Latest Posts

Vuurwerkbanen

Voor het eerst ervaar ik mogelijkheden als een kwaad. Sinds ieder voor zijn eigen kiest, lopen onze paden als een vuurwerkbanen de ruimte in.

In onze vriendschap ligt besloten dat we elkaar de vrijheid gunnen, en daaruit volgt de verplichting dat we iets met onze eigen vrijheid doen. Want zodra we zelf onze gang niet gaan omwille van de ander, zal de ander de verplichting voelen ook zijn of haar gang niet te gaan omwille van onszelf. Waar vriendschap de ander opdraagt ons juist onze vrijheid te gunnen, kan die nu onze vriend niet meer zijn. We moeten dus wel ons eigen pad volgen, mocht onze vriendschap ons iets waard zijn.

Dus maken we vrijuit onze keuzes. We denken lang na en slaan links of rechtsaf. Tot we uitzoomen en slikken bij het zien van onze paden, die zich verder en verder uitstrekken.
De ruimte in: Europa, Afrika, Zuid-Amerika, Australië. De ruimte in: verpleegkunde, politiek, alpinisme, pedagogiek. De ruimte in: Daar waar de mogelijkheden het toelaten. Dat blijkt het hele spectrum van de wereld te behelzen en dat drijft ons uit elkaar.

Het is pech om te houden van mensen die uitvliegen. Maar laat het gemis ons niet invoelen hoe gehecht we aan elkaar zijn? Onze vrije koers leert ons dat onze vriendschap weerbarstig is. En, elke dag dat onze paden elkaar raken, elk moment dat we samen zijn, hebben we in alle vrijheid voor elkaar gekozen. Dan is de gedachte aan al die mogelijkheden zo slecht nog niet.

P1011646

Geroezemoes

IMG_8681(1)wmEen lange broek, een hemdje, een lang shirt, een trui, sokken en schoenen. Een jas.
De zon mag best blijven, maar doe me ook een wind. Kou die langs mijn gezicht strijkt en een weg zoekt langs mijn sjaal. Gele en rode bomen, blaadjes die het grijs van de straten warmer maken.

De hitte dwingt een korte broek af, maar ik zoek juist naar de bescherming van een lange broek. Naar iemand die over mijn rug wrijft om mijn rillen te stoppen. Geraas dat inbeukt op het huis, tijdens  lange, duistere nachten. Warme chocolademelk en kaarslicht, geroezemoes en dikke dekens.

Het probleem is; de belofte van deze warmte is vals. Ik voel haar op mijn huid, maar ze kruipt niet in mijn hoofd. Ik ben niet verliefd. De bergen zijn ver. Er valt niets te beloven, niets dat niet al geweest  is en als een betoverend verhaal in mijn herinnering leeft.

Dus nu zweet ik me rot, in kleding die niet past bij het weer, het weer dat niet past bij mijn gemoed. Ik wil de herfst. Geef mij maar de herfst.

Nazomer

De zon zakt achter de rechte lijnen van de flat van de buren. Kinderstemmen, altijd kinderstemmen. Gebrom van vliegtuigen en gekwetter van vogels. Soms zit er een duif in de dakgoot en krassen zijn poten met scherpe nagels over het metaal. Soms ruist een trein van of naar Muiderpoort. Soms suist de wind door één of meer van de negen bomen in het driehoekige plantsoen. Nooit zit een bewoner of kat op de bankjes, geen rat, muis of leven, en toch is het gras gemaaid en zijn de paden schoon. Vrouwen klinken door open ramen achter witte schotels. De lucht voelt zacht.

Welkom in het raamkozijn van Siboga 23.

De Volgende Broek

Hij moet rood zijn.

Ik weet het al voor langere tijd, en toch heb ik me laten verleiden door andere broeken. Andere kleuren.

De eerste alpine broek was een Fjällräven van stevige, donkergrijze stof. Niet rood nee, maar vooruit. Erg kleurengevoelig was ik in die tijd nog niet, dat kwam pas later, toen ik enigszins grip kreeg op de modestandaard binnen de bergketens. Gepusht door een verkoopster koos ik deze uit honderd anderen, want ze vond ’t wel een goeie voor alpine. Mwaah.
Ik kocht hem groot en hij was al vrij wijd bij de pijpen. Ik viel af in de bergen en werd een hiphopper met een kruis tot bij mijn knieën en schoenen die verdwenen onder lagen G1000.
Het wandelkarakter van de stof maakte de broek weinig soepel, en wijdbeense passen waren eigenlijk uitgesloten. Maar, ik was in de bergen.
Dus ik scheurde eruit, erg flatteus bij de bilnaad. Tot op de dag van vandaag vraag ik me af hoelang ik precies in mijn blote arie over de gletsjers én door de hut heb gestruind, en met name wie precies een blik heeft kunnen werpen op het tafereel dat bloot lag.

