Latest Posts

Tocht 10: Aiguille du Moine – Contamine, Labrunie

IMGP0755.JPG

Om tien uur ’s avonds kwamen Marcel en ik terug bij het treinstation van Montenvers. Ruim twaalf uur daarvoor had ik ons nog in het treintje naar beneden zien tuffen, maar dat treintje was lang, lang vertrokken. Vijf uur te laat voor het treintje, wat een catastrofe.
Maar, ik moet zeggen dat we, zodra we achter op schema raakten dan ook maar de tijd namen. Het treintje tufte toch wel zonder ons en de zon scheen nog voor uren achtereen.

De Contamine – Labrunie route loopt over de oostzijde van Le Moine en begint met twee 6atjes die, vanwege het gewicht van de tas of gewoon omdat ze van die typische Chamonix (Contamine, Rebuffat enz.) lengtes zijn, voelen als 6b of 6c.
Over dat gewicht in van die tas gesproken: Ik heb Pezl Lynx stijgijzers, La Sportiva Nepal schoenen die onzichtbare betonnen plateauzoolen onder zich dragen en een tas die zelf aanvoelt alsof ‘ie de afgelopen zes jaar al het zweet van mijn rug heeft opgeslagen (bah). Zwaar.

IMGP0756

Alle fotocredits voor Marcel want ik had even geen passie voor de camera meer.

De eerste vertraging liepen we op nog voor die eerste twee lengtes, omdat een stel Fransozen bibberend en excuserend de spleten bezet hield. Gelukkig hervonden ze ergens hun zelfvertrouwen en gingen we als viertal gelijk op.
En toen was het gezellig. De Fransen zekerden pratend, klommen pratend en hielden lange en bijna geëmotioneerde discussies over de richting waarin ze zouden klimmen.

‘Corde tendue’ stond in de topo bij het bovenste gedeelte van de route. Ja, dáág. Een Contamine 5c aan lopend touw, zijn jullie helemaal gek geworden.
Achteraf denk ik dat we het op zijn minst hadden kunnen proberen, het is ook gewoon een kwestie van zelfvertrouwen, maar goed. Wonderbaarlijk genoeg zaten we nog binnen de limieten van de gidsjestijd, ook al hebben we lengte na lengte uit lopen zekeren. Dat betekende niet dat we dat stomme treintje zouden halen: Dan moet je snél omhoog en ook snél naar beneden.

IMGP0757

De omschrijving van de terugweg luidde een soort van als volgt: Vind de zuidzijde van Le Moine en volg de steenmannen naar beneden. In principe hoefde je geen rappels in te hangen, maar het naar beneden klauteren van een eindeloos aantal drietjes werd ons toch nu en dan te ingewikkeld. Net zoals het vinden van die steenmannen en de snelste route naar beneden. Even afdalen van de Moine zit er niet bij; niet als je de afdaling niet kent en met name niet als je eigenlijk al gewoon best moe bent (en het treintje toch wel vertrekt zonder je).
Het was een zegen om eindelijk bij de hut aan te komen.

Goed, toen zijn we op pad gegaan naar Montenvers en kwamen we rond tienen aan. Ze hebben het station van Montevers gerenoveerd (lang leve Compagnie de Mont Blanc) en zo ongeveer het enige originele element dat de renovatie heeft overleefd is dat rode treintje. Maar die was dus al vijf uur geleden vertrokken. (Er is nu wel genoeg ruimte om types als ons en de grote stroom aan andersoortige toeristen rap te voorzien van koffies en luxebroodjes mét uitzicht op de Dru vanachter een uitgestrekte muur van glas. Olé. Ik ben blij dat ik daar jaarlijks bijna 1000 euro aan bijdraag).

IMGP0761

Even terug naar de route: Die is dus wel gewoon heel mooi. De moeilijke lengtes klimmen écht en vanaf die granieten wand heb je constant fabelachtig uitzicht, zij het op de Jorasses of de Mont Blanc, de Aiguilles de Chamonix of de Mer de Glace. De Refuge Couvercle vergt wat tijd om te bereiken maar dan heb je ook wat: Het is een feest van bijzondere bergen. Een feest karakteristiek voor Chamonix.
We gingen dus met mooie herinneringen die tweede nacht in, naast de glazen wand van het nieuwe Montenvers, diep in onze slaapzakken.

