Author: Ruby Elizabeth

Vanaf Morgen

Morgen ben ik mank. Gelukkig voor maar een tijdje. Ik herstel gewoon, weet niet precies hoe lang ’t zal duren, maar in de toekomst ligt huppelen als een geitje door de weide. Door de alpenweide. Het is vooral het idee dat de hele affaire spannend maakt. Vreemde mensen die aan de haal gaan met de functie van mijn enkel op een gepland tijdstip. Alsof ik sta ingeschreven bij het instituut der verboden fysieke experimenten. Nu loop ik, morgen niet meer, en daartussen zit een kwaadaardige dokter die pezen verzameld in glazen potjes, op eindeloze planken aan de wand van lange gangen op de immer gesloten en in duister gehulde afdelingen van het AMC. De waarheid is anders. Ik heb een goede arts die zijn best gaat doen om me ongehinderd terug de bergen in te sturen. Bergen die ik overigens laatst nog zag. Vorige week bezocht ik Sion, het kleine stadje waar de helikopter me bracht na de val. Als je maar hoog genoeg uit het dal van Valais kruipt zie je in de verte het …

Bachelor

Ik verbaas me niet, dat ik heb het gehaald. Het principe verbaast me niet. Ruby gaat studeren en zij haalt haar bachelor. Ik verwonder me alleen over het feit dat wat ik de afgelopen jaren heb gedaan, het nachtwerken, de excuusmails, de manoeuvres, alles rondom theorie die me bij hoge uitzondering in beslag nam, nu tot een papiertje leidt. Chaos leidt tot een diploma dat in mijn bezit waardeloos voelt. Ik haatte studeren en ik mis het niet. Mijn ouders en de overheid hebben betaald voor mijn studie. Ik ervaar het al jaren als een groot blok aan mijn been. Ik kan er weinig aan doen, maar ik mis de liefde voor het curriculum, het mooie pad binnen de theorie dat mensen door de geschiedenis heen, van die grote wijzen, en gewoon de professor van de maandagmorgen, uitstippelden om anderen – zoals ik –  thuis te maken in belangrijke zaken. Vlak na het begin van mijn tweede jaar studeren bekroop me het gevoel erin te zijn geluisd door de samenleving, door fladderende en naïeve achttienjarigen te doordringen …

Sprookje

Het is al lang geleden dat ik me realiseerde dat alles wat mijn leven is, voortkomt uit mijn eigen handelen en perceptie. Dat ik de wereld moet leren lezen zodat ik mezelf daarin kan schrijven. Dat ondanks alle wetten ik als mens, juist als mens, in staat ben om magie te maken of te vinden. Dat sprookjes me niet overkomen maar ik ze vorm of ontdek. En dat, mocht dit allemaal niet waar zijn, mijn ervaring van het geheel toch precies zo is, als een verhaal, als magie, en er niets voor mij verandert. Weggaan uit Amsterdam is de grootste toverspreuk die ik ooit gebruikt heb. Alle vaste dingen zijn gaan vliegen, kopjes tot leven gekomen, dieren gaan praten. De stad schittert. Mensen lopen rond met prijskaartjes waarop waarden van miljoenen staan. Het huis op de Sibogastraat is van snoepgoed. Elke vreemdeling is een potentieel, een sliert van een verhaal, een passerende emotie. Papa is een grote tovenaar en mama moeder Aarde. De oude gebouwen in het centrum worden bedreigt door een grote draak. Ik ben …

Ze geven haar mee

Ik heb gezien dat hij knap is, maar kan nu niet kijken, want ik mag mijn hoofd niet bewegen. En al zou ik mogen bewegen, dan zou dat niet kunnen, want er zit een berg plastic om mijn nek. Ze hebben me geparkeerd op een bed in de gang van het ziekenhuis in Sion. Naast me breekt de helikopterpiloot constructies af, rode voorwerpen waarin ik heb gevlogen. Meer weet ik niet, meer zie ik niet. Soms duikt een hoofd op in mijn gezichtsveld en zegt of vraagt het dingen. Zuster één, zuster twee. Arts één, arts twee. Est-ce qu’elle parle Françias? Do you speak French? Est-ce que vous avez douleur? How is your head? Do you have pain? No? De redders nemen afscheid. Good luck with your accident. Ongeluk? Ik denk aan auto’s over fietsers en thee over baby’s. Neergestorte vliegtuigen en poep in de broek van een zindelijk kind. Ik zucht. Dus. Het ziekenhuis. Van gang naar IC De kleuren komen overeen met wat ik verwachtte. Beigegrijze vierkantjes vormen het plafon, en de muren …

Oranjerood

Gillou popt op, willekeurig, een aantal keer per dag. Als gevolg van gedachtegangen, via Fieke of Roel, Frankrijk of de bergen, auto’s of ongelukken. Soms speel ik herinneringen van afgelopen winter af en zie ik de ronde tafel waaromheen we met zijn familie en dochter de Thaise gerechten van zijn vrouw probeerden, het oranjerood van de Ardeche of het statische beeld van de eerste ontmoeting, toen hij ’s avonds aan de andere kant van de weg op ons wachtte en een lange zwarte jas droeg. Andere keren verbaas ik me over dood en niet-zijn. Ik huiver nu en dan om de fragiliteit van de hele bedoeling, niet alleen de zijne, iets fluistert ‘wie is de volgende’. Of ik denk, shit, ik moet hier nog iets mee. Maar vaak ook spoelen andere gedachten eroverheen. Ik weet niet hoe je schrijft over doden, want ik heb het nog niet hoeven doen. Nu voel ik dat ik wel moet, dat ik niet kan schrijven over dagelijkse sores zonder dat ik aandacht heb geschonken aan het overlijden van Gillou. Misschien …

