Latest Posts

Een luie avonturier

Ik kwam uit de bergen. Ik trof mijn leven aan; fysiek, in huis en papieren en mensen, en in tijd. In planning. Na een dag vond ik ook de constructie van mezelf terug, als een soort gangenstelsel dat een tijd gesloten was geweest. Na twee dagen doorliep ik het weer blindelings.

Toch hadden de bergen effect gehad. Waar ik eerdere jaren rouwig was geweest om het verlies van de mooie omgeving, het vertrek uit de hoogte,  kon ik dit keer slechts dankbaar zijn dat ik een wereld achter de hand had die me met zekerheid gelukkig kon maken. Hoeveel mensen konden dat nou zeggen?

Daarbij had ik veel nagedacht en gebouwd aan een levenshouding die de hele hier/daar, niet –berg/berg  problematiek incorporeerde bij het gelukkig worden. Zoals Kim ooit met zichzelf heeft afgesproken ook in Nederland op reis te zijn, wilde ik hier een avonturier blijven. Ik wist dat de dagelijkse sleur me met stinkende open armen zou ontvangen, maar ik zou haar aankunnen met mijn creatieve avontuurlijkheid.

Dus ik doorliep mijn vertrouwde gangenstelsel blindelings, wetende dat ik een wereld achter de hand had die me met zekerheid gelukkig kon maken, terwijl ik met creatieve avontuurlijkheid vocht tegen de stinkende greep van de dagelijkse sleur en daarmee dus ook tegen mijn vertrouwde gangenstelsel (ervan uitgaande dat mijn vertrouwde gangenstelsel het gevolg is van de dagelijkse sleur zoals die ooit was en altijd zal zijn; wat is schrijven toch heerlijk).

Toen werd het zo ingewikkeld en vermoeiend dat ik besloot gewoon maar terug naar de bergen te willen. Ik ben een luie avonturier.

IMG_3760(1)wm

(Regien op de Piz Tschierva)

Asacweek 2013

Zaterdagmiddag kwam ik aan in Zell am Ziller. De Asaccamping stond die dag in de Sahara, met klompen gesmolten Haribobeertjes en dampende vrienden geforceerd op een klein stukje schaduw. Een warm welkom. We hadden nog een dag te spenderen, zo’n typische dag waarop je passief wordt van mogelijkheden, vanwege hun plotselinge aanwezigheid maar ook de tergende hitte die gevoelsmatig alles onmogelijk maakt. Ik eindigde in de schaduw van het terras naast het zwembad. Flo had me haar topo geleend en ik bekeek hem met de ogen van iemand die net terug kwam van cursus, en langzaamaan de leergierigheid omzette in een gierende honger naar tochten, tochten en nog meer tochten. Zo begon mijn Asacweek.

Planning

Het voelde voor het bestuur als ‘onze’ Asacweek. We claimden niet zozeer de regie, maar waanden ons gastheer van het mooiste feestje van het jaar. Langzaamaan werd duidelijk wie deelnamen, mensen druppelde binnen van verscheidene (hoge) uithoeken van Europa en hadden vaak al een verhaal. C1’s, C2’s, C3’s, tochten, beklimmingen.
Ondertussen begon de week gedaante te krijgen. Het bestuur zou een BBQ organiseren; sommigen hadden elke minuut met tochten ingeplant, anderen bezochten klimgebieden, derden werden geteisterd door hitte of hardnekkige chillmodussen. Er ontstonden formaties die ik van tevoren nooit had kunnen bedenken, met Maartje (vriendinnetje van Roel) als doorgewinterde kameleon en het drietal Joost, Nick en Patrick dat elke dag op een andere groep hun stempel drukte. De nieuwe lichting was ruim vertegenwoordigd met de Wildboyz, en een aantal loslopende dames.
Ida, Kim, Fieke en ik planden een huttentocht.

Huttentocht

De eerste en enige tocht die ik op de Asaccamping zou maken liep van de Furtschaglhaus naar de Edelrauthütte en ging via de Grosser Moseler en de Hochfeiler. Dinsdagavond liepen Ida, Kim, Fieke en ik aan vanaf de Sleggeis Stausee, later dan we wilden door een heftige discussie met het verdorven campinghoofd. Het weer liet ons in de steek op een half uur van het Furtschaglhaus en dwong ons tot een sprint naar boven. Hagel teisterden onze blote armen, donder en bliksem onze geest. Het was niet koud, maar het was spannend, en de hut kwam als een geruststelling. Onze tassen en kleding droop na in het drooghok terwijl wij ons opgelucht meldden bij de waard.
In de gemeenschappelijke ruimte troffen we Regien, Timo en Menno. Ze waren eerder die dag vertrokken en hadden soortgelijke plannen. Alleen wilden zij de Hochfeiler in een tien uur durende tocht via de Oostgraat beklimmen, wat aanvankelijk ook ons plan was geweest maar we uiteindelijk als boven ons niveau hadden afgedaan en verruilden voor een F-tour.

