Latest Posts

Het probleem van een boom

Als ik een boom teken, dan weet ik nooit zo goed wat ik met de blaadjes moet doen. Het zijn er namelijk zoveel. Als ik begin met één mooi blaadje, dan moet ik zo honderd mooie blaadjes tekenen. Mijn broer loste het wel eens op door allemaal krullen te tekenen, maar zijn boom toonde toch minder gelijkenis met een echte boom.
Ik  zou ook een winterboom kunnen tekenen, maar dan krijg ik een probleem met de takken. Want mijn takken beginnen altijd aan de verkeerde stam, en lopen heel vreemd over andere takken heen, of erdoorheen. Soms zijn ze te recht en soms veel te lang en dun, dat ik zeker weet dat zo’n tak in het echt allang  afgebroken zou zijn. Eigenlijk heb ik zo’n probleem ook met de wortels. Wanneer gaat een wortel de grond in?
Ik kan ook een boom tekenen door alleen de contouren te volgen. Maar ik moet dan,  om de boom minder een Hoofddorpboom te maken, nerven in de stam tekenen, want die maken de boom oud, levend en vriendelijk. Zo’n lievelingsboom in het bos, precies de boom die ik in gedachte heb als ik besluit een boom te tekenen. Het probleem is dan dat ik de rest van bos ook op de tekening moet zetten. En dan kan ik net zo goed honderd mooie blaadjes tekenen.

Eigenlijk ligt het probleem niet bij de blaadjes. En ook niet bij de takken, bij de wortels of bij de nerven van de boom. Ik moet helemaal geen boom willen tekenen.

Ik moet erin klimmen.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Biertje

Ik stuur mijn ouders naar Ailefroide dit jaar. Ze gaan wandelen. Mijn vader gaat foto’s maken van gesteenten, zijn studie heeft zich een weg naar het heden gebaand.  In mijn gedachte waren het altijd de bloemetjes die de stoet ophielden, maar nu worden het dus de steentjes. Mijn moeder gaat een boekje lezen en weigeren stijgijzers te dragen.

Vooraf aan een tocht dwongen ze ons de voeten in te tapen. We kregen zonnebrand op onze neuzen en in onze nekken. Het begin van elke vakantie zocht ik een stok die niet van mijn zijde mocht wijken, hoe hinderlijk het ding ook zou worden.  Ik stopte stapels stenen in mijn rugzak, omdat die van die glimmertjes hadden. Ik liep achter mijn zus aan, in een windvlaag zweefde zij omhoog. Of ik bleef hangen bij mijn moeder. Ze droeg het stokbrood, de kaas en de jam, de jassen, de zonnebrillen en alles dat ons veilig hield. Mijn vader droeg het kompas en de kaarten, de hoogtemeter en boeken met plantjes en bloemetjes. Jaap stapte rustig naar boven.

Altijd de bossen eerst, en dan het lichtgroene, en dan de stenen met sneeuwvelden, tenzij we niet hoog genoeg gingen. Soms verlieten we het pad om iets dat de belofte op een uitzicht deed mee te pakken, of om op de foto te gaan met koeien. Mijn vader hoorde marmotten en wees in de verte, waar ik ze niet kon onderscheiden van het landschap. Of hij wees op – natuurlijk – een bloemetje, dat ik net zo mooi vond als de andere bloementjes, maar schijnbaar de verwijzing waard was. We liepen en rustten en liepen en rustten.

IMG_5684(1)wm

De toppen waren koud. In mijn herinnering zijn ze onlosmakelijk verbonden met het beeld van mijn moeder die de jassen uit haar rugzak haalt.

Maar de hut was een feest en zou altijd een feest blijven. Iedereen die ons op de heenweg had ingehaald zat daar al, en iedereen die wij hadden ingehaald zagen we neerploffen: Eerst de tassen af, met een zucht, en dan pas een blik naar de omgeving. We deden onze schoenen uit en bekeken de schade, die dwars door het tape heen ontstaan was. Ik hoorde Duits en Frans en Engels. Mijn vader en moeder namen een biertje en wij drie een cola, waarvoor we nauwelijks het geduld hadden, omdat we over de rotsen rondom de hut wilden banjeren.

