Latest Posts

Rescue Spray

Ik kan me werkelijk niet voorstellen dat ik straks in een auto op stap kan zonder Evelyn en haar drietal extra pedalen aan mijn rechterkant. Toch heeft de inspecteur eindelijk geoordeeld dat ik kan rijden. Dat kostte me in totaal drie examens, 2500 euro en een bezoek aan de apotheek, waar ze me op aanraden van mijn rijinstructrice een potje rescue spray verkochten, omdat ik telkens zo zenuwachtig werd dat mijn voeten van de pedalen trilden. Mijn huisgenoten hadden een expositie van knoflook en Mariabeelden op het dashboard van de examenauto gesuggereerd, maar inspecteurs hebben weinig verbeelding en inlevingsvermogen. Rescue spray was subtiel en loodste me stiekem door het examen (het smaakte naar whisky, misschien was het wel whisky)

Had ik mijn rijbewijs maar gehaald toen ik achttien was. Dan was ik nu een coureur geweest, met acht jaar ervaring, en ging ik gedachteloos met de auto op stap, zoals alle andere mensen. Komende twee jaar blijf ik waarschijnlijk afhankelijk van mijn rescue spray om me door het verkeer van deze wereld te loodsen.

Hoe dan ook, rijexamen hoef ik vanaf nu niet meer te doen. Deze kan ik afstrepen.

Millie Meditatie

Het huis is stil tot acht in de ochtend. Het enige geluid komt van buiten, door het open raam. Vogeltjes die zachtjes muziek maken.

Dan is er een periode van relatieve rust: Een viertal huisgenoten die om de beurt hun slaap onderbreken om over de krakende vloeren te lopen, hun piepende deuren te openen en heen en weer naar het toilet te sloffen.

Rond elven wordt er ergens in een slaapkamer Drum and Bass opgezet en is de dag officieel begonnen.

Als ik wil mediteren, dan is de vroege morgen mijn gouden tijdperk. De morgen met de vogeltjes.

Ik ben er nog niet zo goed in. Vandaag word ik afgeleid door een scherpe wietlucht die schijnbaar door mijn open deur de slaapkamer instroomt. Het is negen uur; ik ben te laat begonnen. Millie springt van het bed van een huisgenoot en springt dan op het mijne. Ze likt mijn handen die rusten op mijn knieën. Ik hoor getik van ongeduldige kleine hondennagels op de gang; dat is Cookie. De geur van mannendeodorant volgt. Dan schrijf ik dit verhaal, in mijn meditatie. Ik probeer het niet te doen, maar ik ben lang nog niet geoefend genoeg om inspiratie uit te stellen tot na de meditatie.

Ik denk aan de krakende vloeren van het huis. En dan weer niet. Ik denk aan mijn drugsverslaafde huisgenoten. En dan weer niet. Ik denk aan Millie’s tong. En dan weer niet. Ik denk aan de minieme progressie in mijn mediteren. En dan weer niet.

De praktijk van het mediteren – zitten met gekruiste benen, ogen dicht, concentreren op de ademhaling, niet denken, niet wachten op het alarm – is voor mij nog steeds erg moeilijk. Zelfs in absolute stilte is de afleiding groot. In dit stadium maakt het eigenlijk nog niet zoveel uit of een likkende hond of een willekeurige gedachte me afleidt. Beiden eisen evenveel aandacht op.

Maar het leuke of interessante (voor mijzelf) is dit: Wanneer ik mijn benen strek, is de oefening nog lang niet over. Gedurende de dag, op willekeurige momenten, word ik me bewust van mijn denken, van al die onzinnige maar invloedrijke gedachten die zich in mijn hoofd aandienen, en dan lukt het me om, al is het maar voor een ademhaling of drie, ze te laten gaan.

En wat ik me dwars door mijn gebrekkige capaciteit tot meditatie realiseer, is hoe groot het potentieel van dit alles is. Want alleen al de bewustwording van de stroom aan gedachten werkt bevrijdend. Het creëert talloze kleine keuzemomenten – is dit het denken waard of niet – waardoor ik me steeds minder hoef te laten leiden door mijn eigen brein. Zelfs in dit stadium van amateurboeddhisme bespaar ik daar al aandacht, energie en emoties mee.

Het is overigens waanzin dat je dit niet leert op school.

Millie, Cookie en mijn huisgenoten zijn allen grappige wezens die ik daarom niet zou willen ruilen voor normale mensen. Meditatie is nu eenmaal moeilijk, en als ik slim ben, sta ik gewoon nog een uurtje vroeger op.