De volgende morgen waren de C3’ers al verdwenen en trokken wij in onze droge kleding de Grosser Moseler op. De lucht was grijs en de top lag in de mist. We moesten even slikken bij het zien van het couloir dat onze route behelsde, het eerste moment dat ik me bewust werd van de afwezigheid van een gids en de verantwoordelijkheid die daarmee gepaard ging. We stonden er alleen voor.
De rotsen lagen onder een dun laagje sneeuw. Paarsje bloementjes stonden stijf onder een laag kleine kristalletjes. De vlaggetjes waren lang uit zicht, net als het dal, de top en alles dat zich drie meter verder dan ons bevond. Na het couloir stegen we over een puinhelling die tot de hemel had kunnen doorlopen, was het niet dat we vanuit onze ooghoeken een steenman zagen die we dankbaar tegemoet traden. Voor het eerst zagen we de sporen van Regien en haar vrienden en kregen we steun van een boel meer steenmannen.

Tot onze grote verbazing verschenen plotseling drie schimmen in de mist, wanhopig opzoek naar hun route: Regien , Timo en Menno. Ze kwamen van de top en waren schijnbaar aan de verkeerde kant afgedaald, waardoor ze de overschrijding waren misgelopen en zich tot steile sneeuwwandjes hadden veroordeelt. Met zeven liepen we naar boven en troffen we het kruis. Zoiets had ik nog nooit gezien; het kruis was gigantisch en bedekt met scherpe, witgrijze ijspegels die zich agressief in de mist aftekenden.
De overschrijding liep via een graat die zich verborg in de wolken en alleen te vinden was met werkend kompas en een kaart. De route vanaf daar had een logisch verloop, maar was berenlang en deed ons halverwege al moedeloos naar de hut verlangen. De omgeving beloonde ons rijkelijk met mooie uitzichten, een waterbronnetje en een stralend blauwe lucht.

De dag daarop besloten Regien, Fieke en ik spontaan de Oostgraat van de Hochfeiler te beklimmen. Omdat de gebruikelijke afdaling uitkwam in een Italiaans dal moesten we dezelfde dag nog kilometers lopen, stijgend en dalend, om terug bij de Stausee te komen. Voor dit verhaal, zie Oostgraat.

Eeuwige Jagtgrunde

We waren uitgeput. De afgelegde meters van de tocht vertaalden zich naar onze spieren en liet ons de volgende morgen weinig méér willen dan niets. Dus klommen we in de auto en reden we naar de eeuwige Jagtgrunde, waar de omgeving mooi genoeg was om een excuus te vormen voor onze wens niets te willen (louter daar te zijn). De meesten Asaccers hadden hetzelfde plan.
Een lage, brede rivier liep onderlangs de weg richting het zuiden en had aan beide oevers platte stenen en bosjes, struiken en bomen. De rotsen stonden in een klein massief aan de overkant, op voorgrond van grasvelden, bossen en uiteindelijk bergen. We stroopten onze broekspijpen op en liepen voorzichtig naar de overkant, met in onze handen boeken, telefoons en meer spul dat niet in het water mocht vallen. Daar bereidde een aantal halfslachtig een route voor en streek de rest definitief neer.

We waren aapjes. Klimmen vormde niet meer onze motivatie of ons doel, slechts nog de context. We zaten in onze zwembroek of BH op onze eigen rots, met een boek of goed gesprek om handen. Zij die de hitte niet trokken koelden af in de schaduw of namen een heldhaftige duik in het ijskoude water. De jongens bouwden een dam en leken wel meer op hun plek dan ooit, met spierkracht en fanatisme dat naadloos overging in de natuur. Rots – water -Asacjongen.
Ik heb nog nooit zoveel gelukkige mensen bij elkaar gezien. En dat ik om veel van hen ook zoveel gaf maakte dat ik niet zo goed wist wat ik met mijn eigen geluk aanmoest. Mijn nuchtere grapjes baten niet en dus zat ik daar, een beetje aangedaan te wezen op mijn eigen rots.