Na afloop van een tocht bleken we toch te zijn verbrand. We hadden witte sokken zonder onze sokken te dragen. Suus haar armbandjes stonden in haar huid gegrift, Jaap had de print van een horloge.

Ik ben al in Ailefroide wanneer mijn vader en moeder daar aankomen. Ik weet niet of ik met alle alpineplannen lange tochten met hen kan maken, maar op zijn minst wil ik één wandeling. Het maakt me niet uit waarheen, als we maar eerst door het bos lopen, en dan door het lichtgroen, en dan door de stenen met sneeuwvelden. Ik denk niet dat mijn moeder mijn jas gaat dragen, en ook zeker niet gaat mijn vader de kaarten in zijn rugtas verbergen. Maar ik ga wel met ze neerploffen bij de hut. En dit keer drink ik een biertje met hen mee.

Routes

Ik wilde een 7a intikken. Nu wil ik dat niet meer. Ik kan slecht formuleren waarom, maar ik ben moe van het niveaugebeuren. Ik wil er niet meer de nadruk op leggen, ik voel dat het de reden waarom ik klim verdringt. Ik wil mijn klimmen reduceren tot mij en de route, of opblazen tot mijn mentaal en fysiek, de vrienden, de mooie lijn, de natuur, avontuur, daadkracht enzovoort.
Maar ik wil daar geen prestatieladder doorheen hebben lopen. Ik heb tien jaar lang op het hockeyveld (gedacht te) moeten presteren en precies daarom gefaald. Ik hoef me niet meer op dat terrein te begeven. Klimmen heeft de krachtige magie me volledig op te nemen om precies die activiteit die het is. Het sociale construct van klimniveau is misschien leuk als competitieve hobby ernaast, handig bij de verwijzing in een hal en interessant als vage richtlijn voor de training.  Niets meer dan dat.

Sinds ik dit alles heb vastgesteld moet ik er een aantal denkgewoontes uitrammen.  Het checken van de kaartjes van wat iemand klimt, bijvoorbeeld. Mijn gevoel van fitheid op een avond op voorhand correleren aan een potentieel klimniveau. Niet meer vragen: Wat klim je? Niet meer reageren in termen van 5a, 7c, 28x.
Als ik trots ben op een route, wil ik trots zijn op mijn eigen fysieke prestatie, en niet mijn prestatie op schaal. Het is lastig om mijn blijdschap op die manier te ontleden, maar ik denk dat het uiteindelijk meer oplevert dan welk ‘intikken van 7a’ dan ook.

‘Mam, zullen we de K2 opfietsen?’

Het zal niet de eerste keer zijn dat ik mijn moeder een ingrijpend voorstel doe. De laatste keer vroeg ik haar of ze samen met mij een huis in de Alpen wilde bouwen. Ik wacht nog steeds op een antwoord.

Maar nu, dit voorstel is iets anders van karakter. Mijn moeder is niet vies van een uitdaging, maar ik twijfel of ze de aard van de K2 kent, en wanneer ik haar inlicht is haar deelname, schat ik in, vrij onwaarschijnlijk.
Ik moet zeggen dat ik zelf ook mijn twijfels heb. De haalbaarheid van het voorstel hangt volledig af van de interpretatie ervan. De volgende drie opties kunnen worden onderscheiden:

1. De K2 opfietsen: We beginnen onderaan en fietsen het hele traject naar boven.
2. De K2 opfietsen: We gaan naar de voet van de K2, zoeken een zeer licht overhellend stuk, en fietsen daar een meter of twee naar boven.
3. De K2 op fietsen: We stappen een meter van de top op de fiets en fietsen de K2 op.