Plof

Ik ben van de zomer een kapot eind naar beneden geflikkerd. Twintig meter. Stuiter, stuiter. Mijn helm lag aan diggelen en ik op een sneeuwbrug, twee meter diep in een gletsjerspleet. Tijdens het vallen centrifugeerde de wereld om me heen. Precies zoals kleding in een wasmachine. Misschien had ik binnen die seconden van vliegen al dezelfde associatie, maar kon ik de rake, restloze vergelijking niet op waarde schatten. Omdat ik snel op weg was naar een hele onbepaalde plek. De wereld beukte met macht twintig in op mijn lichaam. Drie, vier keer. Pure razernij. Ik wist niet hoe vaak ik nog tegen de wand zou klappen, ik kon de wand niet onderscheiden van de andere materie. Daardoor voelde het alsof de omgeving me in elkaar aan het slaan was, als een doldwaze kwajongen, een sadistisch monster. Ik legde mijn armen rond mijn hoofd en krulde mijn lichaam. Ik herinner me trots te zijn op die reactie, de bescherming van mezelf, die gelijktijdig plaatsvond met een smeekbede; ‘laat dit stoppen, stop, stop, stop, alsjeblieft, stop’. Plof. Ik opende mijn ogen …

Verandering

Ooh bergen, stomme bergen, ik heb jullie nodig want mijn perspectief is aan gort. De verandering die zich altijd stiekem in mijn wereld heeft verscholen toont zich plotseling met overgave. Mensen verdwijnen op alle mogelijke manieren, ik verdwijn zelf. We hebben ons leven massaal te dicht bij de kaars gezet en zijn te bedwelmd om erop te kunnen reflecteren. Ik althans. Bij jullie was er niets dat kon veranderen. Ik mis dat. Geef me alleen de diepte. Of alleen de hoogte. Laat me even wat lucht inademen. Toon me de kleuren in een flits. Laat jullie geluiden klinken, die van de wind of het water of mijn voeten in een ritme op jullie bodem. Geef me alleen dat gevoel van bij jullie in de buurt zijn, want als dat door mijn lichaam stroomt is er geen sprake meer van perspectief. Dan maakt het ook niet uit dat ‘t nu aan gort is.

Ziekenhuizen en Alpine Plannen

Ik ben er nog steeds niet vanaf. Mijn bil is op wat gêne na genezen en mijn hoofd denkt zoals het altijd heeft gedaan. Maar mijn enkel weigert dienst. In de pees van mijn enkel zit een scheurtje. Dat scheurtje kan gehecht worden. Ik ben gewend om antwoorden van artsen te krijgen, maar ze stellen me vragen. Hoeveel last heb je? Zou je er mee kunnen leven? De operatie gapt zes maanden van dit jaar. Gips, loopgips, revalidatie. Daarvoor een wachttijd van drie tot zes maanden. Gisteren besloot ik definitief naar Grenoble te gaan vanwege haar ligging tussen de bergen. Misschien verleg ik mijn passie van het beklimmen naar het afbeelden van de toppen. Vraag ik iemand een kruk en een ezel naar een heide te dragen, klim ik zelf op een muildier, penselen in mijn tas. Hoeveel last heb je? Zou je er mee kunnen leven? Ik heb lang geleden geleerd flexibel te zijn. Om mijn geluk af te stemmen op alle mogelijke kaders. Kimberley vertelde me hoe veranderlijk kaders zijn, die van de wereld, …

Winter in de Mas

-met Jeroen, Lieke, Fieke, Kim, Roel en Ruby De ochtenden in de Ardeche waren koud. Een enkele vroege uitstap toonde het vorst op de auto’s en onze adem in de lucht. Meestal gingen we niet vroeg op pad. We sliepen en ontwaakten naar wens van onze lichamen. Dan scheen de zon al zo fel dat we ons realiseerden hoe krachteloos ze was geworden gedurende de maanden in Nederland. We ontbeten met croissantjes, koffie en thee, stokbrood, kaas, yoghurt, muesli en ananas. De avonden waren ook koud. Voordat het huis onze warmte vasthield zaten we onder donsjassen en dekens of vlakbij het haardvuur. We aten pasta met kastanjes of zalm en spinazie, ravioli met pittige tomatensaus, curry met rijst. We lazen of spraken, rookten of dronken, tikte vertraagde essays en keken een film. Dikke sokken aan onze voeten. In de middagzon was het warm. Soms zo warm dat onze hemden en broeken als teveel voelden. ’s Nachts was de temperatuur afhankelijk van ons slapen en onze gedachten. De vogels die snel slaap vatten hadden nergens last van. …

Studeren

Het nieuwe universiteitsgebouw van de Uva heeft een hoop ramen. De lijnen van de muren en de trappen en de daken zijn allen recht. Als de zon schijnt en je zo’n mooie wintermiddag door het gebouw dwaalt, stap je opeens het licht in. Soms lang genoeg om ervan doordrongen te raken. Je knijpt je ogen samen, ziet even niets, voelt alleen duizend dromen zacht ontwaken. Ik was zojuist even tussen de bergen. Kroop mijn tent uit omdat ik voelde dat er buiten iets gaande was. Koele lucht raakte alle plekken die mijn slaapzak warm had gehouden. De zon bewoog omhoog, achter rijen pieken vandaan, ze zei ‘zie me, Ruby’. En ik kon niet anders, want in korte tijd was ze overal.