Zomer 2013 zag ik een beige broek met zwarte kniestukken in een alpine winkel in Oostenrijk. Mannenmodel, en ik had vrouwenbillen, maar in de kleine ruimte achter het gordijntje kwam dat besef niet helemaal uit de verf.
Het was weer geen rode broek, maar ik dacht dat ik ermee weg zou komen. Met een klein trauma van het jaar ervoor klauterde ik over grote rotsblokken van lange graten en voelde wederom hoe de spanning zich rond mijn billen opbouwde. Het zal toch niet.
Ik werd gespaard en stopte het ding bij thuiskomst in Amsterdam ongeschonden in de wasmachine. Echter, op mysterieuze wijze is de broek verdwenen. Ik weet niet waar, en ik weet niet hoe, maar ik weet wel dat ik hem niet meer in mijn kast heb liggen. Niemand in de klimhal heb ik erin kunnen betrappen.

Afgelopen zomer viel ik voor een knalblauwe Norronabroek. Nee, niet rood, maar ik dacht dat misschien de felheid van het blauw iets zou goedmaken.  En zo leek het bijna.
Ik voelde me megashiny in mijn opvallende kleur, boven de rotsen van Freyr, tijdens een eerste testronde. Waar de blauwe broek was, was ik. En net zo glamoureus schitterde ik op de dagen van La Grave, over wandelpaden van onbeduidende dorpen, tussen ongeïnteresseerde koeien en vergeten bewoners.
Maar bij de eerste echte gletsjersessie zette ik zo vol enthousiasme mijn stijgijzer in mijn pijp dat de helft van mijn rechteronderbeen opeens het daglicht zag. Even later verscheen ook mijn linkeronderbeen en toen had ik het wel gehad met het stoere model van de intens blauwe Norronabroek.

Ik denk dat het wel duidelijk is. Hij moet rood zijn.

Ik scan de kledingrekken van de winkels. Ik houd zorgvuldig het internet in de gaten, op zoek naar een rode alpine broek, maar het is lastig. Ze zijn niet rood genoeg. Hij moet zo rood zijn dat je er echt, echt, echt niet omheen kan. Knalrood. Niets anders.

Ik wil geen en zal geen alpine broek dragen tot ik hem heb gevonden, en dus ben ik genoodzaakt om de komende maanden in spijkerbroek te klimmen. Dus mocht iemand toevallig ergens een rode alpine broek te koop zien: Laat het me weten.

Het is belangrijk.

Barre Noire met Franjes

De drukte in de Glacier Blanc hut was niet te overzien. Een lawaaiige roes in een verhit vertrek. Het verbaasde me dat niemand bezweek aan de overgang van de koele stilte van buiten naar deze ruimte.
We zaten met de kaart op de grond, uitgelegd midden in het gangpad, gidsjes eromheen. Als
kinderen met blokken en treinstellen verzonken we in mogelijkheden, afgesloten van het rumoer. Ik denk dat toen het plan is ontstaan.

Plan Barre Noire. Achter het toilethok in secteur G van Ailefroide lag een klein veldje. Ondanks de incidentele geuren van ontlasting, vormden we daar onze enclave. In het midden stond een constructie van aan elkaar geknoopte tarps en zeiltjes, daaromheen dertig, veertig gekleurde bolletjes en driehoekjes, scheerlijnen in alle richtingen.
Een aantal alpinisten zat op plastic campingstoeltjes en kartonnetjes onder het centrale dak, terwijl Menno en ik overal spullen vandaan trokken. We draalden en waren laat – natuurlijk waren we laat. ’s Middags zouden we avondeten, maar we aten onze warme maaltijd met de rest. Terloops deden we onze plannen uit de doeken.

-Hebben jullie ijsboren?
-Hoezo?

Blank ijs.

We maakten blokken van drie tochten. De eerste tocht liep langs Roche Paillion naar Emile Pic en leidde ons door een eenvoudig couloir. We dachten de volgende dag, de tijd tussen aankomst bij de hut en nachtrust, te gebruiken om de andere tochten voor te bereiden. Dat het Barre Noire couloir pimpelpaars kon zien, met franjes aan de zijkant, kwam pas bij mij op tijdens de vragen die de alpinisten onder het centrale dak op ons afvuurden.
Het was geen ramp als we gewoon omhoog waren gelopen, en het couloir in onverwachte condities hadden aangetroffen. Waarschijnlijk hadden we dan onszelf voor de kop geslagen omdat de  ijsboren nog in het dal lagen en waren we iets makkelijks gaan doen aan de overkant. Het stuitte me meer tegen de borst dat ik er niet al in het dal over na had gedacht. De zoveelste confrontatie met gebrekkige ervaring.

