leek behoorlijk onhandig. Zoals elke babyvogel, misschien.
Op de derde dag van mijn trip, toen ik vroeg hoe het ging thuis, kreeg ik het volgende berichtje van mijn moeder:
Ja hoor prima. Billie is wel naar de vogelhemel. Zelf gegaan gelukkig, maandag al. Hij bleef motorisch een ramp, viel steeds om, was dus vast niet goed gekomen. Waarschijnlijk daarom ook uit het nestje gevallen. Heb hem samen met Squeeze een plekje bij zijn vrienden in het bos gegeven. Hoop dat jullie het fijn hebben.
Toen het lijfje niet kon vliegen, vloog zijn zieltje er vandoor. Nu hoor ik hem overal in het bos. Hij zingt inmiddels behoorlijk goed.




Aarden

De paden tussen de huizen van mijn bergdorp staan vol met paardenbloemen. Pissenlit heten die dingen, zo heeft mijn zojuist geïmmigreerde moeder inmiddels geleerd.
De fanatieke buurman met de maaimachine zit tijdelijk in Bretagne, waardoor het gras inmiddels halverwege de kuiten komt. Ik zou het zelf ongegeneerd tot een jungle laten uitgroeien, al is het maar omdat onze pup er zo blij van wordt. Maar wanneer je even de moeite neemt om langs de vergroeide schuren en golvende dakplaten te kijken, de loshangende goten en de rommel van hoe-heet-hij-ook-alweer, en een blik werpt op de kleine maar met zorg onderhouden groentetuinen en bloemenperkjes, merk je dat er toch geciviliseerde kanten aan het dorp zitten. Ze maken er werk van, mijn dorpsgenoten, al weet ik nooit precies wie van welk tuintje, want de verdeling van grond is nogal onduidelijk.
Het gras van Squeeze gaat er hoe dan ook van af.
Zowel mijn moeder als de pup zijn echter met enthousiasme door het dorp ontvangen. Squeeze kwam aan als schattige bol dons op vier onhandige poten en slingerde zich zodoende zelfs een weg naar het hart van de teruggetrokken overbuurvrouw, die een uitgesproken hekel heeft aan hondenpoep (ik neem uit voorzorg altijd een voor poeptransport bestemde pollepel mee).
Mijn moeder wordt ondertussen zoveel mee uit wandelen gevraagd dat ze nauwelijks de tijd heeft om zich als Hollandse tussen de Fransen een klein beetje fatsoenlijk verloren te voelen. Ik weet niet hoe bergbewoners zich doorgaans tot gepensioneerde Hollandse dames verhouden, maar mijn dorp lijkt zo blij met haar komst als Squeeze met zijn nieuwe piepende groene bal uit de Carrefour. De ene neemt haar mee omhoog naar verre flanken en bossen en leert haar geduldig nieuwe woorden, zoals coclico of mélèze, de ander sleept haar langs de rivier en roddelt honderduit, zonder zich ook maar een moment te generen voor het feit dat mijn moeder steeds glaziger kijkt en al na een kwart van de wandeling zichtbaar afhaakt. Op taalgebied dan, want haar Hollandse benen kunnen de bergen makkelijk aan.
Een van de vele leuke kanten van haar komst is dat ik weer even met Hollandse ogen naar mijn eigen dorp kijk, en me opnieuw bewust word van de nabijheid van de bergen en de natuur, de rustieke Franse chaos en ook zeker de exotische gewoontes van mijn buren, mijn ‘eigen’ Fransman en inmiddels zelfs een beetje van mijzelf. Het is nu eenmaal behoorlijk Frans hier. Hoe Frans precies, dat laat ik mijn moeder in een eigen verhaal uitleggen, want hoe druk ze het ook met wandelen heeft, ik wacht met ongeduld op haar beschrijving en beleving van het leven in La Vachette.