De gehele K2 opfietsen lijkt me een hachelijke onderneming, waarin komende jaren waarschijnlijk niemand zal slagen. Misschien heeft de wielercult al een tak van sport ontwikkeld die mountainbikers over besneeuwde paden laat crossen, maar ik twijfel of ze rotsplaten en ijswandjes in het repertoire hebben. Dat zou een hoop technische vooruitgang met betrekking tot dikke banden en stijgijzer-pickelsystemen vergen, en van zoiets heb ik nog niet gehoord. Daarbij, high altitude biking als sport lijkt me een magere aanhang hebben, maar misschien ben ik niet op de hoogte. In elk geval, zelfs niet in het meest optimistische scenario gaat het mijn moeder en mij lukken om de gehele K2 op te fietsen.

De K2 opfietsen zou de meest haalbare optie zijn, maar het karakter van het avontuur gaat daarmee drastisch verloren. Immers, wat heeft de K2 dan nog met de uitdaging te maken, naast het zijn van een geografische locatie? De uitdaging zou in dat geval in het opfietsen moeten liggen, maar mijn moeder en ik fietsen dagelijks al zoveel op. Bruggen, bijvoorbeeld. Sterker nog, we zouden een A4tje op de grond kunnen leggen en daarop kunnen fietsen. K2, A4, wat is het verschil.

Nee, onze kansen liggen bij de laatste optie: De K2 op fietsen. Zo vermijden we het hachelijke stuk van de 8610 meterlange cruise omhoog, maar houden we wel de uitdaging intact. Geheel vrij van problemen is deze benadering echter niet: Hoe krijgen we immers de fietsen omhoog, op een meter van de top? En niet te vergeten onszelf?

Ik sta voor een grote uitdaging.

Allereerst moet ik mijn moeder enthousiasmeren. Ik ben een optimist en heb groot vertrouwen in mijn moeders avontuurlijk hart, maar verwacht geen direct – ‘Tuurlijk, Liefie’ op de vraag  – ‘Mam, zullen we de K2 opfietsen?’
En ten tweede, de logistiek achter de onderneming valt niet eenvoudig uit te werken. Elke stap zal beroep doen op een uitzonderlijk niveau van denken in mogelijkheden. Zorgelijk – maar ik ga de uitdaging aan.

(met dank aan Marjette)

Aan de Wandel

Juni. Een maand, zo blijkt, om vrij in te vullen.

Ik heb mijn studie alweer verpest, dus begin juli moet ik terug naar Amsterdam voor een herkansing. Misschien geen groot kwaad, in een periode van drie maanden waarin ik mijn huishouden en vuile was op mijn rug meedraag.

Normaal wil ik alles, en kan niets. Nu wil ik nog steeds alles, maar blijkt dat ik geen idee heb wat dat alles allemaal is. Want de wereld van avontuur is immens groot en eigenlijk wil ik geen keuzes maken. Misschien trek ik mijn D-schoenen aan en wacht ik tot ze aan de wandel gaan.

Wat betreft bergbeklimmen is het in elk geval problematisch dat ik boeken lees van allerlei überalpinisten die me inspireren tot beklimmingen ver boven mijn niveau. De Pied-a-Terre heeft me nog niet kunnen voorzien van avonturenromans met lulhannisje in opleiding als hoofdpersoon (Deel III: Het tragische verlies van stijgijzer tijdens eerste PD+).
De routes die ik ken lopen over de Grande Jorrasses, Eiger en Annapurna. Toch mis ik de ballen van een jonge Kirkpatrick om me op een willekeurig flank omhoog te artieffen, en de Himalaya lijkt me fantastisch – maar daar ga ik pas aan wanneer ik besloten heb hoe dierbaar mijn tenen me zijn.

Ik moet overigens een ontdekking delen, waarschijnlijk bij elke klimmer al jaren bekend, maar op Google Earth kun je dus elke berg en elke route zien. Hij stribbelt een beetje tegen en geeft vaak een aanzienlijke omweg, maar ik heb routes ingeplant van Mont Blanc naar Piz Bernina, en Everest naar  K2, en zelfs van Mont Blanc naar Everest en Piz Bernina naar K2. Ik zou een rondje kunnen maken: Mont Blanc-K2-Everest-Piz Bernina. Geloof me, dan heb je echt een mooie avond.