IMGP0764

Ik kijk hier niet zo blij maar we hadden geen eten voor die onverwachte bivak. Eigenlijk waren we ook een lunch vergeten, ik had ons per ongeluk gerantsoeneerd op twee snickers de man voor de hele beklimming (en afdaling). 

Wat ook karakteristiek voor Chamonix werd genoemd, waren de schoenen die ik de dag daarna aanschafte. Scarpa Rebel GTX, de aller lichtste van allemaal en ook wel de minst solide van allemaal. ‘Er zijn twee typen alpinisten’, zei de verkoper van Snellsports me. ‘Degene die klimmen in Chamonix, en de rest. Hier maakt het niet uit als je schoenen kapotgaan, want hier ben je in de namiddag toch wel weer in het dal, met je biertje en verhalen en de zool die eraf ligt.’ Fragile schoenen lopen als een trein in Chamonix, misschien ook omdat de alpinisten geld genoeg hebben om regelmatig in een nieuwe schoen te investeren.
Goed, ik heb helemaal dat geld niet en ben ook niet in de namiddag terug in het dal (welk type alpinist maakt mij dat?), maar ik heb wel die schoenen gekocht. Om maar even, voor zolang als die schoenzool het houdt, met minder gewicht omhoog te kunnen.

Met vleugeltjes op naar tocht #9.

IMGP0767

De vlinder en puntkomma die eeuwig werden op een regenachtige dag in Gap

_DSC1133

Het regende in La Grave. Ondertussen regende het ook in Briançon, Gap, La Berarde en zelfs in Chamonix. En in het Zuiden, daar regende het ook.
(En in Nederland ongetwijfeld ook)
We waren zo verplicht om binnen te blijven als vroeger, op de knutseldagen. Ik kreeg een excuus om weer met bus en al bij Fieke op bezoek te gaan, Roel deed zaken, Marcel kon verder aan zijn skischoenproject en Fieke zelf vond het heerlijk om voor het eerst in maanden weer te huismussen, want al die zon had haar dag in dag het huis uit gejaagd (of verleid).

En dus zaten we allemaal achter onze boeken, laptops, gitaren en skischoen. Ik schreef aan een liedje met Fieke terwijl zij vorderde in haar boek en Marcel maakte hoog bovenin de hooischuur progressie met chemicaliën. Naast het huis graasden de babykoeien onder een hemel zwaar van wolken en donkere kleuren.

Op het hoogtepunt van creativiteit besloten we naar Gap te rijden om daar een tatoeage te laten zetten. Was het minder willekeurig geweest, dan had ik hier nooit met een vlinder op mijn arm gezeten.

_DSC1123
Het idee achter de tatoeage: Toen ik in Amsterdam studeerde zat ik vaak in de trein. Naar mijn ouders, denk ik toch, of misschien een stukje verder naar Suus of Jaap. Eens kwam er een vrouw drie hokjes verder zitten, in een supervolle trein met heel veel andere vrouwen en mannen en kinderen. Ik weet niet waarom ze zo ongelofelijk cool was, maar ze zag er precies zo uit als ik eruit wilde zien. Zoals ik niet eens wist dat ik eruit wilde zien, zo overdonderend exact zag zij eruit zoals ik eruit wilde zien.

_DSC1136
De kleren, de haren, de manier van bewegen: Niet heel hippie maar toch stiekem hippie, alles heel ongekunsteld, natuurlijk en toch zo verschrikkelijk stijlvol.

Ik heb haar toen een tijdje gadegeslagen (door de drukte was dat geen probleem) en op een gegeven moment zag ik ook de tatoeage die zij op haar arm had. Een vlinder, gewoon bovenop haar onderarm. In blokjes. Een blokjesvlinder.

_DSC1149
Ik heb nooit gedacht dat het nemen van die tatoeage de voorwaarde was om net zo cool als de vrouw te worden, maar ben die vrouw noch de tatoeage ooit vergeten.

Later heb ik hem nog eens op een groot kartonnen bord geverfd en op mijn kamer gehangen.