Maar om toch vast een tipje van de sluier te lichten: ’s middags eet men hier warm (inkoppertje), brood komt van de bakker en vlees van de slager en wijn uit de cave (niet de supermarkt), bij de ratatouille gooi je geen wortel (hoe durf je!), gepasteuriseerde kaas is geen kaas en mocht je je afvragen waarom het alleen maar over eten gaat, dan zou ik zeggen: welkom in Frankrijk.
Natuurlijk zijn mijn moeder en ik ook een tuintje begonnen, zo ergens tussen al het gras en de paardenbloemen in, en graaft Squeeze er meteen uit wat wij erin stoppen. Hij doet dat zo passievol dat het toch moeilijk is om hem te corrigeren. Af en toe komen de dorpsbewoners langs en geven ze ons tips, over de opvoeding van de pup (geef hem eens een goede klap) of over de groentetuin, waardoor we onze zaadjes netjes na de 15e van mei in de grond hebben gestopt en binnenkort naar de vlooienmarkt gaan voor zware stenen bloempotten, omdat plastic potten in La Vachette om schijnen te waaien.
Ik ben heel benieuwd hoe ’t hier allemaal zal aarden. Vrij goed, is mijn vermoeden.

Het kleine huis is enorm
Hoe is het mogelijk?
Samen met Fieke en mijn moeder zit ik in de auto op weg naar de Drôme, Fieke terug naar huis, wij op bezoek.
Soms lijk ik het leven niet helemaal bij te kunnen benen. Alsof Fieke en ik gisteren nog toevallig zij aan zij op een tafel in de klimhal van Amsterdam zaten en in gesprek raakten, een van de meest fortuinlijke momenten uit mijn leven.
En die moeder dan?
Gepensioneerde juf test (wederom) het leven in Frankrijk, huurt het appartement onder het mijne en stapt nu, onverschrokken en enthousiast, bij ons in de auto. Die auto is klein en rood en heeft een gele kentekenplaat, daarmee rijden we kakelend door de bergen, en dan langs velden, bomen en struiken in bloei.
Tussen Briançon en de Drôme hebben ze ’t laten glooien, met het felste groen dat in de lente beschikbaar was. ‘Kijk, hier veranderen de huizen’, zegt Fieke. We rijden langs La Beaume en Luc-en-Diois en Die, om zo tegen de avond in Crest de auto te parkeren. Want daar woont Fieke tegenwoordig.
Mijn moeder en ik lopen gedwee achter Fieke aan, want zonder haar zouden we verdwalen in het labyrint van het dorpscentrum. Smalle, steile straatjes, stenen huizen op en aan elkaar geplakt, rozenstruiken en katten, de rustige ademhaling van een oud maar springlevend dorp. Ik zie mijn moeder kijken. Voor Fieke is het al normaal. We vallen binnen bij haar huisgenoten die toevallig net een traditioneel recept uit de Drôme voorbereiden, de ingewanden van een beest in een saus met aardappelen. Weer zie ik mijn moeder kijken. Hoeveel kost zo’n huis hier eigenlijk?
De volgende morgen is het markt in Crest en we zijn ’t met mijn moeder eens: ’t lijkt wel alsof ze een film opnemen en iedereen die we tegenkomen zorgvuldig is gecast. De grijnzende man met de bos bloemen, het oude vrouwtje met de aardbeien, de kinderen in ogenschijnlijk zelfgemaakte kleding, het gelach boven de kazen, de discussie boven de lavendelzeep, de enorme loslopende hond. We trekken haar aan de mouw het dorp uit.
Want waar het eigenlijk om gaat, is het kleine huis dat Fieke aan het bouwen is. Dat staat in een loods vlakbij, en ik kom er met verbazing achter dat een klein huis net zoiets is als een kleine reus: nog steeds vrij groot (of zeg maar enorm). Voor me staat een solide houten constructie op een zeer lange aanhangwagen, oftewel het geraamte van haar toekomstige woning. Misschien had ik toch een soort poppenkast voor me gezien waar Fieke na voltooiing gestaag in was gekrompen.
Ze lijkt zelf allerminst onder de indruk van de grote en ernst van het gevaarte dat ze tijdens haar korte absentie op poten (wielen) heeft gezet. Sinds wanneer kan Fieke eigenlijk huizen bouwen? Heb ik niet opgelet?