In elk geval dobber ik rond een klimniveau waar ik dus niet over gelezen heb en dat ik wat betreft berginhoud barslecht ken. Ik ben weinig kritisch, omdat ik nagenoeg de hele Alpen nog te ontdekken heb.
Beperkingen in termen van ‘losse zooi’, ‘kuttoeristen’, ‘totaal afgelegen’ en ‘immer kloteweer’ ken ik nog niet. Wanneer een hut onbetaalbaar blijkt en de waard een paffende hondenlul, dan kom ik daar ter plekke achter. Ik moet het allemaal nog ervaren en mijn criteria kunnen vooralsnog niet vager; ‘Vette Shit’ (nader te definiëren als…?) met uitzicht op bergen.

Daarbij, de bergen zijn niet alles.

Fontaine Bleau, dat hele sprookje is me onbekend.

Ik heb nog nooit een fatsoenlijke multipitch gedaan, met zoveel lengtes dat ik ervoor op moest staan. Calanques?

Deep Water Solo. Lijkt me doodeng, vooral de gedachte aan witte plezierbootjes onder de crux, maar: het angstzweet wordt er toch weer afgespoeld.

Marokko, moet ik niet naar Marokko? Zei niet iemand dat?

Lake District! Lake District!

Een eenzame week in een wandelgebied, met een brander, een boekje, en een extra pen voor als de eerste leeg is. Een reis, een echte reis ergens heen. Fietsen, van Amsterdam naar Parijs, door heel Oost-Europa, met mijn moeder over de afsluitdijk. De mogelijkheden zijn belachelijk en verlammen mijn kiesvermogen, in zoverre dat het me eigenlijk worst zal wezen. Waarschijnlijk hangt alles af van geld, logistiek en klimbuddies, maar die gedachte is niet zo romantisch.

Dus: Ik trek mijn D-schoenen aan en wacht tot ze aan de wandel gaan. Zolang ik maar de eerste week van juli thuis ben om die herkansing te maken.

De Mug

Vroeger liet ik ’s nachts mijn raam open, maar toen ik in de Pijp kwam wonen leerde ik die gewoonte af. Er was altijd een dronkenman op straat die liederen zong met de bakstenen van mijn huis. Ruzies ontstaan in het café tegenover werden tot ver na middernacht uitgesproken. Auto’s bleven komen en gaan en ik vroeg me af waarheen, welke afstand binnen Amsterdam niet te fietsen viel. Het was altijd lawaai.
Hier op Siboga heerst rust. Nu het buiten warm is schuif ik mijn ramen open voor ik onder de dekens kruip en hoor ik hoogstens het gedender van een trein in de verte.

En het gewapper van een mug.

Eerst op afstand, nauwelijks te onderscheiden van stilte, en dan dichterbij. Ik voel een windvlaag langs mijn gezicht en de landing van vier minipootjes op mijn wang. Ik schud mijn hoofd om de mug af te schrikken. Het is weer stil.

Net wanneer mijn gedachtes door elkaar gaan lopen hoor ik het gewapper weer. Ik maai een aantal keer wild in de lucht om het beest knock-out te slaan, en weer is het stil.

Wapper wapper.
Ik krijg jeuk bij mijn elleboog en handpalm, en later op mijn pols. Wanneer heeft de mug mij gestoken? Ik voel agressie opkomen. Wat een achterbakse miniwezen, een beetje slinkse aanvallen plannen wanneer ik slaap vat? – ik pak je, mug, ik pak je.

Maar weegt het zorgvuldig beëindigen van zijn bestaan op tegen de comfort van het huidige doezelen; kan ik de mug negeren? Na een uur in halfbewuste toestand van ergernis en jeuk knip ik mijn licht aan, schuif mezelf rechtop in bed en zet me schrap met een dodelijk tijdschrift in mijn rechterhand.