Om zeven uur ’s avonds zat ik voor een bendeleider die het vak in de gevangenis had geleerd en nu een vlindertje op mijn arm zou graveren. Er vooral niet te veel over nadenken.

Marcel had de vlinder een paar maanden geleden geschetst op basis van mijn herinnering en zijn eerste doodle ervan was perfect. Die doodle zal dus altijd op mijn arm blijven, dacht ik zonder te voelen (alles wat ik voelde wat dat prikkende geknabbel aan mijn arm).

Altijd, dus op al mijn sollicitaties, verjaardagen, begrafenissen en bevallingen.

_DSC1168
Fieke wilde een puntkomma laten zetten. Ze hoefde de symboliek erachter niet uit te leggen, niet eens de functie van een puntkomma in een zin, maar nadat de bendeleider willekeurige patronen op haar enkel had getekend moest ze toch wel even omschrijven hoe een puntkomma er dan precies uitzag. Toen tekende hij een puntkomma met de staart de verkeerde kant op. Het ging goed toen Fieke haar smartphone met een foto van een puntkomma naast haar enkel legde. In de gevangenis hadden ze geleerd hoe ze elkaar met casettebandjes en naalden vol konden tekenen, buiten deze praktijk om hadden ze misschien niet zoveel tijd over gehad om te lezen of te schrijven. (Ik moet oppassen met dit soort opmerkingen want gegarandeerd zitten er taalfouten in dit stuk. Die puntkomma interesseert die man geen zier, maar mij wel.)

Een vlinder en puntkomma rijker kwamen we ’s avonds terug in het huis, nog steeds onder die zware wolkenhemel, en toen ging het leven gewoon door. We aten taco’s met de vlinder en puntkomma, keken daarna een film met de vlinder en puntkomma en vielen ’s nachts in slaap met de vlinder en puntkomma.

Driemaal raden wat er de volgende morgen nog steeds op ons lichaam stond getatoeëerd.

_DSC1164

Tocht 11: Traversée de Râteau

Camp-to-camp houdt zich vrij stil over deze traverse en in het best climbs topogidsje staat ‘ie niet eens omschreven. Tijdens mijn C3 cursus beklommen we beide toppen van de Râteau en ik kan me vaag herinneren dat de gids zei dat de traverse tussen de toppen uiterst ongemakkelijk was (en eigenlijk alleen werd gedaan door mensen die de lijst willen aftikken).
Had ik maar geluisterd.
In een waas van verstandsverbijstering besloten Marcel en ik om 11 uur ’s avonds omhoog te lopen. Vanuit La Grave (1450) naar de top van het liftstation onder Glacier de la Girose (3200, 04:00), naar de west-top (3750, 06:00), naar de oost-top (3800, 12:00), via de graat naar beneden naar de Glacier de la Selle (3100, 02:00) en weer naar boven naar de Col de la Girose (3500, 16:00) om het laatste liftje te zien vertrekken terug bij het liftstation (3200, tijd om fysiek en mentaal het loodje te leggen).

Vlak boven de col op de heenweg, toen de zon langzaam op kwam en we het grootste hoogteverschil hadden overbrugd, zakten we stap voor stap een halve meter in de sneeuw. De uitputtingsslag was voor beide plotseling zo groot dat we ons alleen nog even naar de top zouden slepen. Daarna naar beneden. Liftje en thuis. Maar toen stonden we daar op top Oost, perfect op schema, een zon die echt pas net kwam kijken, de graat die zo binnen handbereik lag, dat we dachten, tsjah, die uitputting.

Het duurde niet lang voordat we begrepen waarom deze graat niet jubelend in de boekjes staat. Ik moest af en toe denken aan voetjes van de vloer, van vaste rots naar vaste rots en dan maar hopen dat die dan wel écht vast zaten. Formaat magnetron trapten we per ongeluk naar beneden. Niet zelden dacht ik: als ik van deze graat kom dan heb ik geluk.
De graat is niet lang (en toch langer dan je denkt) maar op internet wordt er desondanks zes à zeven uur voor gegeven. Hoezo – dacht ik op voorhand. Maar je moet dus elk stukje rost dat je gewicht zal dragen héél zorgvuldig controleren. Alles waar je op staat en alles wat je met je hand vastpakt. Alles.
En daarbij verdwaal je ongeveer elke gendarme omdat er dertig meer zijn dan omschreven. We hebben uiteindelijk de omschrijving naast ons neergelegd en voortdurend gezocht naar de makkelijkste weg. Dan koekeloer je om het hoekje, zie je dat het niet daar is en koekeloer je weer om een ander hoekje. Op zich is dat best leuk, als die vervloekte rotsen vast hadden gezeten.