Na het seizoen zal ik een tiendaagse Vipassana cursus volgen, urenlang met gekruiste benen en gesloten ogen in een uithoek in Frankrijk, en de kans dat een wietlucht of een opgewonden Millie het tot in de meditatieruimte brengen acht ik erg klein. Officieel mogen mijn gedachten niet eens mee naar binnen, maar ik geloof dat ik de hulp van een zenmeester nodig heb om dat te voorkomen.

In de steigers

Goed nieuws: Ik heb eindelijk een Nederlandse spellingcorrectie op mijn laptop kunnen installeren, waardoor het aantal spelfouten in mijn blogs misschien weer wat daalt (geen idee hoe weerzinwekkend de situatie was). Met een beetje geluk spreken we hier over de nieuwste versie van het correctieprogramma, waardoor ik er eventueel zelfs op vooruit ga. Helaas ben ik pas gered wanneer het taalgedeelte van het brein van een van mijn ouders – moeder: basisschoollerares, vader: leesmonster en sinterklaasdichter – beschikbaar is in onlineversie.

Met mijn nieuwe spellingcorrector in aanslag hoop ik dat de wereld zich weer vol veelbelovende verhalen vertoond, want mijn inspiratieniveau van het afgelopen half jaar lag ergens onder mijn bed. Ik heb gedacht aan flamingo’s, detectives, eenhoorns, marathonrenners, drugsgebruikers, monsters, alpinisten en de liefde, maar niets overleefde de eerste paar regels. Misschien (dit is een theorie) omdat mijn brein tijdelijk (?) in de steigers staat en het productieproces buiten mijn weten om is stilgelegd. Dan zou ik toch even met de projectleider in overleg moeten en kijken of er weer schot in de zaak kan komen.

_DSC0228

Je vraagt je misschien af: Waarom die flamingo? Dit is de inspiratieflamingo. Met drie belangrijke bestemmingen: Lac du Passy, top van de Mont Blanc én de zee (onze zee, Zandvoort). 

_DSC0231

Hibou

Een Hibou is een uil, maar dan in het Frans. Het is ook de naam van het eettentje waar ik tegenwoordig in werk. Een miniscuul afhaalrestaurant waar de uilen overal stilzitten: Op schilderijen, theedoeken, vazen, servetten, kunstobjecten, enzovoort. Het klinkt ouderwets, maar Hibou is allesbehalve. Het is een lichte, zonnige, vrolijke hipsterplek waar ze curry’s, wraps en salades verkopen. Ik sta achter de toonbank en moet van alles weten of het vegan, vegetarisch, glutenvrij of lactosevrij is. Er is een schaal van heetheid (aantal pepertjes) en zoveel keuzeopties dat nieuwe klanten vaak tien minuten naar het menu staren voordat ze vertwijfeld om een aanbeveling vragen. ‘Geen idee, mevrouw’, zeg ik dan, want ik eet doorgaans witbrood met nutella.

Omdat het nog redelijk rustig is, laten ze me helpen in de keuken. Ik heb wortels geraspt en rondjes uit deeg gesneden, die in muffin- en quichevorm in de vitrine kwamen te liggen. Niemand weet dat ik het doodeng vind om betrokken te worden bij het kookproces en ik doe nog steeds alsof ik alles onder controle heb. Gisteren moest ik citroendressing over een salade gieten, die onverwacht zo zuur werd dat ik de hele dag hoopte dat niemand die salade zou bestellen (of haar vér van Hibou zouden opeten).

Diep in mijn hart mis ik de dronken chaos van een bar zoals Chambre Neuf, waar klanten voor binnenkomst al schreeuwen wat ze willen (beer) en zich achteloos verdrinken in de gluten. Maar voor mijn eigen gezondheid is Hibou geen slecht idee. Ik werk normale tijden met normale mensen en eet zoveel groenten dat er kleine paprika’s uit mijn paardenstaart piepen. De basis voor een gestructureerd en bewust bestaan is gelegd. Nu kan ik me concentreren op belangrijke dingen.

Stil op een matje

Ik kan me het moment nog precies herinneren dat ik me voor het eerst bewust werd van mijn eigen denken. Mijn moeder en ik fietsten over de Wagenweg, weg van Haarlem, en ik was een jaar of tien. Fanatiek dagboekschrijver. En opeens, daar, tussen het trottoir en mijn moeder in, op een snelheid van zo’n vijf kilometer per uur, realiseerde ik me dat ik aan het denken was. Dat denken een soort activiteit was, in plaats van iets dat maar gewoon gebeurde. Ik kroop als het ware voor het eerst in mijn eigen hoofd en kan me eigenlijk niet meer herinneren of ik mijn ontdekking meteen naar mijn moeder heb gecommuniceerd of er pas later, in mijn dagboek, met verbazing over heb gesproken. Hoe dan ook, het was een merkwaardig moment.