‘Maar ik heb hulp gehad!’ zegt ze. Naar mijn mening ook een enorme bak met durf.
Ze legt ons wat dingen uit (huizenbouwdingen waar alleen huizenbouwmensen verstand van hebben), laat ons kiezen tussen een paar tinten rood voor de buitenkant en wanneer ik foto’s van haar in de loods maak, met de grote gestalte van haar kleine huis op de achtergrond, realiseer ik me hoe goed ze binnen het plaatje past.
Even later rij ik het rode autootje weer weg van de loods, mijn moeder op de stoel naast me en gelukkig maar, want de Drôme had haar zomaar van me kunnen afpakken. Met de loods nog in mijn achteruitkijkspiegel doe ik een verzoek aan het leven: of dat enorme gevaarte, straks blakend en stralend het moderne kleine grote wonder van Fieke, mét Fieke erin, over niet al te lange tijd gewoon weer terug naar de bergen kan rollen?










Misschien was het wel een draak

Squeeze komt uit een advertentie op het internet. We hebben hem opgehaald in het Zuiden, vlakbij de kust, bij een vriendelijke dame die op diezelfde dag nog naar balletles zou gaan. Ze had een tuin met lampionnen en vlaggetjes, spirituele zinnen geschreven op het tuinhuis. De pup, een wollige bol die passievol door het gras struikelde, ‘deed al zijn poepjes en plasjes’ en was naar haar mening ‘helemaal in orde’. Vader was naar verluid een blakende Border Collie (min of meer) en moeder liep voor onze voeten: een rasechte Berger Australiën, die overigens niets meer van haar laatst overgebleven pup moest hebben en hem agressief van haar tepels weerde.
Ondanks de geruststellende woorden van de verkoopster brachten we Squeeze naar de lokale dierenarts, om toch maar even te verifiëren of onze pup wel echt vier poten, twee ogen en geen dure medische verassingen met zich meebracht. ‘Maar uw hond bestaat niet’, zei de receptioniste me. Ik keek achterom, waar de bibberende bol wol ontegenzeggelijk op de schoot van mijn moeder zat. ‘Wanneer is hij geboren?’ Ik was de datum vergeten. ‘Wie is de eigenaresse van de moeder?’ Ik kende alleen haar voornaam. ‘Wist u dat bij verkoop van een pup verplicht een gezondheidscertificaat geleverd moet worden?’
De verkoop van Squeeze verliep duidelijk niet volgens het boekje, maar na een hoop fronzen en getik op de computer mocht hij toch op consult. Hij woog 4,1 kilo, onderging zijn vaccinatie stilletjes, bleek kerngezond en verkreeg, na twee maanden officieus door het tuintje van een dorpeling gebanjerd te hebben, tevens zijn recht op bestaan (via een paspoort).
Een dag later liep het beestje twijfelend, trillend en piepend door de grassprieten om het huis in La Vachette, nooit een meter verwijderd van onze voeten, diep onder de indruk van wat bewoog of niet bewoog.
Maar goed, alles went. Inmiddels rent hij licht gestoord van obstakel naar obstakel, kluift op alles dat binnen zijn kleine kaakjes past, vecht grommend met het knuffelvarken én mijn kuiten, eet wat op de vloer ligt (een scan van zijn ingewanden zou zorgwekkende objecten weergeven) en valt dan uitgeput op de grond, om het geheel een uur later weer te herhalen. Wat niet mag, is het allerleukst. Daarom vraag ik me soms toch af wie die vader nu eigenlijk precies was. Ik bedoel, we hebben hem nooit gezien. De verkoopster zei misschien ‘het is een Border Collie’ maar misschien was het wel een draak. Die had immers niet misstaan in haar tuin. Soms denk ik al rookwolkjes tussen die kleine kaakjes vandaan te zien komen. Misschien heeft de dierenarts zijn vleugeltjes wel over het hoofd gezien, onder al dat wol, en vinden we Squeeze straks terug bovenop de koelkast.
