Author: Ruby Elizabeth

Willen Willen

Waarom wil ik wat ik wil? Waarom wil ik niet iets anders? Waarom wil ik niet wat jij wilt? Kan ik dingen willen willen die ik niet wil? Kan ik invloed uitoefenen op mijn willen? Kan ik willen dat ik rijk en succesvol wil worden? Zodat ik uit liefde voor mijn ouders de kansen op een stabiele toekomst vergroot en mijn dwalingen over de aardbodem uitstel? Waarom wil ik dan in eerste instantie losbandig en vrij zijn? Waarom ik wil wat ik specifiek wil: dat begrijp ik niet. Ik snap dat ik van jongs af aan heb geleerd van alles te willen. Ik snap dat mijn omgeving me nog steeds dingen leert willen. Ik snap dat de objecten van mijn wil ergens in lijn liggen met mijn karakter. Maar het resultaat, de selectie aan dingen die ik eindig te willen, komt me volstrekt willekeurig voor. Want binnen de context van dwingende invloeden blijven er nog zo’n duizend paden te bewandelen; duizend dingen te willen. Mijn wil lijkt een beetje verloren. Waarom zou ik mijn best doen …

Tsjoeke Sjoeke Puff Puff

Ik zit in de trein. Alhoewel ik er meestal vermoeid en geërgerd uitzie wanneer ik mijn kop tegen het glas laat steunen en mijn benen op het bankje tegenover me uitstrek, ben ik diep in gedachten. De medepassagiers zijn welkome metgezellen. Ik krijg een intieme kijk in dit moment van hun leven en ik oordeel, en zij doen hetzelfde bij mij, waardoor ik maar een enkele denkstap hoef te zetten om mezelf te objectiveren. Brak, dromerig, vredig. En hoewel het te cliché is om de treinreis door de omgeving als synoniem op te vatten voor de reis die ik zelf maak, in dit leven, weet ik zeker dat het bijdraagt aan mijn gemoedstoestand. Het gehobbel, ik heb het gehobbel nog niet genoemd. De zijwaartse trekkracht wanneer een trein van spoor wisselt (denk ik). Het maakt de trein tot een vertrouwde, vriendelijke aanwezigheid. Vraag me vooral niet waarom. In de auto zie ik meestal groen. En dan nog specifiek de mensen waarmee ik mijn hokje deel. Ze zien er altijd uit als ik. Vermoeid wanneer ze …

Entreeweek 2013

Waar de nieuwe studenten van de Uva deze week het spits van hun studentenleven afbeten, maakte de Asac ook een primeur door: Promoten voor lidmaatschap. We wilden het proberen; meer dan toevallige passanten op de hoogte brengen van het bestaan van de Asac of nieuwsgierige koppen in de klimhal aanspreken. Dus kregen we een plek toegewezen op de sportdag van de Intreeweek en bevonden wij ons op spannend, nieuw terrein. De boulderwand moest uit Delft komen. Nog voor dageraad klommen Julius en Roel in de bus om het gigantische onding naar Amsterdam te vervoeren. Tegen de tijd dat ik aankwam en het Erasmuspark volstond met halve stellages van roeiverenigingen, SSA, curlingen en dammen was de wand nagenoeg af. We stonden wat afgelegen in een hoek van het park, naast twee grote bomen die ons van welkome schaduw voorzagen. Tegen de regels in bonden we er een slackline tussen. Kaspar kon zijn genadeloos talent voor routesbouwen tonen. In het geraamte van de wand hingen we setjes, Cams, slinges en ATC’s. Fieke plakte foto’s van afgelopen zomer …