Méér avontuur

De Asac is een bijzondere vereniging met bijzondere mensen. Niet alléén Joost, Patrick en Nick, maar eigenlijk elke ziel die er aanwezig was gedroeg zich uitzonderlijk. Je riep dat je iets wilde doen en er was altijd wel iemand voor in. Als je besloot een halve marathon te rennen op het heetst van de dag hadden gekken nog animo getoond. En als de verschillende gekken elkaar nog nooit hadden gesproken was dat geen probleem, gekzijn schept bij voorbaat een band. Dus hoorde ik telkens als ik terug kwam op de camping over nieuwe avonturen.

Zo waren Flo, Maartje, Hannah, Joost en Patrick gaan wandelen en overnachten in de bergen. Wat daar precies is gebeurt weten alleen zij, maar iets met sterrenhemels en je moeder.

Roel en Nick waren op pad geweest in een multipitch en soleerden per ongeluk de eerste paar lengtes. Roel maakte daarna nog een voorklimval van een meter of twintig en Nick scheurde zo dramatisch uit zijn broek dat íedereen het moest zien.

Een paar dagen daarop nam Roel, papaRoel, Oskar en Max mee in een multipitch, wat voor beide partijen een nieuwe ervaring was. Roel nam voor het eerst de instructeurrol aan en Oskar en Max klommen voor het eerst meerdere touwlengtes uit. Uit dankbaarheid deden de laatste twee Roel een potje berenhoning cadeau.

En wederom Roel ging op pad met onze voorzitster, die een mooie multipitch klommen maar na afloop af moesten dalen via een puinhelling, vermoeid en op nauwe klimschoentjes.

Ondertussen gingen Anna en Mirjam op pad naar meertjes en uitzichten, en vond het grootste avontuur plaats rondom de auto van Jacob Jan, die liever afsloeg dan reed en koppelen van minder belang vond.

Dit is een redelijk schrale collectie van avonturen waar veel namen en gebeurtenissen in ontbreken, dus comment en schrijf wat een niet vergeten dient te worden!

Een laatste avontuur beleefden Maartje, Fieke, Anna, Oskar, Ivar, gebroeders Holthuis, Martijn en ik op de verjaardag van Daan. Het begon bij de fietsverhuur in het dorp en verliep via de Gerlospas naar een idyllisch meertje hoog in de bergen. Onder temperaturen die al oncomfortabel in de schaduw waren geweest gaf niemand op bij de zesde, zevende, achtste verfoeide bocht die uitzicht gaf op een nieuwe kansloze stijging (alhoewel zo nu en dan wat onethische termen over het wegdek vlogen). Voor dit verhaal, zie Drie-Negen.

De BBQ

De locatie van de BBQ aan het eind van de week liet zich gemakkelijk vinden aan de hand van het riviertje dat langs de camping stroomde. We namen een pad dat achter het dorp afliep naar een brede, droge rivierbedding van kleine grijze stenen, waar het riviertje als van haar territorium verdreven langs stroomde. Aan het eind van de bedding lagen biertjes in het water. De vlag hing hoog boven een stenen dam. In het midden zag ik de Saccers rond een vuurtje, naast kisten met spiesjes, burgers en vegetarische plakkaten, en Nicks knoflooksaus. Een grote emmer was gevuld met een mixdrankje van sprite, vruchten en wodka, waar mensen zo nu en dan hun beker mee vulden of aan het eind van de avond gigantisch dronken op werden. Niet alleen de Asac was aanwezig; ook de Tsac en wat anderen snoepten mee van onze jaarlijkse BBQ. Ik was te druk met eten ronselen en gesprekken voeren om te zien dat ons dal zich vulde met donkere wolken en anderen verleidde om verontruste blikken naar de hemel te werpen. Tegen de tijd dat het donker inviel lichtte ons kampement op. Flitsen. Een wind zette aan tot Leon uiteindelijk riep: “En nu gaan! Weg!”

We gooiden het eten in dozen, trokken jassen aan en renden kriskras door elkaar om spullen terug naar boven te krijgen. Een aantal bleven stoïcijns zitten. Ik hielp wat sjouwen en voelde onderweg dat de wind weer was gaan liggen. De hemel vertoonde daarentegen een ongekend schouwspel. Het flitste en flitste en flitste. Soms bleef het gewoon even licht, omdat het donker niet de tijd kreeg donker te zijn. In elk naastgelegen dal woekerde een storm, maar op vreemde wijze overbrugden ze de bergen niet. Ik bleef een tijdje versteld omhoog kijken, overweldigd door het staaltje natuur dat geruisloos tewerk ging. Na een half uur op mijn rug naar de lucht te hebben gestaard voelde ik druppels op mijn gezicht. Ons dal was overstag: Dit keer stonden zelfs de stoïcijnen op. Onder zware regenval liepen we terug naar de camping, halverwege schuilend onder een dakje en melig door de drank, het ridicule van de zware regenval (zware regenval heeft altijd iets ridicuuls) en de indruk die het licht op ons had achtergelaten.