Met eten voor drie dagen, bivakspullen en een stuk of tien ijsboren liepen we die avond tussen zeven en elf naar Refuge des Écrins. Een weggeschrokte klomp eten  golfde mee in onze magen. Het was al ruim donker toen we nat van het zweet, en koud van de koele avondlucht, stilletjes ons lager in slopen langs gepakte tassen en slapende alpinisten.
De volgende morgen beklommen we Roche Paillon zonder verdere moeilijkheden, en de dag erna Pic de Glacier Blanc (verslag volgt).
De middagen werden getekend door de klassieke mix van moeheid, verveling en euforie die traag door ons lichaam vloeide. Nodeloos bladerden we door boekjes, staarden we naar Spanjaarden en Italianen – die ons nooit teleurstelden met hun scènes op het terras  – en probeerden we zoveel mogelijk van het eten af te blijven.
Het meest memorabele moment kwam van een semi-elastisch meisje. Ze rolde haar yogamatje uit op het terras en gooide in verschillende posities haar in strakke legging gehulde billen omhoog (dan weer naar links, dan weer rechts). Dit tot groot genoegen van de  Italianen en Spanjaarden die als twintig nieuwsgierige apen op een rots duidelijk geen oog meer hadden voor de bergen om zich heen.

Maar ik vergat de bergen niet. Het Barre Noire Couloir lag net buiten het zicht, verscholen achter Barre Noire. Het had weer gigantisch gesneeuwd. De graat van de Barre wilden we na het couloir overschrijden. Ze zag compleet wit. Met de verrekijker onderscheidden we kleine voetstapjes in wat ‘the icy chimney’ zou moeten zijn, een drietje dat me beangstigde. Elke dag vroeg ik aan de waard of iemand het ding al had geklommen, maar voor zover ik hem begreep bleef iedereen met zijn poten van die route af. De woorden van de alpinisten onder de tarp klonken nog na. Franjes?

BarreNoire1

De nacht voor de tocht bivakkeerden we op het laagste plateautje tussen de gletsjer en de hut. Om half drie werkten we een pak prefab pannenkoeken weg. Ik kroop de tent uit, het stille donker in, dat zich uitspreidde over de gletsjer. Het  couloir dat als gidsjesvariant in mijn hoofd gebrand stond moest daar ergens zijn. Maar waar? Jesus, why…dacht ik. Waarom ik. Alsof de keuze ons overkomen was.

De mars over Glacier Blanc bracht me terug naar de heroïsche tocht van Fieke, Kim en mij, het jaar hiervoor. Was het onbezonnen om de Barre te beklimmen met de ervaring die we toen hadden? Het leek wel om het even, het meisje van toen, of het meisje van nu, op weg naar de Barre of de Barre Noir, dezelfde berusting, dezelfde lichte spanning, dezelfde aftocht naar iets duisters, iets onbekends.

Halverwege de gletjer staken we naar links en liepen naar de schim van het couloir. Wat treffen we aan? Blank ijs? Bij de eerste stijging haalden we de ijsboren van stal. De sneeuw was goed. Het couloir was te dichtbij om van de omgeving te onderscheiden, en alles leek nu couloir of niet couloir. De stenen randen verdwenen in het donker. Ik wist niet waar ik heen moest, maar stiefelde toch omhoog.
Tot mijn grote verbazing doemde een spoor op, een duidelijk spoor, veel dieper dan de hardheid van de sneeuw nu zou toelaten. De makers ervan hadden slechtere condities gehad. Ik volgde naar een grote randspleet. Vlak daarboven zag ik de stapjes zich voortzetten, het was bijna alsof ze verschenen, als trouwe wegwijzers in een magische missie. Ga hierheen.
Ik prikte mijn bijlen aan de andere kant van het gat en klom er overheen. Het stuk daarna was ijzig, even twijfelde ik of ik moest zekeren, maar nog voor ik het wist kwam ik weer in de harde sneeuw.
De voetstapjes bogen af naar links en volgden de rand van het couloir. Eindeloos. Beneden zag ik de koplamp van Menno. Daaronder verschenen nog twee lampjes. Over de gletsjer bewogen zo’n dertig in een keurige slinger. De Écrins kwam zachtjes tot leven.
Maar ik was niet met hun, ik was met mijn mythische voorgangers. Er was weinig variatie in beweging, het couloir was niets meer dan een hels en eentonig eind omhoog hannesen. Soms waren de stapjes zo oppervlakkig dat ik eigen moest trappen, en soms zo diep dat ik mijn kuiten kon laten rusten. Ik verloor ze nooit uit het oog en in ruil brachten ze me tot de uitloper van het couloir. Dat het nu minder stijl werd was nauwelijks te merken. Pas op de vlakte drong het tot me door dat we het couloir waren doorgekomen. Geen ijsboren. We hadden geluk gehad met perfecte en overzichtelijke condities. Zo nam ik afscheid van mijn voetstapjes.