Ik zie het beest op de muur.
Vijf centimeter ernaast zie ik zijn vriend.
Ik hoor het gezoem van een derde. Oh, dus zo werken jullie. Ik vraag me af of ik mijn huisgenootjes op moet trommelen om een gelijke strijd aan te gaan. Ik ben klaarwakker en haarscherp, maar na een eerste zwiep met het tijdschrift vluchten de muggen en zie ik ze niet meer terug. Ik sluit mijn raam, knip mijn licht uit en kruip met kop en al onder de deken.

De volgende morgen strompel ik mijn kamer uit, de armen jeukend over elkaar geslagen, en tref mijn bloedchagrijnige huisgenoot. ‘Raam open gehad?’

Muggen. De rust op Siboga is betrekkelijk.

Dooie Mus

Het leek een mooi bericht vanuit de Oberwalderhütte, die email waarin ze me vroegen of ik zelf skispullen had. Nee,die had ik niet, maar ik had toevallig wel een skidroom en op die toon reageerde ik. Ik zag mezelf leren skiën op de flanken van de Gross Glöckner en dacht steeds: ‘Pfff… dat is wel héél vet’.

Achteraf niet verbazingwekkend, maar al snel reageerden ze met de hoop dat ik ergens anders aan de bak kon komen, want met de recente sneeuwval had ik daar als onervaren skiër weinig te zoeken.

Shit.

Dooie mus.

Ik heb mijn banen opgezegd, mijn kamer onderverhuurd, juni vakkenvrij gehouden, Duits gestudeerd, cursussen afgezegd en met name die vier weken ‘arbeiten’ rotsvast in mijn hoofd gefantaseerd.

Goed kut allemaal.

Maar na een sigaretje en een diepe zucht bleek ik in staat om juni razendsnel met alternatieve plannen in te vullen. Misschien dan toch naar Lake District. Wous de bergen in jagen. Iets eerder optrekken met mijn Wellnessmaatjes. Op fietsbezoek bij een vriend in Slovenië. Duizend lengtes multipitchen, wezenloos projecten, routes volrammen met eigen protectie. Boulderen, deepwatersolo, Spanje, Marokko, weg, vrij en met name arm. Straatarm.

Deels baal ik, maar ik heb zo blijkt een uitgestrekte reserve aan wensen waar mijn fantasie met gemak haar tanden in zet. Het besef van dat laatste maakt mijn blijdschap groter dan mijn teleurstelling ooit zou kunnen zijn.

In andere woorden, mijn dooie mus en ik gaan het avontuur aan.
Alle dooie mussen onderweg zijn welkom zich aan te sluiten. We hebben niet veel geld, maar des te meer plannen. Immer.

Ik wil niet dat er donsjes uit mijn donsjas ontsnappen

Een kleine aanvulling op De mode van outdoor

Laatst klom ik een emotioneel zware route op een wand gelegen achter een boel groene begroeiing. Het suikerniveau in mijn bloed was na afloop zodanig geslonken dat ik een vreemd energetische ‘up’ kreeg. Ik was roekeloos en irrationeel. Mijn dure, dure dons hing om mijn schouders terwijl ik door de bosjes rende. Een tak met scherpe doornen, boosaardige tentakels, greep zich in haar vast en mijn hart brak.

2014-05-11 12.06.24Het is niet het bestaan van zulke takken, wat mijn materiaal bedreigt. Het is mijn eigen beschermend vermogen, in klimcontext immer fluctuerend. Als ik maar moe genoeg raak kan het hele ‘zorgvuldig met materiaal omgaan’ me ofwel geen moer schelen, ofwel buiten mijn rationele vermogens liggen.