Terreur

Misschien lag het aan het weer, misschien ook aan de dronken Tsaccers, maar vanaf dat moment begon de terreur. Onze vlag bleek gestolen, en het kon niet in een slechter keelgat schieten. Ongenadig ondankbaar, die profiteurs. De Tsaccers doken midden in de nacht het zwembad in, waarna de campingbaas zijn huis uit kwam om te zeggen dat het hem allemaal niet zoveel interesseerde wat wij uitspookte, maar het zwembad ‘s nachts gereinigd werd met chemische middelen. De Tsaccers dropen af naar hun tent.
Wij liepen vervolgens naar hun kamp om hun pikels in bomen te hangen, touwen via auto’s, door putten, langs prullenbakken, door regenpijpen, over de camping te binden en tenten te behangen met WCpapier. Terwijl ik met veel moeite een egel in Max zijn tent probeerde te lokken werd Max zelf aangevallen door een woedende Nijsaccer die het niet kon waarderen dat zijn auto onderdeel was van de touwketen. Hij werd op het nippertje gered.

Overvloed

De Asacweek…Ik kan met geen mogelijkheid recht doen aan alle mensen en gebeurtenissen deze week, waardoor dit verslag hoe dan ook aan alle kanten mankeert. Ik hoop dat de Asaccers die aanwezig waren me kunnen helpen de gaten te vullen en dat de rest een gedegen indicatie krijgt van hoezeer we ons hebben vermaakt. Ik wil natuurlijk mijn lieve bestuursgenootjes bedanken voor wat ‘onze’ Asacweek was en ben nog nooit zo’n trots Asaccer geweest als na deze week.

Geschreven in Grossglockner

Je doet en je droomt en opeens is het daar, in alle voorgenomen intensiteit; soms in stilte als iets dat ontraceerbaar door je lichaam suist, soms uitbundig. Als je uitlegt waarom, verzand je in een hopeloze opsomming, want slechts zelden is er één oorzaak aan te wijzen. Je denkt: Shit, ik heb het. Wanhopig zoek je naar handvaten om het aan vast te houden, maar wanneer het aanhoud en je over het eerste schokmoment heen bent (je komt wat tot rust), besef je je twee dingen. Allereerst dat je het niet vast kan houden, dat is immers niet de aard van het beestje – welk tijdelijkheid is. Ten tweede, aangenomen dat de intensiteit en tijdelijkheid vast liggen en daarmee onbeïnvloedbaar zijn, weet je dat je er beter maar in mee kan gaan. Het voelen suizen, uitbundig zijn. En er later als een héél mooi moment op reflecteren.

La Fête

Vooraf
Het idee van La Fête was strikt gezien al ontstaan voor ons bestuursjaar. Het was een project dat typerend is voor de energie van nieuwe besturen: We gaan alles doen en we doen het goed en groots!
Pas in de maanden voor de zomer werd het idee een plan en reserveerden we een datum bij Monk. Omdat we wisten dat de terugkomst uit de bergen niet pijnloos zou verlopen, moest het feest de heimwee keren in iets moois. ‘Terug wanen’. De gedachte was dat iedereen zou helpen organiseren. Een feest voor en door klimmers.
Dus gingen we op pad, beklommen we bergen en rotsen en vormden we hetgeen waar we ons in terug gingen wanen. En bij thuiskomst wilden we natuurlijk alles behalve het organiseren van een feest.

Het eind van het bestuursjaar bleek druk. De overdracht, de ALV’s, de verandering in statuten en de nieuwe leden schreven onze agenda tjokvol. La Fête bleef lange tijd bestaan uit een datum en een naam, tot de tijd maar genoeg ging dringen en we besloten tot organisatie over te gaan. We hadden het kunnen laten voor wat het was, maar zo’n oude wens nestelt zich diep genoeg om ondanks de matige omstandigheden een soort vanzelfsprekendheid te laten bestaat omtrent de realisatie ervan. We moeten het nu echt doen. De tijd dringt.

Daarbij had Regien een lezing geregeld van twee alpinerende Belgen en ging dat een groot deel van La Fête vormen. Dus belde ik Monk op drie weken voorhand en spraken we alles door.

Organisatie
Vanaf dat moment deed ik maar wat; een beetje babbelen over licht en geluid, regels in de hal, promotie leek me vooral belangrijk. Ik raakte thuis in de wereld van Facebook, mailde mensen, vroeg ze hun vrienden mee te nemen en benadrukte keer op keer dat het écht een tof feest zou worden. Soms geloofde ik het.