BarreNoire2

Bij het verliezen van de couloirspanning verloor ik ook een groot deel van mijn energie. Doodmoe stond ik daar naast Menno, kijkend naar de zonsopgang en het  kleuren van de bergen tegenover ons.
De Barre stond doodstil naast ons. Ik fluisterde tegen Menno dat ik misschien te moe was voor de overschrijding. Of hij het goed vond om die te laten, met een prestatie al op zak? Hij vond het prima, en ik meende wat opluchting in zijn stem te horen. Geen ijzige chimney meer vandaag.

We liepen langs de rand van de col en werden meegesleept door de schoonheid van de morgen. Hierom doen we het, schoot regelmatig door mijn hoofd. Het ene dal links en het andere dal rechts, het ene onbekend en rauw, puntig, beangstigend, het andere vertrouwt en uitgestrekt, vol met verhalen en romantiek, de hut, de toppen.
De sneeuw had zich bedacht en werd poederig, waardoor de oversteek naar de normaalroute van de Barre een zware klus werd. Ik begon een beetje te schelden, eerst in mijn hoofd, daarna hardop. Onze weggetrapte sneeuw viel op een stroom, door het zonlicht op hun jassen gekleurde, klimmers richting de Barre. Ik slaakte een zachte kreet van geluk toen we eindelijk tussen hen in konden schuiven, uit de hel van de poedersneeuw, in een uitgekauwd  spoor dat niets weg had van de sprookjesachtige voetstapjes van die nacht.

BarreNoire3

Plan B leidde ons naar de Dome. We keken om ons heen en besloten snel terug te keren. De wind was ijzig koud en het couloir naar de achtergrond van onze gedachten verdwenen. In rap tempo zigzagden we door de opkomende “Dometoeristen”, onder Seracs en langs spleten, sommige stukken glijdend en andere met olifantenstappen. Vlak onder de Barre lag een gebied met lawineresten, die zich als gigantische witte blokken spreidden over een wit laken. We hadden er fantastisch verstoppertje kunnen spelen. Maar we gingen door over de gletsjer.
Onder Roche Faurio troffen we de yogamiep, zittend op haar tas, haast arrogant wakend over de gletsjer. Vrolijk fantaseerden we over wat haar was overkomen.

Onze blik ging regelmatig naar het couloir en ik was verbijsterd door haar verschijning. Serieus? Zaten we daarop vanmorgen? Het was  onfatsoenlijk lang en werd steiler naarmate we er rechter voor stonden.  We gloeiden van trots. Ik bedankte de voetstapjes.

We moesten nog afdalen naar Pré Madame Carle, de typische prijs die volgt  na elke laatste tocht vanuit de Refuge des Écrins. Ons eten was helemaal  op, en zo ook onze benen en onze motivatie. Maar shit, we hadden Barre Noire gedaan.

Pimpelpaars met franjes.

Als een vliegmachine

Ik ga zo snel! Ik ga zó snel!!

Op welke leeftijd word je op een fiets gezet? Is dat een jaar of drie, op iets roze’s met zijwieltjes en een grote toeter?
Ik kan me mijn eerste meters op een echte fiets nog herinneren. Het was met mijn buurmeisje. Samen pionierden wij  alles in onze kinderwereld, zoals dikke witte besjes schieten door smalle pvcbuizen en weggetjes krijten op de straat. Leren fietsen deden we als vanzelfsprekend naast elkaar, met onze vaders die ons aan onze bagagedragers in balans hielden tot ze dachten dat we zelf voort konden. Ga ik zelf? Pap!? Je gaat!! Je gaat!!

Ik ga!

Er zijn niet zoveel dingen die je (onbewust) iedere dag  vanaf je derde doet en óók haast ongemerkt voor lange tijd uit je latere leven kunt schrappen. Ademen, poepen en eten kun je niet drie maanden laten en zeker niet ongemerkt. Douchen wel, maar dat wordt snel vervelend, met onze culturele achtergrond.
Misschien een reis door een land zonder deuren of lampen om aan of uit te knippen, terrein dat om schoenen vraagt, of spiegels om in te kijken. Toch neemt fietsen een bijzonder plekje in; het is méér dan routinematig, maar minder dan bewust vermaak.

