Vogeltjes
De migranten hadden een nestje gemaakt in mijn hoofd en vlogen in en uit. Tijdens mijn werk, na mijn werk, in mijn dromen en mijn weekenden. Soms waren het de twee peuters in de wasmand, soms de kwajongens met hun opgeschoren koppen, soms de zielen die op de grond sliepen, soms alle migranten bij elkaar, de onze, de anderen, zelfs zij die nog moesten migreren om het eventueel beter te krijgen. In hun aanwezigheid leken veel andere dingen futiel. Zoals de dingen die ik deed voordat ik het tijdelijke contract ondertekende: klimmen, eten, muziek maken, luisteren naar verhalen van vrienden die niet in relatie stonden met verdwaalde migrantenfamilies in de bossen van Montgenèvre. Ik kon er niets tegen doen en wilde er ook niets tegen doen, want dit was mìjn grote confrontatie met ongelijkheid. Gisteren had ik voor het eerst die dag waarvan ik wist dat ‘ie zou komen: geen vogel vloog in of uit. Met een groep vrienden was ik gaan klimmen in Plampinet, op de gele rotsen boven ons favoriete dorpje, in de …