Mijn naam raakte onlosmakelijk verbonden met La Fête. Mensen vroegen hoe het met mijn feest ging. ‘Het is niet mijn feest!! Het is ons feest!’ In die kreet schuilde al het wantrouwen in een geslaagd einde. Ik wilde mijn naam niet verbinden met zo’n wankel instituut. Daarbij was het ook werkelijk niet mijn feest en werd het me duidelijk dat de gedachte van La Fête niet over viel te brengen. Voor en door klimmers: Klimmers zijn al stug met betrekking tot hun eigen komst; laat staan als je ze tot organiseren probeert te porren.
Ik liet de laatste dagen anderen posten en mailen en merkte soms tot mijn genoegen dat het los van mij begon te leven. Ondertussen vroeg ik mezelf steeds vaker waarom ik nog tijd stak in La Fête en balanceerde constant tussen ‘feesten slagen alleen wanneer je erin blijft geloven, zeker wanneer het je eigenlijk niet meer interesseert’ en ‘fuck dat’.

Zaterdag 28
De dag van La Fête brak aan en de zon scheen. Roel was manusje van alles, loste gestress rond DJs op en bracht licht, geluid en verstand van alles. Monk werd omgebouwd en overal liepen helpende handen rond. We aten pasta uit een grote plastic bak en bliezen ballonnen op alsof ons kleine nichtje honderd was geworden. Voor achten nog kwamen de eerste gasten binnen en toen konden we er niet meer onderuit: La Fête.

Om kwart over acht werd me duidelijk dat het feest niet de gewenste omvang zou behalen en werd ik verbijsterd door alle afwezigheid. Doordat de ruimte bij lange na niet vol kwam leek het feest inderdaad georganiseerd voor het kleine nichtje, en dat idee raakte ik de avond lang niet meer kwijt. ‘Tel je zegeningen’, was ieders spreuk, ‘kijk naar wie er zijn!!’. Zo werkte het voor mij niet: ik had medelijden met diegenen die wel waren gekomen door de schitterende afwezigheid van diegene die niet waren gekomen, kortom, een feest kan alleen slagen als of niemand komt, of iedereen komt.

Gelukkig begreep ik mijn eigen subjectiviteit als organisator en wist ik dat de avond nu eenmaal daar was, en ik weinig andere keus had dan ervan te genieten. De Belgen hielden een mooie lezing en het feit dat ze een vliegtuig een vlieger noemden was werkelijk een triomf; misschien wel het mooiste moment van de avond. Hun filmpjes brachten onze kop op hol en voor het eerst had ik door dat anderen dachten aan hun zomerse avonturen, samen waren en het naar hun zin hadden. La Fête had haar doel bereikt.

De leegte echter bleef me herinneren aan de loze tijd die ik in La Fête had gestopt en maakte het tot een evenement dat ik zelf zou ridiculiseren. De lezing liet me inzien waaraan ik mijn tijd had moeten besteden. Concreet voelde het alsof ik mezelf vanaf de zomer had verloochend en zelfs LaChouffe kon me niet van die gedachte afzetten. Als bedankje kreeg ik van Kim en Fieke een kaart van Chamonix en bij het zien ervan, wetende dat de wereld erin maar al te concreet en mogelijk is, brak ik.

Hasj, drank, lachgas en emoties voerden ons door een fascinerende avond. Ik zag Fieke kampen met dezelfde sentimenten, en Kim had het, zo hoorde ik achteraf, soms moeilijk gehad. We hadden nooit van de Barre af moeten komen.
Het feest sloot met een massale danssessie op Afrikaanse muziek en voor een half uur was alles perfect.

Achteraf
De organisator is een egoïst. Voldoet het feest niet aan het plaatje dat in zijn willekeurige brein vorm heeft gekregen, dan is er iets mis met het feest en wordt er voorbij gegaan aan de waarde van het vermaak van de gasten. Nu kun je je afvragen of ‘het vermaak van de gasten’ werkelijk een motivatie is geweest als onderwijl blijkt dat het feest voelt als falen, terwijl iedereen rondloopt met een grote lach op het gezicht.
Een geest heeft de capaciteit tot magische werkelijkheden te komen, en hoe magischer de intentie groeit, hoe lachwekkender de geobjectiveerde realiteit zich toont. Dansende mensen zijn ridicuul, lezingen worden gegeven door stervelingen, gasten worden moe en gaan naar huis voordat de klok drie uur slaat.