Sindsdien was ik dus een denker. Een uitpluizer van mijn gedachten. Mijn brein werd de leverancier van het geheime gereedschap dat me hielp om met het leven om te gaan (oh die puberjaren). Ik schreef alles uit, was er van overtuigd dat er geen probleem was dat niet al denkend – schrijvend – opgelost kon worden, zelfs toen ik erachter kwam dat mijn eigen denken vaak het probleem was. Of juist toen ik erachter kwam dat mijn eigen denken vaak het probleem was. Dan kon het dus ook door mijn eigen hoofd opgelost worden.

Vanwege mijn denken heb ik mezelf altijd sterk geacht. Ik vond mezelf niet geniaal, niet eens zo filosofisch, maar ik had altijd de middelen om met emoties of situaties om te gaan. Alles viel direct ten prooi aan mijn ratiomonsters (ratiomonsters: bewoners van mijn brein die specifiek zijn getraind op hun relativerend vermogen). Met hen aan mijn zijde was ik tegen de wereld opgewassen.

Maar. Maar, maar, maar. De laatste tijd ben ik niet zo’n groot fan van mijn eigen denken meer. Het is een hardnekkig stuk vreten, als ik heel eerlijk ben. Het gaat namelijk in cirkels. Het produceert onzin. Het leert maar moeizaam. Het is conservatief; wil niet veranderen, niet écht, liever niet. Het is een gewoontedier. Het luistert beter naar de samenleving dan naar mij. De ratiomonsters doen hun werk wel, maar het systeem waarin ze functioneren is veel te chaotisch. Het creëert of houdt in stand de shit die het zelf moet oplossen. Ik ben 26 jaar, en denk dus al 16 jaar lang. Je zou zeggen dat ik inmiddels een meester ben in het beheren van mijn gedachtenprocessen. Maar nee, ik ben er de slaaf van. Mijn denken legt zich aan me op, verspilt mijn tijd en energie. Er is geen ontsnappen aan.

Het is tijd voor de volgende stap. Toen ik tien jaar oud was en met mijn moeder over de Wagenweg fietste, kroop ik onverwacht in mijn eigen hoofd (geen idee waar ik daarvoor precies was) en leerde vervolgens de kracht van mijn denken kennen. Nu wil ik eruit. Of op zijn minst de mogelijkheid hebben om de wereld te ervaren zonder dat mijn hoofd er eerst mee aan de haal gaat. Om af en toe niet te denken. En dat is moeilijk. Dat is iets dat ik eigenlijk al jaren wil, maar waar ik nu pas klaar voor ben.

Gelukkig ben ik niet de eerste die is begonnen met denken en er inmiddels klaar mee is. We hebben Christophe André, Suzuki, Ilgner (voor de klimpraktijk), Vipassana kampen, eeuwenoude wijsheid en een grote achtertuin waar ik in alle stilte naar de vogeltjes kan luisteren. Er is genoeg hulp, fantastische boeken en een buitenwereld met bergen. Ik ben gemotiveerd en ik doe mijn best; het voelt als het volgende grote avontuur van mijn leven. Maar dan stil op een matje. Ademen. Gedachteloos.

_DSC0223

Ik mag op het hoekje.

Lampionnen

_DSC0212

Normaal gesproken word ik wakker naast mijn pluchen aap (Monkey) en de Catalaan, maar Marcel is zo druk met de CRET dat Monkey en ik bijna zijn vergeten hoe het is om naast een mens te slapen. Het is desondanks dringen in bed: De helft van het oppervlakte zijn we tegenwoordig kwijt aan mijn nieuwe elektrische piano en de andere helft delen we met Cookie (mannetje) en Millie (vrouwtje), twee kortharige, kortpotige honden.

Ik heb een kamer gevonden in een oud chalet in Gaillands, vlak bij het centrum van Chamonix, waar een stel Britten, Cookie en Millie al jaren van seizoen naar seizoen leven. In de achtertuin staat een grote kersenboom die al haar kersen veel te hoog heeft hangen, waardoor je ze eigenlijk niet kunt eten, tenzij je eronder gaat staan en wacht. Mijn nieuwe huisgenootje heeft er vorige zomer van die kleine gekleurde lampionnen ingehangen. Zijzelf heeft blauwe ogen en blonde haren en lijkt een beetje op een elf, maar een speciaal soort elf, met piercings en tattoo’s en plannen om na de zomer naar Burningman te gaan.