Ik geloof dat de vermoeidheid op top Oost meer het gevolg was van de voortdurende blootstelling dan van de 2450 hoogtemeters die we inmiddels hadden afgelegd.

IMGP0751

De Oost-zijde van mijn billen en de West-top van de Râteau

Toen stond plotseling alles in het teken van liftje-halen. De graat na top Oost was veel langer dan ik me herinnerde van de C3-cursus en de graat in de afdaling naar de gletsjer was ik integraal vergeten. Het leek bijna niet waar dat we ook nog een sneeuwcouloir omhoog moesten buffelen, ik dacht niet dat we daartoe nog in staat waren. Toch stonden we om 1700 uur bij het liftstation. Nat van de zompige sneeuw. Ik was zo moe dat ik niet eens kon janken om de vertrokken laatste lift (al denk ik dat ik, als ik eenmaal was begonnen, nooit meer zou hebben gestopt).
We vonden een houten hutje. Dat er een bed of iets van comfort ontbrak deerde niet, naar beneden lopen was geen optie meer. De vermoeidheid was toegelaten en nagelde ons aan de grond.

‘De croissantjes in het dal zijn goed’, zei de liftmevrouw ons de volgende ochtend. Uitgelaten zagen de wereld omhoog glijden. De ochtend in het dal van La grave was te warm voor onze donsjassen en bergschoenen. In thermokleding stonden we vervolgens croissantjes te bestellen.

Nu ik ben bijgeslapen heb ik een soort van lelijkerts-onder-de-graatjes-mogen-er-ook-wezen-complex. We hebben veel geleerd en ladieda en de dag was mooi. Maar eigenlijk is het gewoon niet zo cool als alles los zit. Als dat de hoofdmoot van de uitdaging is, dan teken ik er liever niet voor, dat is gewoon echt een stomme manier om het te verpesten.
Ik denk dat ik ook niet meer zo heel snel even vanuit het dal omhoogloop, maar ik heb het idee dat je nu en dan zo’n frats moet uithalen om het weer voor een tijdje naast je neer te leggen. Misschien (hopelijk) denk ik pas volgende zomer weer, ‘goh, waarom beginnen we niet gewoon vanavond?’

IMGP0749

Deze graat ziet er niet heftig uit. Maar dat is ‘ie wel. 

Tocht 12: Arête de Sialouze

IMGP0737 (2)

Tocht twaalf verliep zo vlekkeloos dat ik geen idee heb hoe ik jullie aandacht bij dit verslag houd of verleidt om dezelfde route in te stappen. Als je denkt aan een héle mooie graat, niet te lang, die prima af te zekeren valt en (zoals het hoort) goud kleurt in het zonnetje, dan zit je wel op de Sialouze (en die naam, Siiaaloouuuze, zo aantrekkelijk).

Mijn moeder suggereerde een keertje dat ik absurde voorvallen door mijn verslagen kon weven. Halverwege een abseil van 25 meter zag ik dat de breche tussen de eerste en de tweede gendarme vol knalrode krabben lag. Gelukkig konden we via een hoger gelegen rotsblok alsnog de tweede gendarme bereiken. De huttenwaard zei ons later dat half juli die krabben normaal gesproken wel naar de zee vertrekken. Ik had op camp-to-camp echter gelezen dat ze eind mei al weg zouden zijn, maar goed, ze liggen daar nog gewoon, tussen R7 en R8, er schijnt overigens ook de optie te zijn om rechts langs ze te traverseren (maar daar liggen soms kwallen).

De bergen zijn onvoorspelbaar.