Ik was de hele avond omringt door mensen waar ik ontzettend veel van houd en schaam me bijna voor het gebrek aan blijdschap dat ik heb getoond. Ik was immers met hun, ik was met jullie, met mijn bestuur en mijn klimvrienden. Iedereen die heeft geholpen, Roel, pastamakers, promoters, ballonnenkopers, Sam & Tim, Monk, bedankt.

La Fête was vet.

Nooit meer organiseer ik een feest en op een dag hoef ik me niet meer ‘terug te wanen’, omdat ik terug ben.

Deurtje

Het is alsof iemand een deurtje in mijn denken heeft opengezet. Niet alleen kruipt er licht naar binnen dat me alles net iets anders doet voorkomen, maar ook kan ik naar buiten en dingen bedenken die voorheen voor mij niet bestonden. En alhoewel ik soms heel graag iemand bij de hand zou willen pakken en mijn ontdekking zou willen tonen, maar weet dat ik teleurgesteld zou raken doordat hij of zij zo snel loslaat of door mijn eigen onvermogen hen te leiden, heb ik het bijzonder naar mijn zin in mijn eigen hoofd. Een geestelijk feestje.

Verhuizen

De spullen gaan in dozen en de dozen in de auto. De auto gaat weg en daar rijd het spul in een bundel van me vandaan. Wat zou ik kunnen noemen, als iemand me vroeg een lijst te maken? Wat zou ik missen?
Ik til een bed, bureau, boeken, schoenen en kleding, ik til het allemaal naar boven over zes trappen. Ik moet denken aan de Alpen waar het gewicht van mijn tas, mijn ene tas, het gewicht van mijn broeken alleen niet had kunnen benaderen. Ondanks dat ik niemand in het trappenhuis tegenkom voel ik me beschaamd.

Later, als ik een vrije plek op mijn bed heb gevonden en midden tussen stapels dingen zit, besef ik me dat het niet zozeer schaamte is, maar benauwing, bijna angst, om al die spullen de rest van mijn leven mee te moeten slepen.  Moet ik ze verzorgen? Zijn ze mijn verantwoordelijkheid? Kan ik ze laten, als ik wil gaan?

De schilderijen komen aan de muur, de boeken gaan in de kast en de kleding wordt opgevouwen of om een hanger gelegd. Meerdere keren verander ik de opstelling en op de één of andere manier staat alles na een vierde keer op de plek waar het hoort. Ik ben genesteld.
Ik denk aan de bundel die een paar uur geleden over de snelweg reed. Niets was iets waard, de auto had een greppel in kunnen rijden en ik was slecht een ondefinieerbare eenheid materiaal verloren. Pas in deze setting, waar er logica bestaat tussen mij en elk ding, en tussen mij en het geheel, bezit het zoveel waarde dat ik lamp voor lamp en sjaal voor sjaal uit de greppel had gevist. Ik voel me thuis. Potentieel overal.

Ik moet concluderen dat het misschien het streven waard is om die bundel zo klein mogelijk te houden. Dat ik uiteindelijk met een pen en een blocnote, misschien op juiste afstand van elkaar, mijn thuis kan vormen. Zover ben ik duidelijk nog niet.

Beginsels van Beez

Ik heb een aantal beginselen van een stuk over een weekend in Beez gevonden.

Fieke was er niet en had me gevraagd om de hut te betalen…. Ik begreep pas op locatie dat die vraag een soort van organisatorische verantwoordelijk met zich meebracht. Op weekend kende ik mezelf alleen in de rol van kind op vakantie: bereid om handen uit de mouwen te steken, maar wel op orders van de ouders.
Ik moest lachen om vragen van het volgende kaliber:
‘Ruby, weet jij waar de vuilniszakken liggen?’
De vuilniszakken? Weet ik veel!? Alsof ik die, als paaseieren, altijd op een nieuw plekje rondom de Chaveehut verstop; gewoon, om de lol erin te houden op weekend. Wat de heck heb ik met de vuilniszakken temaken? Zo gaat dat dus als je Weco bent. Je bent alwetend. Ik zal Fieke sparen de volgende keer, zelf uitzoeken of de pannen al schoon zijn.

Mijn verblijf in de Alpen heeft me inmiddels geleerd over initiatief nemen. Sommige nemen het sneller dan anderen. Afhankelijk van de gevolgen laat ik dingen vaak op de loop, maar ik heb inmiddels gemerkt dat je alert moet zijn op andermans initiatieven: Wanneer je immers doorgaans later concludeert dat iets moet gebeuren, hebben anderen het al gedaan, en voer je structureel minder uit. (Zowel het ultieme excuus voor luie mensen als een last voor zij die wat gechillder zijn dan hun panische controlerende medemens. De gulden middenweg zal wel weer gulden zijn.)