Terwijl ik nu verdrietig naar al mijn beschadigde pareltjes kijk vraag ik me af hoe wijs het voor mij is nogmaals aan dergelijke investeringen te gaan. Ik wil niet dat er donsjes uit mijn donsjas ontsnappen. Ik wil geen water rond mijn slaapzak en geen butsen op mijn helm en geen krassen op mijn bril en geen modder op mijn schoenen.
Het is al lastig genoeg om voor mezelf te zorgen. Om niet gebutst en gekrast van de wand te komen. De zorg voor materiaal heeft geen prioriteit. Of ‘t moet ijzersterk zijn, of ‘t moet kapot mogen: Anders mag ik er geen cent meer aan besteden.

Begaan

De rots ziet er onbegaanbaar uit. Ik lees veel over rotsen die er onbegaanbaar uitzien, rotsen waar ik over lees zijn altijd deel van de onbegaanbare selectie. Zou er anders over geschreven zijn?

Rotsen die ik eerder beklom ontleenden hun begaanbaarheid aan hakenreeksen of zichtbare eenvoud.

Maar deze rots is anders. Glad, treeloos,  een kleine crack in het midden waar misschien net een hand in past. Geen haak.  Als de rots geen route rijk was, uitgetekend en gewaardeerd in de topo, zou ik nooit de gedachte hebben gehad hem te beklimmen.

Nu sta ik eronder, zwaar van materiaal en donkere, onbegrijpelijke keuzes.
En vervolgens bega ik de rots. Eerst boulder ik naar een bandje, daarna plaats ik een cam zo hoog als mijn uitgestrekte tenen me brengen, en dan klim ik omhoog. Hop, hop, hop.

‘Als je zoiets kan beklimmen’, denk ik beneden…

Als zoiets onbegaanbaars beklimbaar blijkt, hoe begaanbaar zijn dan al die bergen?

(Kleine kanttekening: De rots was relatief onbegaanbaar, in de context van mijn klimvaardigheid, maar in vergelijking met ’t kaliber rotsen van de boeken waarschijnlijk een plateau met reuzecrack om een heel rack in kwijt te kunnen.)

Rennen

De tijd vliegt en ik ben nog nauwelijks door de naamvallen heen. Ik nodig vreemde mensen uit om mijn kamer te bekijken, mijn spullen en veiligheid potentieel het hunne,  terwijl ik de taal van mijn nieuwe onderkomen nog amper beheers. Ik maak paklijstjes en ik gooi ze weer weg, want weet-ik-veel wat ik nodig zal hebben, drie maanden lang, overal. Ik fantaseer en ook mijn fantasieën loos ik, de toekomst ontzien van gewoon geworden verwachtingen. Het enige dat aanhoudt is mijn rennen.

Rennen door de Molukkenstraat, parallel aan de sloot, door het Flevopark en over de kade langs het Nieuwe Diep, onder het geroffel van bouwvakkers en tollende kisten, rennen over de smalle brug en een vreemde verlaten kaarsrechte weg langs voetbalvelden en clubhuizen, rennen door het bakstenen en smetteloze Ijburg, rennen over de brede brug langs het rumoer van een café, en weer de smalle brug, rennen langs het USC, voor en achter tientallen anderen, rennen tot aan huis.

Mochten Oostenrijkers hele nare mensen zijn die gekrenkt worden door Duits gemurmel, en mochten Fransen me toegang tot de Ecrins ontzeggen door mijn gebrek aan een tent, en mocht ik op een bergtop belanden zonder enkel idee of wens of plan, dan kan ik in elk geval rennen.

Rennen langs groene en gele velden en gegons van dikke beien, over het terrein van woeste koeien met vliegen rond hun billen, rennen omhoog totdat ik hap naar adem en omlaag zo steil dat ik zeker mijn eigen benen niet bijhoudt, rennen langs dieptes en riviertjes die zich splitsen en splitsen en splitsen, rennen door de schaduw van bossen en het kwetsende licht van de zon, rennen over smalle paadjes, gladde hellingen, zompige weilanden, alleen, rennen en verdwalen in dorpjes die ik niet op de kaart vindt, rennen tot aan huis.