IMGP0739
IMGP0734 (2)

Twaalf tochten

Als je in Frankrijk een berggids wilt worden en deel wilt nemen aan het toelatingsexamen, dan moet je eerst een lijst van veertig tochten voltooien. Die gaan op ski’s, of over graatjes, rots of ijs. Midden januari lever je de lijst in en dan buigen zich daar een aantal ernstige alpinisten over.
Twee maanden later zit je tegenover hen en zeggen ze: Goh, vertel eens, hoe ben jij precies 13 februari 2015 van die berg afgedaald? – of zoiets.
Als ze na een ondervraging van dertig minuten hebben vastgesteld dat je een alpinist bent die weet waar die mee bezig is (of dat in elk geval zo kan laten overkomen), dan mag je de volgende dag naar het ski-examen.

Dus is het hoog tijd om die lijst in elkaar te knutselen. Omdat ik er stiekem vorig jaar al mee bezig was, staan me deze zomer nog twaalf tochten te wachten. Ze zijn wel specifiek; het liefst willen ze dat je een beetje verdwaalt op lange graten en een beetje angstzweet in moeilijk af te zekeren passages.
Komende weken zal ik me tussen Oisans, Chamonix en de Pyreneeën bewegen om tocht voor tocht af te strepen, te beginnen met tocht 12: Arête de Sialouze en tocht 11: Traversée de Râteau.
En daarna, daarna beginnen we aan het normale leven.

Totdat de eerste sneeuw valt en ik moet leren skiën.

Deze kikker begrijpt er helemaal niets van

_DSC1024

Ik vroeg God om een licht zieltje gisteravond en hij heeft me er een gegeven. Zo licht dat ik er niet eens moeilijk over hoef te doen dat het God was die me heeft geholpen, want ik denk nog steeds niet dat hij bestaat.
Ik opende mijn ogen en voelde het meteen. ‘Slaap er maar een nachtje over’ had alles verandert. Plotseling stond de bus naast de rivier geparkeerd en schitterde de zon in het wilde water. Het gebrul van de stroming werd nu en dan zachtjes overstemd door vogelgefluit en krekelgetjirp. Op de houten tafel stonden de bloemen die ik gister had geplukt en in een jampot in het water van de rivier had gestoken. Het lange gras danste in de wind, en de takken van de dennenbomen, en de bloemen in de jampot en mijn haren. Zelfs de stenen bergen dansten een beetje op hun achtergrond.
Het kampvuur van gister lag er stil bij. Zo levendig als de vlammen zware gedachten bij me hadden aangewakkerd, zo dood was het nu.
Vlak voor het naar bed gaan had ik de angst gehad om ’s ochtends gewoon weer verder te denken waar ik was gebleven. Daarom zei ik hardop, godverdorie, kan het niet wat lichter allemaal. Eens was ik de koningin van het huppelen door de alpenweide, nu was ik de chagrijnige kikker die maar niet in een prins kon veranderen en daar ook helemaal niets van begreep. Daarom zei ik hardop, mijn God, kunt u deze kikker niet weer zo’n licht zieltje geven?
Slaap er maar een nachtje over, zei ik vervolgens tegen me zelf.
En kijk eens waar ik wakker ben geworden.

_DSC1004
_DSC0977
_DSC1054

Céüse

Van veraf is het echt niet zo duidelijk, de waanzin van de rotsen van Céüse. Kom maar eens dichterbij. Dan weet je niet meer wat je ziet; niet wat zich boven je uittorent nog wat goud kleurt onder de avondzon in de uitgestrekte vallei achter je.
Waar die klimmers in de lange, gladde overhang een weg naar boven vinden? – daarvoor moet je een ster zijn. En die zie je daar dan ook. Gebruinde Catalaanse sterren met één lange dreadlock langs hun dunne, gespierde rug, lokale Franse sterren uit het nabijgelegen Gap, luide Britse sterren met hun bleke, robuuste lichamen en zelfs een jonge Nederlandse ster die ook gewoon klimt in Klimmuur Centraal.
Super inspirerend.