Ik zal toch de lengte van zijn staart in de gaten blijven houden.




Traumaverwerking
Drie jaar geleden beklom ik een sneeuwcouloir met vier tochtenmaatjes. Twee daarvan zou ik verliezen, die vielen voor mijn ogen de diepte in.
Ik had zelf natuurlijk net zo gemakkelijk meegenomen kunnen worden door de steenlawine die het hele couloir die middag in beslag had genomen, wat de hele tijd maar niet leek te gebeuren en uiteindelijk ook niet zou gebeuren. Daardoor ging ik dus niet dood.
Niet doodgaan is iets waarmee ik nooit eerder heb moeten leren omgaan. Een confrontatie met andermans vroegtijdige dood evenmin. Twee jonge vrouwen met een toekomst zo kleurrijk en vanzelfsprekend als het mijne en dan plotseling twee lichamen, twee families om het aan uit te leggen, twee begrafenissen, twee keer de vraag waarom zij wel en ik niet.
En dan was er ook nog de verwarring die volgde toen mijn grote droom van een bestaan in en met de bergen tot zo’n groot gedeeld drama had geleid.
Afgelopen drie jaar waren bij vlagen heel ingewikkeld. Waar het leven enerzijds gewoon doorgaat, heb ik nog steeds het gevoel dat hetgeen dat binnenin mij in verandering is gezet op de dag van het ongeluk, nog steeds aan de gang is, en dat ik dus nog steeds diegene aan het worden ben die vooral niet meer diegene is die ik voor het ongeluk was. Misschien zie ik het wel onterecht als proces waar een einde aan zit. Het omgaan met die reële maar moeilijke, oneerlijke, irrationele en eindige kant van het leven, zal misschien voor altijd een wending blijven geven aan wat ik doe en wie ik word.
Wat ik echter nu pas heb geleerd en ervaren, is dat een deel van de impact en lading van het ongeluk voor mijzelf, met behulp van therapie, toch een stuk gewicht heeft kunnen verliezen. Die therapie ben ik twee maanden geleden begonnen specifiek voor mijn toekomst als berggids, om te kijken of ik om zou kunnen leren gaan met angsten in de bergen die ik sinds het ongeluk had. Met mijn psycholoog heb ik inmiddels de traumaverwerking (EMDR) afgerond en hoewel ik nog niet heb getest hoe ik in het hooggebergte functioneer, voelt het alsof er een enorme donderswolk uit het landschap van mijn dagelijks leven is verdreven.
De bergen lijken eindelijk weer, dankzij de therapie (vraag me niet hoe het kan), op de giganten waar ik in mijn jeugd verliefd op werd, waar tussen ik me zo sterk en zo natuurlijk had gevoeld. Mijn puzzelstukje valt weer op zijn plaats.
Ik heb natuurlijk eerder over therapie geschreven, maar deed er nogal lang over om werkelijk het initiatief te nemen tot het vinden van een psycholoog waarbij ik me goed voelde. Ik dacht het misschien toch zelf op te kunnen lossen (verre van), had als overlever het gevoel dat ik ook eigenlijk niet moest zeuren (ik had immers al mogen doorleven), had als alpinist bovendien de keuze voor het risico bewust gemaakt (waardoor ik ook in staat zou moeten zijn geweest om met de gevolgen van die keuze om te gaan) en was er in alpine context van overtuigd dat ik, zoals alle klimangsten, door gewoon maar ‘te doen’, eroverheen zou komen.
Misschien zag ik vooral, denk ik inmiddels, heel erg op tegen een duik terug in het moeilijkste stukje van mijn verleden.
Uiteindelijk gaven naasten me een cruciaal zetje in de rug. Daar ben ik bijzonder dankbaar voor. Zonder de therapie was ik zowel in mijn gewone als professionele leven op belangrijke vlakken gestagneerd.