Iemand heeft me bovennatuurlijke kracht gegeven. Ik ga zo snel.

Maandenlang was ik te voet, struinend over de camping, bergen op en bergen af. Een dag verliep met de snelheid van het lopen.
Na thuiskomst wandelde ik langs het Amsterdams Rijnkanaal, om toch wat beweging in mijn lichaam te krijgen. Revalidatie.
Voor mijn vertrek naar de bergen was mijn fiets gestolen, of kwijtgeraakt of kapot gegaan, iets in het scala van rampspoeden dat een Amsterdamse fiets te voortduren krijgt. Op een optimistische middag sjokte ik, gedirigeerd door marktplaats, naar een achterafbuurtje in Amsterdam en testte een gestolen fiets van een vrolijke man. Maar mijn bil, de bil, Mevrouw Bil, zag het nog niet zitten.
Ik liep naar de winkel om de hoek, naar de studie op Roeterseiland, naar mijn werk in Noord. Ik liep en ik liep en ik liep.

8 september 2014. Ik leen Fiekes fiets, rijd hem de schuur uit en sla mijn been over het zadel. Mijn linkervoet zit al op de trapper, mijn rechtervoet haal ik voorzichtig om hoog. Het gaat. Ik trap zachtjes, maar ik schiet vooruit. De straat uit, door de Molukkenstraat, langs groente en fruit en mensenstromen. Over bruggen en langs water, ik schiet langs grijs en blauw en boze forenzen. Soms bomen, soms geuren, maar van dichtbij kan ik niets echt waarnemen want ik ben zo snel als iemand die op een fiets zit.

Ga ik zelf? Ik ga zelf. Ik ga zó snel.

Hoog

Zelfs als ik in het dal ben, wil ik naar de hoogte.
Waarom, vraag ik mezelf af. Vanwaar deze gekte?
Ik schrijf in mijn boek: Ze zijn van mij, ze zijn van mij, ze zijn van mij.
Terwijl ik dondersgoed weet dat als er iemand van iemand is, dan ben ik van de bergen en niet andersom.
De dag daarna schrijf ik: Ik ben een rivier, ik ben een bloem, ik ben het gras en de marmot en de steenbok. Als ik loop over de paden loop dan ben ik niets anders dan mijn omgeving. Geen ik, geen cultuur, alleen misschien een lichaam dat ik voel door het leven dat er doorheen ruist. Ik ben thuis, schrijf ik. Hier hoor ik.

Ik donder naar beneden. De druk verdwijnt van mijn gordel en de wereld tolt in strepen om me heen. ‘Stop, stop, stop’, denk ik schreeuwend. Ik leg mijn ellebogen langs mijn hoofd en trek mijn benen in. De klappen blijven komen en ik vraag me kort af waar de volgende zal zijn, terwijl ik smeek, ik smeek de val om te stoppen.

De dag daarna schrijf ik, met het infuus aan mijn hand: Dan val ik en dan val ik door een falende rappel. Geen vallende stenen of gladde oppervlaktes, nee nee, een falende rappel. De berg heeft me er niet vanaf geflikkerd, ìk heb dat gedaan. Ik kan haar dus ook niets kwalijk nemen. Ik kan haar meedogenloosheid nog niet erkennen. Vooralsnog is haar donkere zijde een kwade mythe. En ikzelf heb mijn lesje geleerd, ikzelf heb mijn eigen incompetentie ingezien. Ik ben er nog niet.

Het is de eerste keer dat ik over de bergen spreek in hun relatie tot mij.
Ze zijn mijn goden geworden. Zelfs al straffen ze mijn fouten nog zo hard af, ik zal ze alleen maar nog meer gaan verheerlijken. Zo blijkt.
Want als ze me niet hadden willen hebben, was ik in de rimaye gevallen, en niet op die smalle sneeuwbrug.
Als ze geen potentieel in me zagen, hadden ze me ernstiger geblesseerd.
Als ze niets om me hadden gegeven, hadden ze me door laten wandelen en me niet opgezadeld met een kort herstel, waarin ik elke dag even herinnerd word aan hun beslissingen. Een tijdspanne waarin ik bij mezelf te rade moet gaan waarom ik mijn leven voor hen riskeer. Waarin ik gedwongen word om uit mijn wilskracht en zelfvertrouwen te putten, want zeker krijg ik dat niet van hen.