Ze hebben in huis maar één regel: Blowen mag binnen, maar roken doe je altijd buiten.

Ik voel me erg op mijn gemak. Mijn kledingkast is groot genoeg voor al mijn kleren, die inmiddels netjes aan klerenhangers hangen en ineens een aantrekkelijk geheel vormen. De honden achtervolgen me door het hele huis. Niemand klimt. Ze praten over reizen en nachtclubs en dragen gekke kleding. Het huis is schoon en ruim. Het ruikt lekker. De supermarkt is daarbij onwaarschijnlijk dichtbij: Ik ben er al in drie minuten (een tripje naar de supermarkt kostte me afgelopen winter ruim anderhalf uur).

Op een dag krijgt de elektrische piano een houten standaard met wielen waarmee ik hem naar buiten rijd, zodat ik muziek kan maken op straat en voor straatmuzikant door kan gaan. Dan is er meteen weer ruimte voor de Catalaan. Misschien vind ik ergens wel een ladder om bij de kersen te komen en maak ik kersenjam voor mijn elfachtige huisgenoot. Misschien sta ik over een paar maanden gedrogeert en halfnaakt in de woestijn van Nevada. Misschien liggen Monkey en ik tegen die tijd wel in het Nederlandse bedje in de logeerkamer van mijn ouders, omdat ik hen mis.

Ik zoek al een tijd lang naar wat structuur in mijn leven, maar had Cookie en Millie voor geen goud willen mislopen.

_DSC0206

_DSC0204

De Trol van Rodellar

De busjes op de parkeerplaats van Rodellar liggen vol met matrassen en dekens, maar niemand slaapt er. Want dat is verboden. Op het bord voor de ingang van het klimdorp staan afbeeldingen van poppetjes die poepen, koken, eten, wassen, roken, geluid maken, honden hebben, slapen in een caravan of tent of überhaupt slapen, lachen, ademen, bestaan. Door al die lugubere handelingen staan dikke rode kruizen. Dat mag niet.

Tenzij je betaalt voor een camping of ander soort onderdak. Dan mag alles.

Gisterochtend reed een dienstwagen van de Guarda Civil over de parkeerplaats. Fieke en ik spuigden het schuim van onze tandpasta vlug in de bosjes en liepen nonchalant weg van haar Jumpy. Angst voor een boete van 150 euro brengt schot in het ochtendritueel.

Van wie zijn de rotsen van Rodellar? Je zou eigenlijk willen dat Rodellar zelf een gigantische trol had die haar territorium beschermde tegen de aanwezigheid of rotzooi van klimmers en wandelaars. Het is moeilijk om regels te accepteren van onzichtbare mensen die er tegelijkertijd baat bij hebben om zo’n natuurlijke trekpleister te reguleren. Hostels en café’s verdienen niet slecht hier, als ik hun klandizie zo inschat. En dit is nog maar het begin van het hoogseizoen.

De Guarde Civil reed uiteindelijk weg zonder een enkele campingcar van ook maar een waarschuwing te voorzien. De waanzin is dat onze aanwezigheid – klimbums in busjes – onvermijdelijk én schijnbaar gedoogd is. Dus nu staan we in grote getalen op de parkeerplaats en zoeken we allemaal een boom om achter te poepen. Fieke’s suggestie: Laat iedereen twee euro betalen en open het toiletgebouw; stop er desnoods een douche in met een muntjesmachine voor warm water en loop af en toe langs om te zien of we de boel netjes houden.

En zij die zich misdragen? Die voer je in mootjes aan de trol van Rodellar.

Een Geluksvogel in Rodellar

Er zijn veel redenen om telkens weer te vallen voor de klimsport, maar alleen de natuur lijkt relevant wanneer je weer eens op een plek als Siurana, Sadernes of – dit keer – Rodellar naar rotsen zoekt. Het is vreemd dat je zoiets kunt vergeten. Een klimtrip plan je niet in eerste instantie vanwege het modderpad dat verdwijnt in helderblauw water, de oranje rotsen die in absurde bogen op de aarde rusten, de kniehoge struiken die glinsteren van de zojuist gevallen regen of de oeroude boom die zo onder de zwaartekracht zucht dat je kunt koprollen om een van haar gebogen stammen. Je klopt aan bij Rodellar met een minibus vol materiaal, armen vol spieren en een hoofd vol ambities, en staat dan overbeladen in het midden van natuur. Alleen je ziel was genoeg geweest.