Het schrijven van een soort van optimistisch verhaal over de tijd na het ongeluk komt natuurlijk altijd met het besef dat beide meisjes die tijd in zijn geheel niet meer hebben kunnen meemaken. Wat zij zelf de afgelopen drie jaar hadden kunnen doen, wie zij hadden kunnen worden, geeft duizend paden aan gedachten die moeilijk en verdrietig zijn om af te lopen. Hun familie en vrienden moeten bovendien al drie jaar lang zonder hen voort en ik geloof niet dat het gemis er makkelijker op wordt.
Ik wil deze blog daarom graag afsluiten met een gedachte aan de tijd die ze wél met ons hebben kunnen doorbrengen. Een moment voor Céline en Elise.
Te veel gedronken
Thibaults peetoom kwam op bezoek en wilde ons graag mee uit eten nemen. Omdat pizza’s in Italië vaak goedkoper en lekkerder zijn (want Italiaans), opperde Thibault om een restaurant over de grens te zoeken. Die ligt op een kwartiertje van ons dorp.
Samen met de vrouw van de peetoom stapten we in een nette rode familieauto, Thibault en ik als kinderen op de achterbank. Zo reden we de berg op en de grens over. Daar zag ik iemand vlak naast de berm met een verrekijker en tikte Thibault aan. De man richtte het apparaat op de bergflanken van de vallei van Montgenèvre, de bossen en kunstmatig ondergesneeuwde pistes in het schemerdonker. Als hij bergschoenen aan had gehad, een beige broek en een hoed, dan hadden we kunnen geloven dat hij zocht naar marmotten, een wolvenroedel of een verloren schaap. Als het mijn vader was geweest, dan had hij misschien ondanks het donker nog de lagen in het gesteente willen onderscheiden. Maar de man droeg een donkerblauwe broek en een donkerblauwe jas en zocht naar vluchtelingen.
Het was dinsdagavond en laat in het skiseizoen. De Italiaanse dorpen lagen er stil bij en pittoreske restaurantjes leken vooral te zijn opgericht in Thibaults waanbeeld van de naburige valleien in Italië. Daarom reden we door en door, tot we enigszins verward Sestrière binnenrolden, een skistation dat als een verzameling vervallen, grotendeels potdichte, verbazingwekkend lelijke appartementencomplexen op ruim 2000 meter hoogte uit de grond stak. Sneeuw lag alleen op de pistes, ook hier had de winter het afgelaten.
Zo snel als hij kon keerde de peetoom zijn auto en reden we terug langs dezelfde reeksen stille huizen, tot we een groep mannen ogenschijnlijk vastbesloten een dorp in zagen lopen en de auto vlug parkeerden. Zodoende vonden we een restaurant.
Het was toch een goed idee van Thibault geweest, want pizza in Italië, en dan vooral de verse mozzarella, en de tomatensaus, en het deeg, en de tiramisu na afloop, bleek een kleine gemotoriseerde dwaling door het buurland meer dan waard. Zelfs een uitzondering op kersverse principes.
Omdat de Italianen onze Aperol Spritzen leken te hebben gevuld met alleen Aperol en Prosecco, en zowel de vrouw van de peetoom als Thibault de eigen niet op hadden kunnen krijgen, zat ik vrolijk toch zeer slaperig achterin de auto en zag donkere bergen gestaag voorbijglijden. Vlak voor de grens deelde mijn vriendje zijn standaardgrap met zijn peetoom: ‘geen zorgen, we zijn allemaal blank. En’, voegde hij eraan toe, ‘we zitten vanavond ook nog eens in een keurige auto.’
De keurige auto werd toch tot stilstand gemaand. Net op dat moment sprong de radio op vrij luidde techno waardoor Thibault en ik naar voren moesten buigen om de agent te verstaan.
Hij vroeg aan de peetoom wat we in Italië hadden gedaan.
‘We zijn er gaan eten’, antwoordde de peetoom. Thibault voegde eraan toe dat het eten in Italië lekkerder en goedkoper was. Daar moest de agent om lachen. Ik zag vluchtig de mozzarella voor me, hoe het zachte hart bij het opensnijden naar buiten was gestroomd.