Dansen

Ik kwam thuis van de Alpen en ik dacht dat ik veel zou gaan schrijven. Het was een van de weinige dingen die me op mijn thuiskomst deed verheugen, naast de bevestiging van mijn welzijn die ik mijn ouders zou kunnen geven – net iets concreter dan over de telefoon bevestigen dat ik niet vanuit een hubschraub bel – en (natuurlijk) de mogelijkheid van dansen. Daarbij word ik dus schrijfster en zijn de belevenissen in de Alpen bij uitstek voer voor verhalen, boeken, zoiets. Wat blijkt, ik ben alleen maar aan het lezen. Misschien is het de carrièredruk: goede schrijvers moeten immers veel lezen en ik kan daar niet vaak genoeg aan herinnert worden. Elk boek dat ik niet gelezen heb ondermijnt mijn zelfvertrouwen. Ik logeer een paar weken bij mijn ouders, waar een stuk onbenut terrein in een oud, hoekig en chaotisch huis in regel vol met boeken is gestouwd. Wegens de filosofische voorkeur van mijn vader is het gros daarvan bikkelwerk, keiharde literatuur, duizend pagina’s dik. Dit huis is onleesbaar, maar ik doe verwoedde pogingen. …

Gespuis in Ailefroide

Ailefroide staat helemaal vol met jonge gezinnen die elkaar af proberen te troeven in losbandige, makkelijke perfectie. Ze leven buiten met chaotisch gespuis en wekken toch de indruk dat alles gewenst en onder controle is. Het ene kind is nog een grotere mythe dan het andere, waggelend met gekleurde parapluutjes en geenszins aangetast door schimmelende tentdoeken, luiers in een supermarkt 30 km verderop of de val in een onschuldig ogend riviertje. Wat zouden ze ’s middags doen? Wat kunnen twee guppen onder de drie, naast hun ouders weerhouden van avonturen aan touw, zoals de ouders onmiskenbaar beleefd hebben? De verwassen boulderkleding, de verouderde D-schoenen, het trekkerstentje dat als babykamer dient: Het verraad een verleden. Hun komst naar Ailefroide eveneens. En nu staan ze daar, in eenzelfde omgeving, met eenzelfde filosofie, losbandig, makkelijk, maar in het allesbepalende ritme van hun kinderen. Dus ja, een verblijf op Ailefroide laat de eierstokken rammelen als koeienbellen en het leven nagenoeg bepaalt lijken. Maar de mythes met gekleurde parapluutjes zijn weinig mysterieus. Wanneer de één stopt met huilen begint de …

Boekje

Afgelopen vakantie heb ik trouw een boekje bijgehouden, zelfs nog op advies van mijn vader. Een (reizende) schrijfster in spé moet de wereld vastleggen, zoals ooit een grote schrijver heeft gedaan. Ik herkende de redenatie, maar pakte gehoorzaam een boekje en wat pennen in. Ik was toch al van plan onderweg te schrijven, met onbegrip voor mensen die blijven functioneren zonder de aan reizen verwante hoeveelheid indrukken te verwerken. Inmiddels is het boekje grauw en versleten, precies zoals ik ze het liefste heb. Op elke pagina staat gekras, een wirwar van emoties, simpele tekeningetjes van tochten of verslagen die alleen eerste indrukken formuleren. Ik krijg heimwee als ik ernaar kijk. De vakantie is voorbij en het boekje is een afgesloten document. Een intrigerend bewijs van mijn intense geluk, maar afgesloten. Nu zit ik achter de keukentafel en tik ik woorden op mijn laptop. Mijn vingers gaan vrijwel net zo snel als mijn gedachten. Een typefout genereert nauwelijks verlies omdat mijn rechterringvinger uitzonderlijk goed getraind is op de backspacetoets. Ik merk dat mijn gedachten luier worden. …

Wanneer mag ik me nou eindelijk Alpinist noemen?

Mijn tochtenlijst is indrukwekkend. Ik heb de hoogste berg van Oostenrijk erop staan, via de bikkelharde normaalroute, gezekerd en wel. Ik vertel mijn alpiniet-vrienden dat het ging om een grote berg en dat ‘ie dus hoog was, en dat ik touwen en pikkels moest gebruiken – in hun geest hangt dat samen, ik kan dat verkopen als solide bewijs van mijn prestatie. Als ik de Vaalserberg met pikkel en touw beklim zullen ze eveneens onder de indruk zijn. Toch is er ook volk dat Oostenrijk afstreept wat betreft alpienmogelijkheden. Een keten Vaalserbergen. Zomaar, zo makkelijk, degraderen ze mijn zojuist ontdekte Walhallah. En mijn tochtenlijst; verdorie, ik heb hem nog zo mooi in een bestandje gezet, met tekeningetjes en al. Ik heb nog wel iets achter de hand. ‘De Barre’, wederom een grote berg, maar dit keer in Frankrijk. En omdat ‘ie naast de Dome de Neige staat – beduidend minder indrukwekkend – en ik linksaf ben geslagen, pimpt ‘ie mijn tochtenlijst met verve. Dat viertje doet ook iets, zeker bij mijn alpiniet-vrienden. Het is toch …