Tot ik thuis kom en de eerste vragen komen. Ruby, wil je nog wel blijven klimmen?

Ja, ik wil blijven klimmen. Had ik daaraan moeten twijfelen?
Is het werkelijk een optie om te stoppen?
Waardeconstructie, komt bij me op. Identiteit. Gedane investeringen, al die trainingen, sociale omgeving, structuur. Ik kom er wel overheen, niets van dat alles is onvervangbaar en niets van dat alles is mijn leven waard. En toch is er geen optie.

Ik kan de vraag niet beantwoorden en de gekte niet bepalen, ik weet niet waar het vandaan komt en ik weet ook niet voor hoelang het duurt. Maar ik kan niet zomaar een andere religie aannemen. De slotsom was altijd irrationeel en vallen was niet genoeg om het geloof te doorbreken. Wat dan wel, is de echte vraag.

PuurGenieten-1

Beaucoup de Papillons

Menno en ik zijn niet in staat om rond het middaguur aan te lopen. Bij de hut zijn ze weinig gecharmeerd van een fashionably late arrival, dus onze redding lag bij onze avontuurlijke drift om de slaapzak mee te dragen.

Het was de regen die ons ophield op de vooravond van Arête des Papillons. We zaten onder de achterklep van Menno’s kleine rode wagen, leunend tegen onze gepakte tassen, en waren beide verbaasd over het aanhouden van de neerslag, alsof er water uit een lege emmer kwam gekletterd. Wat dan met die voorspellingen?
Het duurde even voor we het lef hadden om aan te lopen. In de mist zigzagden we parallel aan de lift naar Plan des Aiguilles, een bunker met twee droevige schuilende ezels en een houten kroeg zonder volk. De enige kleur kwam van een kolonie bivakkers en kampeerders.

We liepen door naar Lac Bleu, een felblauw ingeklemd meertje op tien minuten van onze graat, door een heuvelig grasland dat zich uitstrekte tot serieuze rotsen, slingerend door moerasjes en grote versleten rotsblokken. Hard gelach weerklonk over het meer en twee Duitsers verwelkomden ons in het schemerdonker, als koningen van het terrein. Ze leken achter één van de grote blokken een avondmaal paddenstoelen te hebben gevonden die aansloegen tot voorbij de volgende morgen. Onze aankomst daar was om te gieren, de nacht bezat een eindeloze bron van humor en de ochtend bleek nog mooier. Het was spijtig dat ze een pijler in gedachten hadden en niet aansloten in de Papillonrij, want dat had veel voor ons vermaak gedaan.

We lagen met onsRubyBivak-1 gezicht naar de graat en aten koekjes. Ik keek omhoog en was bang dat het weer het niet zou houden. De lucht was zichtbaar door enkele gaten tussen donkere, donkere wolken en al zou het de volgende morgen goed weer zijn, van de nacht wisten we niet zo veel.

De wekker ging als eerst om half zes. We wilden de meute van het liftstation vlug af te zijn, maar toen ik mijn ogen opende zag ik alleen maar mist. Tot vijf keer toe verzette ik de wekker, in mijn slaperigheid waarschijnlijk wachtend op een warme zomerzon. Pas rond tienen kropen we onze slaapzakken uit, nadat het liftstation ladingen papillons had vervoerd, die ons de weg wezen door zich massaal bij de instap te vertoeven.
‘Zen’, dacht ik. ‘Geen les routevinden of zekeringen leggen, maar een les geduld. Waardeer dat je op een graat zit en je favoriete hobby uitvoert, waardeer je gezelschap, waardeer het uitzicht op de Frendo en de Midi en het landschap eromheen’.

Bij de aanloop ontmoetten we twee flitsende oude mannetjes van in de zeventig, die ons niet meer alleen zouden laten voor de lengte van de graat en die wij ook niet alleen konden laten door de overbevolking van elke mogelijke zekering. Een gepensioneerde Zwitserse gids en een gepensioneerde Theoloog, buren, soepel als twintigjarigen en jolig en spraakzaam als hun vrouwen bij de heg op een mooie zondagmiddag. De trage lengtes werden opgevuld door hun vrolijke gekwebbel en commentaar, we hielden lunch met hen in het zonnetje en werden meegevoerd door het melodische Zwitserduits.

De graat had iets vriendelijks, met grote opgestapelde blokken zonder scherpe contouren en lichte kleuren, en dwong geen spanning af. Het was een setting waarin het klimmen zich naar de achtergrond verplaatste en het wachten de activiteit werd.