_DSC0913

’s Avonds komen Marcel en ik aan tussen de busjes op de parkeerplaats. Het gekwebbel van de nederzetting vindt de volgende morgen een weg door ons open raam. Ik stap de schuifdeur uit en de zon in. De buurman mediteert op zijn CrashPad. Daarnaast hebben ze een waslijn uitgehangen, vrolijk gekleurde klimkleren in een glimlach tussen de bomen. In de verte zitten klimmers in een rondje op uitklapstoeltjes. De achterklep van een bus staat open, ik zie twee hoofdjes onder de dekens uitsteken, het ene slaapt nog, het andere leest een boek.
Ze doen hun afwas naast het waterkraantje en wassen daar ook hun kleren, zelfs zichzelf. Het is als een camping voor bijzonder afgetrainde vakantiegangers, al is kamperen verboden en heeft iedereen zijn eigen huis meegenomen.

_DSC0920

Geïnformeerd over de lengte van de aanloop én de lengte van de haakafstanden lopen we in volle middaghitte omhoog naar de rotsen. Een klein paadje dat zigzagt tussen de dikke, lichtgroene begroeiing verhindert ons om de rotsen te zien. Vlinders schieten voor onze voeten uit. Als we na een dik uur aankomen zijn we niet alleen hongerig en moe, maar ook onder de indruk. En misschien een beetje bang.
Met een nog bezwete rug klimmen we routes in een relatief eenvoudige sector. Hier zijn we tussen de stervelingen, de zesjesklimmers en topropers die zich net zo hard frustreren als de sterren in hun magische pogingen. Het is een gezellige bende onderaan de rots, koekjes worden uitgedeeld en contacten gelegd, zo’n zes verschillende talen die soms onverwacht gemeenschappelijk blijken.
Dan bewegen we ons iets naar links en beginnen we voorzichtig aan de zeventjes.
Haakafstanden.
Oh Mijn God.
Ik vind mezelf opeens in een cruxpas met de voetjes meer dan een meter boven de haak. Moet je mij hebben? Ik?
Dat klinkt niet zoveel hè, een meter, maar als je daar niet aan gewend bent dan groeit die meter in je hoofd uit tot zeven meter (maakt een veertienmeter lange val plus touwrek maakt dat je zeker een minuut lang zal vliegen en Céüse in tweeën splitst bij je landing).

_DSC0926

Als de zon op de rug schijnt is het bloedheet, maar zodra die de bocht om verdwijnt is het steenkoud. Plotseling verschijnen de donsjassen en lange broeken, mutsen en zelfs handschoenen. Gelukkig had Fieke ons gewaarschuwd en kunnen wij ook in een donsjas kruipen.
In die donsjas bewegen we ons naar de overhang en slaan we schaamteloos de sterren gade. Hop, daar vallen ze meters uit de lucht, meestal met een schreeuw. Met open mond zie ik ze dan weer een poging wagen en hoe dan plakken zij aan de rots? Wat zit er op die vingertoppen? Ik heb een beetje het gevoel alsof ik het stadium van Ajax in ben gesneakt en stiekem een training bijwoon. Vervolgens land zo’n speler, kan ik er gewoon tegen babbelen en denk ik: Wouw, mijn sport is supercool. Mag ik een handtekening?
De weg naar beneden is niet eens vervelend, want de zonsondergang kleurt de lucht roze en de bergen goud.

_DSC0940

De volgende dag geeft precies hetzelfde ritueel, al is mijn lichaam vermoeider maar mijn geest iets sterker. We vinden een route met fatsoenlijke haakafstanden waarin we vrolijk naar beneden donderen. De gezelligheid wordt voortgezet in de eenvoudige sector, de sterren klimmen weer in de overhang, als de zon wegtrekt is het steenkoud en de zonsondergang is wederom adembenemend.
We nemen afscheid van de kleine samenleving omdat onze vingers inmiddels futloos aan onze handen hangen (en onze handen futloos aan onze armen en onze armen futloos aan ons lichaam).

_DSC0927

De laatste dag lopen we een nabijgelegen berg op en zien we Céüse van een afstandje – maar dichtbij. De klimmertjes zijn te klein om van de kolossale rotsen te onderscheiden, maar wij weten precies wat daar gaande is. Vanaf hier lijkt het nog imposanter, Ceüse is werkelijk waar ongelofelijk mooi, een beetje te groot om waar te zijn.
Maar écht, het bestaat.
En je moet er echt een keertje heen.

