Aan de bar
Het is eerste kerstavond. Op de hoek van de bar is een jongen komen zitten. Omdat het binnen koud is, zo’n 15 graden, heeft hij zijn jas nog aan en reikt zijn muts tot over zijn oren. Hij is onze enige gast. Ik ga met tegenzin het gesprek aan, want ik ben murw van verveling sinds Covid de Grote Stilte naar onze bar bracht (de klandizie is voornamelijk Brits), kamp mede daarom al dagen met een lek in mijn tank van sociaal enthousiasme voor vreemden en kan toch niet veel anders. Mijn collega is verdwenen in de keuken, de bar is absurd schoon voor het soort vermaak dat wij bieden, de koelkasten puilen uit, we hebben genoeg limoentjes gesneden om cocktails te maken voor de hele vallei. Na gesproken te hebben over mijn herkomst (Amsterdam) en de zijne (vergeten), begint hij over zijn beste vriendin, die de feestdagen in Briançon doorbrengt en tevens haar ex bezoekt. Die ex is toevallig ook de huisgenoot van de gast aan de bar, en de huisgenoot probeert haar blijkbaar …