Tegen drieën verloren we toch ons geduld. Een stel Noren had weinig onder controle en hield de hele stoet op; de gidsen, ons, Amerikanen en wat daar nog achter kwam. Een blond meisje met een bol gezicht werd door wat mannen mee omhoog gezeuld en had zich het karakter van alpien niet helemaal beseft. Ze gilde, soms ging ze over tot jammeren. Haar voorklimmers konden haar niet horen en zij hen niet.
PapillonDe laatste maanden zag ik zoveel stellen lopen waarvan de man de grootste tas en het touw droeg, dat ik in een diepfeministische strijd verzonken was geraakt, en deze Noorse bevestigde mijn armzalige beeld van de gemiddelde vrouw zodanig dat ik bijna in staat was om mijn eigen sekse te verlaten. Gelukkig had ik de dag ervoor in Chamonix een vrouwelijke gids zien lopen waar zoveel kracht vanuit ging dat zelfs dit piepende meisje geen volledige afbreuk kon doen aan mijn vertrouwen in de vrouw, al deed ze uitzonderlijk hard haar best.  Ze klaagde en gilde en kreunde, barstte in tranen uit en giechelde vrolijk verontschuldigend wanneer ze even niet in een pas zat. Menno’s ergernis werd subtiel zichtbaar, nog voordat het ware feest begon, bij de cruxpas in een schoorsteen.
Zo’n twee uur stonden we stil, te wachten op de Noren. Het meisje raakte in paniek en de oude gids kwam in actie, hij klom als supermen naar de plaats delict en bewoog zich door de schoorsteen in een volledige split, waarbij hij cams legde voor het meisje zodat zij zich omhoog kon artiefen (ik herhaal, die man was zeventig jaar).

De schoorsteen was inderdaad ingewikkeld, en Menno verrichtte goede zaken bij het voorklimmen ervan. Godzijdank kwam het einde van de graat in zicht, we stonden al zo’n zes uur in de rij en de lucht betrok aanzienlijk. Het werd simpelweg laat.

En inderdaad, op de terugweg begon het te regenen. We daalden af in een breed couloir en maakten een (populaire) verkeerde afslag rechtsaf, waardoor we abseils moesten bouwen die gedoemd waren om vast te komen zitten en mijn vingers open te halen. Menno was zo vriendelijk om een verdwaalde Noor over ons touw te laten. De Noor op zijn beurt was zo vriendelijk om ervandoor te gaan toen we ons touw niet los kregen. Mijn zen was opgelost in baden van gevloek en gescheld, terwijl ik op versleten gympen over gladde rots soleerde om het *^&^$touw  naar beneden te krijgen.

Een lange modderige afdaling naar Chamonix in stromende regen.

Het vooruitzicht was zo oncomfortabel dat ons geen keuze restte dan er de charme van in te zien. We waren buiten de zone van het enge alpien en moesten alleen nog uren naar beneden kaggelen. Het pad was zo glad dat we geen vaart konden maken zonder op onze snater te gaan, en wanneer we uitgleden baadden we in de modder. Het bleef regenen. Menno bedacht duizend verschillende scenario’s voor wanneer hij de Noren in Chamonix tegen het lijf zou lopen, en ik bracht mentaal de tijd door in lange fantasieën over eten, want we hadden dergelijke vertraging niet ingecalculeerd.
Weer onder het dak van de kleine rode wagen voelde de tocht pas als afgerond.
De drukke en natte omstandigheden waren de uitdaging geweest, en hadden ons misschien een deel glorie van de graat ontnomen.
Maar de uitstraling van de graat, met haar grote opgestapelde blokken, heeft het avontuur wel als een sprookje in mijn herinnering gezet. Noren als de boze magiërs, Zwitsers als de onsterfelijke tovenaars en Duitsers als de goedlachse koningen. We waren de vlindertjes van de Arête des Papillons. Twee van de vele.

Aan meneer Regen

Lieve regen, lieve lucht. Kap met het slopen van mijn boeken en het doen stinken van mijn tent. Geef me mijn bewegingsruimte terug, maak de camping weer mijn zorgeloze terrein. Mijn dons zit angstig in zijn hoes, teruggetrokken in de auto en nog even en ik kruip ernaast. Lieve regen, lieve lucht, nog niet ben ik een dier dat zich moeiteloos aanpast aan omstandigheden. Ik kan niet simpelweg onder een blad gaan zitten en zo wel, dan passen mijn boeken daar niet ook nog bij. Dankjewel.