‘Hebben jullie iemand op de route gezien?’ vroeg de agent.
‘Nee’, zei de peetoom.
‘En jullie kofferbak is leeg?’
‘Ja’, zei de peetoom.
We mochten doorrijden. Ik vroeg me af hoeveel vluchtelingen je in een kofferbak zou kunnen laden. Dat hing ongetwijfeld af van hun leeftijd.
Misschien was de agent vooral op zoek geweest naar smokkelwaar of drugs, maar daar hadden we blijkbaar ook niet echt het profiel naar gehad.
‘Of we iemand op de route hadden gezien’, herhaalde ik een half uur later naast Thibault in bed. Ze refereerden dus toch naar vluchtelingen als mensen, maar dan wel mensen die ons hadden moeten opvallen. Ze hadden vast niet gewild dat we die avond alle bleke Italiaanse passanten bij hen rapporteerden, of Fransen zoals wij, die hadden gezocht naar pizza. Op welk antwoord hadden ze dan wel gehoopt?
“Ja meneer, twintig stuks.”
“Hoe zagen ze eruit?”
“Als Syriërs, meneer. Afghaans. Diep donker zwart. Fit, hoogzwanger, oud, op de schouders van papa. Gek gekleed. Bang, moe. Op slippers. Met tassen. Op zoek. Op de vlucht. Vanavond voor jullie, daarom verstoppen ze zich achter de derde prullenbak links.”
En toen stroomde alle Aperol Spritz plotseling in krokodillentranen over mijn wangen. ‘Wat is er?’, vroeg Thibault.
‘Te veel gedronken.’
En acht uur later begon een nieuwe dag.
Het uitklimmen van een 8a
Klimmen is fantastisch. Ik vind het de allerleukste sport die bestaat (naast alle andere allerleukste sporten zoals skiën, bergbeklimmen en breien).
Mijn intrinsieke motivatie is dus enorm.
Wat me echter opvalt is dat ik afgelopen jaren nauwelijks vooruit ben gegaan wat betreft mijn sportklimniveau. Ik ben beter gaan klimmen (want dat krijg je nu eenmaal met meer ervaring) maar stagneer toch in de zeventjes.
Dit jaar gaat dat veranderen. Want ik heb zin om de nadruk op het sportklimmen te leggen; zin om mijn spierbundels, discipline en doorzettingsvermogen te testen, nieuwe bewegingen en technieken te leren en mijn angstige brein uit te stoffen (nieuwsgierig naar de monsters die zich daar onder het bed verschuilen).
Hoe doe ik dat? Door een absurd hoog doel te stellen en mijn externe motivatie te vergroten.
Het doel is het uitklimmen van een 8a voordat de eerste sneeuw valt.
De externe motivatie komt in vorm van een beloningssysteem dat ik bewust met jullie deel (sociale druk) en er als volgt uit zal zien:
Na het klimmen van een … krijg ik van mezelf:
7a : Skylovers bolletjes wol van We Are Knitters om een trui te breien
7a+ : Een bosje bloemen
7b : Een tatoeage op mijn rechter bovenarm (van een piraat, ILOVEMAMA of een doodshoofd, ik twijfel nog).
7b+ : Een mooie bos bloemen
7c : Een concert in Turijn met vriendjelief
7c+ : Een enorme bos bloemen
8a : Een jurk van Reformation

De vraag is nu natuurlijk welke concrete tactiek (gevoed door mijn externe motivatie) ik precies ga hanteren om in niveau te stijgen. Ik denk zoiets: met werkelijke regelmaat klimmen, mezelf vastbijten in projecten, analyseren waar het fysiek en mentaal stokt en proberen daar oplossingen voor te vinden.
Misschien ontdek ik zodoende waar mijn limiet ligt en waarom het moeilijk is om daar bovenuit te klimmen. Of misschien ontdek ik dat een jurk van Reformation fabuleus samengaat met twee absurd gespierde schouders.
Natuurlijk zal ik jullie op de hoogte houden van mijn progressie en stagnatie.