De ‘Barre’

Morgen, 9 augustus om 03:00, de Barre des Écrins. De klok sloeg nog geen acht, maar met deze gedachte probeerden Fieke, Kim en ik slaap te vatten. Een week eerder lagen we op het lager van de Refuge des Écrins, met onze gepakte tassen in het drooghok, maar woedde een storm die ons bij buitenkomst gedrieën in een enkele windvlaag voorbij de top had kunnen blazen. Twee keer voorbereiden en aanlopen: het hele project voelde aan als een expeditie. De ‘Barre’, zoals we vriendschappelijk naar hem verwezen, rijst links achter de Glacier Blanc op en ziet eruit alsof hij recentelijk onder de gletsjer is gegroeid, als een verstandskies, met een dik pak sneeuw en ijs dat er afwisselend egaal of gekreukt en gescheurd overheen ligt. Hij vraagt zo’n 1000 meter steil sneeuwstampen en sluit af met een graatje waar het gidsje zo’n twee uur over doet. Naast de graat ligt de sneeuwtop Dome de Neige, als een veilige afslag rechtsaf. Om twee uur die nacht ging onze wekker en begon het lager onrustig naar de hoofdlamp te zoeken. Beneden was …

Chanel rode lippenstift

De Ici Paris begrijpt me niet. De kleinste flesjes parfum kunnen onmogelijk te groot zijn om mee te nemen op vakantie, volgens hen. ‘Mevrouw, ik wil er best voor betalen. Met twee proefmonstertjes ben ik al blij.’ Haar wimpers bewegen traag heen en weer, gehinderd door mascara. ‘Ik ga bergen beklimmen, mevrouw.’ Warempel. Uit haar laatje haalt ze Coco Chanel en Guerlain. Wat zal ik fatsoenlijk ruiken in de berghut. Elke andere winkel waar ik kom heeft een nuttiger en vooral prijziger assortiment. Dagelijks bezoek ik de Bever en een maand lang twijfel ik over de aanschaf van of een tent, of een slaapzak. Het thema dit jaar is warmtebehoud en wol van acht merinoschapen ligt al op de meeneemhoop. Sokken, leggings, shirts. Mijn backpack zal mekkeren. De vraag is echter of een tent wel binnen het thema valt. Ik koop kleine flesjes om mijn shampoo, wasmiddel en dergelijke over te verdelen. Mijn EHBO-doos vul ik met dinopleisters. In een kast bij mijn ouders vind ik de hoogtemeter, kompassen en gletsjerbril van mijn vader, blinkend van …

Geen plek als thuis

Joos komt aangesneld als ik de straat inloop. Aan haar zwarte vacht zie ik welk seizoen het is; of het verbaasd me hoe dik ze is, of het verbaasd me hoe een scharminkel ze is. Ook de bomen dragen zo’n verhaal, logischerwijs, maar omdat ik er niet al te vaak ben is hun kleur en vorm altijd opvallend. ’s Zomers leeft de straat een sprookje. Kinderen spelen buiten, alsof de scholen altijd gesloten zijn. Bosjes knallen uit hun voegen en rozenstruiken kruipen voorzichtig over schuttingen richting het straatbeeld. De tuinen van de gepensioneerden krijgen eindelijk hun podium, met zorgvuldig uitgekozen bloemen en kleurpatronen, zoals mijn oma dat ook vroeger deed . Het gonst van de beestjes en ruikt fris en zoet. ’s Winters is het een straat zoals ik me die inbeeld wanneer ik ouderwetse goede boeken lees. Hoge bomen en kale takken die deinen in de wind, huizen die een eigen, stille eenheid vormen. Een zakenman in donkergrijze trenchcoat vertrekt van huis en steekt kort zijn hand op naar de bejaarde buurvrouw. Ze veegt …