De ware liefdes gesprekken (in de keuken). Ik zat op het aanrecht in het keukentje en op wonderlijke wijze evolueerde een gesprek met Eva over de driehoeksverhouding spiergrootte/spierkracht/klimniveau naar een gesprek over de liefde. Het was niet de eerste keer dat dit onderwerp in de Chaveehut werd aangesneden, sterker nog, tijdens mijn vier verblijven is het onderwerp nooit onaangeroerd gebleven.
De Chaveehut is een sprookjeshuisje dat een stel kabouters vanuit de Alpen naar België heeft getild. De hut ademt romantiek. De eerste keer dat ik het terrein betrad liep het tegen de winter en was ik nog een kampeerpussy. De ASAC was uiteraard van plan tenten op te zetten, terwijl hun passen diepe sporen in de modder achterlieten en mijn kleding, nog niet duur en outdore, alle wind doorliet. Rillend zag ik de hut voor me oprijzen en zeker wel, gered was ik.
Mijn tweede bezoek werd gekarakteriseerd door een relatief nieuw lid dat zo dronken werd van het Belgische bier dat we hem slapend aantroffen op de wc.
De keer daarna leidde het beginnersweekend naar Beez en lag de hut onder een dikke laag sneeuw. Ik was inmiddels hardcore outdore en sliep met het bestuur buiten, in de open lucht, terwijl de nieuwe leden in hun tenten trachtten te overleven. Het werd zo gezellig dat we de waard op ons dak kregen en de resterende tijd gespendeerd moest worden aan een charmeoffensief.
Al die keren brachten we de avond door met bier en gesprekken die zich onvermijdelijk tot de liefde wendden. Ik dacht namelijk… Ik weet niet meer wat ik dacht, maar misschien dacht ik mensen te overtuigen van het bestaan van die ene, die ware, en als het in de context van de Chaveehut niet zou lukken, zou ik voor altijd alleen staan in mijn geloof.

Dikke lagen factor dertig bemoeilijkte het klimmen. Als het mengsel van Pof en zonnebrand explosief was geweest lag nu heel Beez plat. Maar schijnbaar hinderde het niet. Ik klom met Jeroen en Jeroen en de laatste liet geen ruimte over voor lafheid. Hij joeg me een 6c bij de overhang in terwijl ik me normaal verschuilde achter mijn weloverwogen acceptatie van het contrast tussen mijn klimniveau buiten en binnen. De laatste voorklimval die ik buiten had gemaakt was tevens mijn eerste, in Saffres, onder druk van Guido. ‘Je kan vallen, laat maar los.’
Overigens maakte ik geen echte voorklimval in de overhang van Beez en duurde het tot deze zomer om weer eens goed naar beneden te stuiteren. Letterlijk: Ik bouncede naar beneden, twee contactmomenten voor ik stil hing, open schenen, een straf voor mijn angsten, nooit meer zal ik lafjes klimmen!

Matthieeewwww. Dat is de laatste zin van het stuk. Matthew had hooikoorts en was het hele weekend aan het niezen, wel een keer elke vijf minuten. Alhoewel de arme jongen meelij opwekte, was het ergens stiekem best wel grappig. Matthiieeewww! Mattthieeeeeew!!

Nooit mens

Horeca fascineert me het meest om de routine die zijn weerslag heeft op mijn belevenis van en omgang met gasten. Dat ik blind de bar kan draaien is van hetzelfde kaliber als dat ik in drie seconde elk gewenste pagina in mijn mobiel kan openen. Maar het blijft me verbazen dat mensen objecten worden, inclusief hun emoties, hun grapjes, hun oprechte interesse. Er zijn maar weinig gedragingen die buiten het systeem vallen. Dreigementen, bevallende vrouwen of iemand die stil zit en zwijgt tijdens zijn gehele bezoek (en dan doodleuk de zaak uit loopt) hebben misschien een kans.