Dit schreef ik toen ik een tweede lange dag opgesloten zat in een donker Quechua tentje van ongeveer mijn grootte. Regen is een ramp. Regen is een genadeloze test voor ieder die is aangewezen op een tent en wat beperkte ruimte in een auto. Alles wordt nat. Is het niet van de regen zelf, dan doet de luchtvochtigheid genoeg. Kleren gaan stinken, zelfs de schone. Wassen is geen optie want de was droogt niet. Naaktslakken kruipen langs het tentdoek, het tentdoek plakt aan de binnentent en de donsslaapzak krijgt constant vocht te verduren. De bodem van de tent wordt ook nat, waar het vandaan komt – geen idee. Alle boeken krullen op. Wandelkaarten halveren hun levensduur. Het is constant zoeken naar droogte, droogte bij anderen, spullen bij anderen, te lang in een café, in een hut, in de campingkroeg: Voel je je niet doorweekt en schimmelig, dan voel je je wel bezwaard.
Je humeur wordt aangevreten zolang je gevangen zit op het droge. Al je tochten lopen in het honderd. Je kunt de geur niet meer aan en de zorgen om je spullen nemen af, simpelweg omdat je de zorgen zelf zat bent. Fack it, schimmel maar. Je handen en tenen zijn constant koud, vraag me niet waarom. Je bent niet de enige wiens humeur op het spel staat; de grauwheid drukt elk gemoed het depressieve in. Ergernis verdubbelt per regendruppel. Verveling teistert nog de grootste optimist. De camping loopt leeg en jij denkt: Wat doe ik hier nog?

Het zijn de voorspellingen die je laten doorzetten. Momenten van zon draaien je de grootste loer door te doen alsof ze eeuwig zijn. Maar wanneer de regen weer klinkt, met dat venijnige tikken op het tentdoek, dan verwelkom je de grauwe realiteit alsof er in jou geschiedenis nooit een zon heeft bestaan. Ik faal voor de test.

Nasleep

Mijn bil is explosief. Een of twee keer per dag zwelt ze tot twee keer haar omvang, als een razendsnelle zwangerschap, gepaart met de pijn van een lichte wee (in zoverre ik dat kan inschatten) zonder dat een derde bil ooit het daglicht ziet. Na een uur of twee keert ze terug tot haar oorspronkelijke vorm.

Het leven met een explosieve bil is significant anders. Ik kan gaan en staan waar ik wil, tot ze besluit te zwellen en ik mijn werk moet neerleggen om de pijn te verbijten. Twee uur later kan ik alles weer oppakken.

Mijn hoofd mist juist een lontje. Vooralsnog ben ik een oude vrouw die slechts een enkele activiteit op een dag aankan. Is dat net het moment waarop mijn bil besluit te exploderen, dan is mijn dag zwaar de sjaak.

Toen ik uit het ziekenhuis mocht, een dag na de val, kon ik bijna niet geloven dat ik er fysiek zo wonderbaarlijk goed aan toe was. Ik ben die middag nog naar Maison de Montagne in Chamonix geweest om de dons van de gids terug te brengen. Nu blijkt inderdaad dat ik er onmogelijk zo gemakkelijk mee weg kon komen. Je huppelt niet weg van een val van twintig meter.

En ik word gek. De bergen hebben me laten proeven van de mogelijkheden, en al dat ik wil is trainen en teruggaan. Nu dit.

Het is verbazingwekkend hoe weinig ik het feit dat ik überhaupt nog in leven ben waardeer. Het lukt me totaal niet om me te verhouden tot mijn ‘geluk’, en zelfs dankbaarheid is een begrip waarmee ik nauwelijks uit de voeten kan. Op zich vergeef ik mezelf ‘t wel, want mijn gedachten zijn nog weinig getraind op dit gebied, dit is hun eerste aanraking met zulke ervaringen. Ik zal er nog een hoop woorden aan wijden.

Wat ik mezelf echter niet vergeef, is het feit dat ik baal van een praktijk die ik aan mezelf te danken heb. Ik ben zo stoer om te alpineren, zo stoer om het risico voor lief te nemen. Dan moet ik nu ook zo stoer zijn om de gevolgen te accepteren en zonder zeuren mijn leven – met bil – te draaien.
Daarbij viel ik nog geen drie weken geleden en blink ik uit in ongeduld naar mijn eigen lichaam toe, mijn eigen heilige fysiek waarvan ik wekenlang het maximale heb gevraagd. Ik snap dat mijn bil in opstand komt en mijn hoofd in staking gaat.

Het avontuur houdt aan. Het is nu de beurt aan mijn mentaal om de klap op te vangen en de realiteit met charme en met name met rust te aanvaarden, zodat mijn lichaam de tijd krijgt om te herstellen van wat ik haar heb aangedaan.