_DSC0911_DSC0919

Een Fiekje in het water

Ik ben bij Fieke op bezoek. Het landhuis staat nog steeds midden in een droom, van de jonge koeien die aan de overkant mee koekeloeren tot de houten vloer en de lampenkappen van de woonkamer. Fieke verbaasd me als ze me komt begroeten. Daar nadert een volwassen vrouw. Ik kan er niet eens de vinger op leggen wat er precies veranderd is, zij zegt dat ik ook veranderd ben maar weet niet precies waarom.

In de loop der dagen raak ik meer en meer van haar onder de indruk (gegeven dat ze al jaren geleden mijn held bij uitstek was, zegt dat veel). Haar gloednieuwe rode vervoersmiddel, een retro Jumpy die zo cool is als die Volkswagenbusjes, staat rustig voor het huis, Fiek zit rustig op de Yogamat, de appels en kiwi’s liggen rustig in de fruitmand. Buiten zie ik hoe de eerste groentes boven de oppervlakte van haar groentetuin uitschieten. Ze ratelt Frans alsof ze drie jaar eerder dan ik is geëmigreerd. Alhoewel ze net een nieuwe baan heeft heb ik niet de indruk dat er veel door de war is geschopt, juist het tegenover gestelde, het lijkt op avontuur waarvoor ze al jaren is uitgerust. Verpleegkundige in Frankrijk? – Check.

Trots laat ze mij en Marcel de rotswanden van haar omgeving zien. Ze kent de routes en niet alleen dat, ze klimt de routes, ongeacht haakafstanden of niveaus. Haar korte blonde haar houdt ze uit het gezicht door een Frans hoedje terwijl ze op de kop in de overhang van een 7b hangt. Haar lange dunne benen helpen haar in de spagaat door technische pasjes. Ze is zó sterk. Ik sta verbijsterd.

Ze laat ons pizza’s proeven van de pizzabus die circuleert tussen de dorpen en brengt ons naar het meertje als de zon al achter de bergen is gezakt. Het is inmiddels te koud om te zwemmen. In de bus van Marcel, uit de wind, proberen we sigaretjes te draaien. Alleen Marcel heeft het juiste kunstzinnige verleden om daar succesvol in te zijn.
Ondanks de biertjes die we drinken en deze occasionele sigaretjes leef ik gezonder dan de afgelopen maanden. Het Fiekeregiem, zeg ik de hele tijd, waar ze het geloof ik niet mee eens is. Het natuurlijke bergleven (zonder toegevoegde suikers) is haar gewoon, maar ik blijf onder de indruk.
Dat ze blij is met haar omgeving steekt ze niet onder banken of stoelen. Vol lof spreekt ze over de dagen vol zon, de verschillende valleien, de klimmogelijkheden, de mensen die inmiddels vrienden zijn geworden. Een visje in het water.

We praten en praten en praten. Ik realiseer me hoeveel ik haar mis en hoezeer ik haar dichtbij me in de toekomst wil hebben.
En die mogelijkheid is er gewoon.
Een beetje geduld en een beetje daadkracht, misschien niet dit landhuis maar een ander, met net zulke geinige jonge koeien aan de overkant, is het mogelijk? Ligt het in onze eigen hand?

_DSC0894

Dit zijn dus écht, stuk voor stuk, hele leuke koeien, en het ontbreekt me even aan een recente foto van Fiekje (in het water).

Wie wilt mijn brein?

Ik heb een goed brein dat ik graag even zou willen ruilen. Een beetje zoals Jouw vrouw, mijn vrouw, maar dan wisselen we van geest. Want weet je, ik ben mijn eigen gedachtegangen zat en een boek of creatieve levenswending is even niet afdoende. Ik zou graag een ander schouwspel daarboven willen zien, andere kleuren en dimensies, een nieuw behang, het jouwe. Wat het me ook brengt, licht of duister, diepte of oppervlakte, zolang het maar anders is.
Want weet je, daarna zal ik vast het mijne weer wat meer waarderen.
Zoals die vrouw die je inruilt bij Jouw vrouw, mijn vrouw.
Daar blijk je dan toch, na al die jaren van routine en alle mystiek allang overleden, best goed mee samen te kunnen leven.