Natuurlijk ga je over tot de orde van de dag, hang je setjes aan haken in rotsen en klim je omhoog, want dat is nu eenmaal wat je het liefste doet. Maar zolang de natuur zo stil en mooi en magisch om je heen ligt, weet je dat jouw liefde voor de klimsport een lot uit de loterij is geweest. Je bent een geluksvogel in Rodellar.

IMG-20180516-WA0010

De inspecteur

Tu vais bouffer le mur là! – zei de inspecteur terwijl hij mijn stuur agressief naar links duwde. Heus niet – dacht ik. Blijf met je vieze poten van mijn stuur af.

Ik kon de inspecteur niet uitstaan, hoe hij daar naast me zat, met zijn dikke bovenbenen in zijn strakke beige broek. Na de eerste bocht wilde ik hem al sommeren om uit te stappen, maar dat was tegen de regels van het spel. Binnen vijf minuten vond het muurincident plaats, waardoor we allemaal – de inspecteur, mijn rijinstructrice en ikzelf – nog dertig minuten lang moesten doen alsof dit een waardig examen was.

Ik was immers al gezakt.

Mijn rijinstructrice vond de inspecteur een lul. Ik weet vrij zeker dat ze specifiek die term had gebruikt als ze Nederlands was geweest. Mijn rijinstructrice zelf heeft een grote mond die ik vlak na mijn examen erg kon waarderen.

Met een andere inspecteur had ik me nooit rechtstreeks naar de muur gedirigeerd. Het was zijn schuld.

Mijn droom om begin mei met mijn eigen auto richting Spanje te rijden is enthousiast in duigen gevallen. Het rijbewijs valt zo’n duizend euro duurder uit dan op voorhand berekend en alleen al de autoverzekering voor ‘jonge conducteurs’ zou mijn gehele resterende budget beslaan. Geen auto dus.

En nog geen rijbewijs.

Metallic Lentekrokus

Het materiaal van mijn nieuwe laptop is grijs metallic en voelt zacht, de subtiele klik die de toetsen maken wanneer ik ze induw is verslavend, en de snelheid van het systeem is merkwaardig en futuristisch (dat zeg ik zonder me aan te stellen, ik ben onder de indruk). Tussen het breken van mijn oude laptop en het uitpakken van mijn ‘ gerefurbishde’ vervanger heeft de technologie een grote sprong vooruit gemaakt; zolang ik dit apparaat op mijn schoot heb, weet ik zeker dat auto’s vliegen en mensen in principe niet meer doodgaan. Ik kan de laptop met fatsoen openen in een café waar ze twintig soorten koffie aanbieden, en daar moet ik eigenlijk wel om lachen, want ik geloof dat ik eindelijk op een punt in mijn leven ben aangekomen waarop mijn eigenwaarde onafhankelijk van Apple of koffie opereert. Het snelle karakter van mijn laptop komt voort uit mijn vriendschap met een handige Britse computernerd en zijn verstandshouding met eBay; ik heb daar zelf verder niets mee te maken.

De zon heeft zich in de vallei genesteld en de vogels hebben elk een boom gekozen om van ’s ochtendsvroeg tot ’s avondslaat uit te fluiten. De lente zit in mijn hoofd, buik en zelfs mijn vingers, en het bestaan heeft zo’n licht karakter gekregen dat een flauw briesje me aan de andere kant van de wereld zou kunnen afzetten. Ik heb geen idee waar ik over een maand ben, hoe ik mijn geld zal verdienen en waarover ik zal dromen, maar ik heb houvast aan mijn nieuwe laptop. Er zit een belofte in de tijd die aanbreekt en ik geloof dat ze daarvan op de hoogte is (door haar timing lijkt ze een product van de lente, een mechanische krokus met metallic bloembladeren; haar energie is gelijk aan die van de zon waardoor ze straalt van vrolijk potentieel).

Mijn lieve Marcel spendeert zijn tijd in Zuid-Frankrijk, waar hij zich voorbereid op de klimexamens van de ENSA. Ik verheug me op het moment waarop ik mijn twee liefdes aan elkaar kan introduceren. ‘ Marcel, dit is Krokus, mijn nieuwe laptop’. Maar omdat ik zelf de belofte van deze tijd niet ken, heb ik geen idee wanneer ik hem weer zal zien. Ik haal momenteel mijn rijbewijs en speur het internet af naar een goedkope auto. Als ik niet wordt opgelicht, zou ik zomaar naar Zuid-Frankrijk kunnen rijden (en dan pik ik je op, Fiek).

Ik kom er overigens net via Wikipedia achter dat de Krokus niet perse een lentebloem is, maar mijn laptop is wel perse een lentekrokus.