Gasten komen binnen en ik schat ze in. Als het druk is kom ik niet veel verder dan sympathiek of vervelend en een hele ruwe gevoelsmatige classificatie die ik niet zou kunnen formuleren, maar een combinatie is van labeltjes (rijk/allochtoon/knap/arrogant/ordinair/hip/enz) in onverklaarbare verhoudingen. Ik onthoud details die alleen in mijn bewustzijn komen als ik iets aan een collega doorgeef (die met die tattoo/roze shirt/baby wacht nog even op een vriendin) en sla het hele ‘het zijn mensen zoals jij en ik’ gedeelte over: het zijn voorspelbare onderdelen van een systeem waarop ik werktuigelijk anticipeer.
Als het wat rustiger is neem ik mensen in me op naar gelang ze mijn aandacht trekken en stel ik vaak mijn eerdere classificatie wat bij. Wederom niet compleet bewust, meer in de trant van: ‘Oh, zij is eigenlijk best bejaard’ of ‘als die vriendelijke vrouw bij die brompot hoort, zal die brompot ook wel meevallen’.

Naarmate ze langer aan tafel zitten krijgt elke gast een geschiedenis die bestaat uit mijn handelingen aan hun tafel. Vergeten kopjes water, lauwe koffie verkeerd, extra koekjes: Ik zie ze in het licht van de fouten die ik heb gemaakt, of juist de extra moeite die ik heb gedaan. Sommige houden praatjes, en alhoewel ik soms moet lachen of hun opmerkingen waardeer (ik wil absoluut de praatjes niet ontmoedigen) ontstijgen ze niet het systeem en nauwelijks het onderbewuste. Ik reageer sociaal wenselijk terwijl ik denk aan andere bestellingen, verbroken relaties of de kleur van mijn schoenen. Mensen worden praatjesmakende objecten (of grapjes makende, of arrogante, of stille…enz), maar nooit iets meer. Nooit mens.

Op een paar na.

Opblaaskrokodil

Ik sta op scherp. Ik heb overal zin in. Elk onbestemde moment is een verspilling van tijd. Misschien moet ik nog ambities filteren en keuzes maken, misschien moet ik ze juist voeden en mijn kansen spreiden.
Hoe ziet ambitie erin de praktijk uit? Is dat elke minuut benutten? Nooit een middagdutje op de bank?
Wat als het middagdutje bijdraagt aan het functioneren later op de dag? En seizoenen van Friends bijdragen aan de gemoedstoestand?
Het valt me op hoe mijn ambities groeien met het juiste muziekje. En afzwakken wanneer ik een zee van tijd heb; een helderblauwe zee met cocktail op de opblaaskrokodil.
En als nou blijkt dat ik iets bereik? Dan raad ik mensen aan middagdutjes op een opblaaskrokodil te doen.
En als nou blijkt dat ik niets bereik? Dan spendeer ik de helft van de onbestemde momenten op zoek naar nieuwe ambities, en de andere helft op een opblaaskrokodil: wederom.

Het Pact van Ailefroide

DSCN1293De dagen zijn lang en zonnig. We matten onszelf af op de bergruggen en keren terug om nieuwe plannen te maken. Een tent als kledingkast en matjes in de openlucht zijn onze uitvalsbasis. ’s Ochtends wekt de zon ons en kijken we door de cirkelende takken van dennenbomen recht naar de lucht. ’s Middags verlangen we naar het moment dat we mogen gaan slapen, omdat we weten dat we duizend sterren zullen zien voor we onze ogen sluiten.
We schrijven driftig in onze boekjes en verslinden die van anderen, gretig naar wijsheid en herkenning. Onze thermokleding hangt aan de waslijn en de havermout staat op het DSCN1380vuur. We discussiëren, geconcentreerder dan wanneer we in Nederland het gesprek aangaan, waarschijnlijk omdat we weten dat we de tijd hebben om onze gedachtes aan te passen, uit te werken. Ik verbaas me over hun gestoorde conclusies, en zij over de mijne.
We verplaatsen ons van kampvuur naar dorp, van klimwand naar festival, en alles met de lift. We ontmoeten gezinnen met verlegen kinderen, eenzame mannen en jonge stelletjes. We zijn altijd omringt door bergen.

In een café blader ik naar een lege pagina en schrijf ik het volgende op:
Op 7-8-2012 verklaren Fieke, Kim en Ruby dat ze, tot ze oud, lelijk, beschimmelt en stervende zijn (&dik), altijd met een open blik naar het leven zullen blijven kijken en met elke cel van hun lichaam blijven streven naar hun eigen geluk, waaronder zowel het ‘met opgeheven hoofd elke uitdaging die het leven brengt aangaan’ valt, als de liefde voor het leven, de natuur, de mensen die ze onvermijdelijk in hun hart sluiten en natuurlijk elkaar.
We ruziën nog even om de formulering, maar nemen uiteindelijk genoegen met wat er staat. We weten alle drie dat we honderd dingen méér bedoelen, en tegelijkertijd maar één ding zeggen: We hebben het in eigen hand.

En we zetten onze handtekening.

DSCN1543