Op. Af. Op. Af.

De wegen van Chamonix brengen me geen vrijheid meer, geen ontdekking of avontuur, maar het benauwde idee dat ik hun richting moet volgen. Ik voel het als Marcel me in de bus door de vallei rijdt, en op de fiets, en te voet.
Het is genoeg geweest.
Chamonix verlaat je niet zomaar. De winterplannen liggen al klaar: Zonder twijfel Chamonix, met haar toegankelijke afdalingen en meesterlijke bergen om de hoek. Maar het idee om nog een zomer tussen al die trailrunners en dure zonnebrillen mijn weg te vinden, spreekt me niet aan.

Wat dan wel?
Nog altijd ligt daar het Écrins plan, waar de beesten door de vallei lopen en de mensen Frans spreken, waar ik ben opgegroeid als alpinist en trots met mijn beste vriendinnetjes op de top van de Barre stond, waar hippies en bloemen uit de grond schieten en Marmotten je vriendelijk komen begroeten (lelijke dikzakken die gewend zijn aan de toeristen).

Maar om eerlijk te zijn… trekt Chamonix noch Des Écrins me. Noch de andere alpenlanden, noch Spanje, noch Nederland.
Weet je waar ik zin in heb?
In verandering. In een wervelwind door mijn hersenpan en een stempel in mijn paspoort die me voor het eerst buiten Europa brengt (oh God, denkt mijn moeder nu). Ik wil nieuwe dromen, een nieuw decor voor mijn fantasie, een weg uit mijn zelfobsessie. Ik zou me graag weer eens willen verbazen om de gedachten die opborrelen in mijn hoofd. Ik ben mezelf zat en de uitdaging die mijn dagen brengen net zozeer.

Misschien is het afdoende om een goed boek te lezen.
Misschien moet ik een ticket boeken naar Nepal.

De realiteit is dat ik een deal met mezelf heb gesloten en mijn ratio me verplicht om me voor te bereiden voor het gidsenexamen. Juist dit soort momenten geven betekenis aan het woord commitment (kan ik dat nou echt niet vertalen? You have to commit, schiet het steeds door mijn hoofd).
De kans is daarbij groot dat ik het grote avontuur – reizen, ontdekking – romantiseer. Wie zegt dat ik mijn gedachtenpatroon doorbreek als ik mezelf in Zuid-Amerika neerzet? Het is mijn gedachtenpatroon zelf dat me verleid daarheen te gaan. Zitten onder de palmbomen die al bestaan in mijn fantasie, kijken in de bruine kinderogen die ik ken van Google Afbeeldingen, struinen tussen de voeten van Westerse backpackers die een paar maanden later door het gras van Vondelpark Amsterdam lopen…

Dat is niet waar. Reizen zou veel met me doen, dat weet ik zeker. Gevaarlijk veel.
Juist daarom komt de timing van deze plotselinge drang me slecht uit. Mijn willekeurige en allesomvattende bergliefde komt me doorgaans goed uit, want dat geeft mijn leven betekenis en richting. Ik zit niet te wachten op een bestaanscrisis.

Toch komt dat hele berg-op berg-af me even volledig mijn trot uit.
Op.
Af.
Op.
Af.
Commitment, Ruby. Commitment.

Ik heb om precies te zijn nog dertien tochten te maken, een deel in de rotsen, een deel over graatjes en een deel in sneeuwig terrein. Dat kinkt weinig, maar ze zijn vrij specifiek. Het weer moet meezitten en niet te vergeten het fysiek en het mentaal.
Voordat ik met de Vondelparkvoetjes het vliegtuig instap verplicht ik mezelf deze lijst af te ronden. Nee, dat is geen straf, dat is immers wat ik het liefste doe (echt waar, ik heb alleen nu even een dipje. En vergeleken bij de andere opties, serieuze baan, studie, etc. is het een paradijs).

Ik ben nog steeds een bergmonster en loop nog steeds het risico om als een rotsblok aan de ketens te vergroeien zonder ooit een stap buiten Europa te hebben gezet.
Maar het kriebelt ontegenzeggelijk.
Nu eerst maar eens Chamonix achter me laten, een goed boek uit de kast trekken en zien of dat helpt.