Beaucoup de Papillons

Menno en ik zijn niet in staat om rond het middaguur aan te lopen. Bij de hut zijn ze weinig gecharmeerd van een fashionably late arrival, dus onze redding lag bij onze avontuurlijke drift om de slaapzak mee te dragen.

Het was de regen die ons ophield op de vooravond van Arête des Papillons. We zaten onder de achterklep van Menno’s kleine rode wagen, leunend tegen onze gepakte tassen, en waren beide verbaasd over het aanhouden van de neerslag, alsof er water uit een lege emmer kwam gekletterd. Wat dan met die voorspellingen?
Het duurde even voor we het lef hadden om aan te lopen. In de mist zigzagden we parallel aan de lift naar Plan des Aiguilles, een bunker met twee droevige schuilende ezels en een houten kroeg zonder volk. De enige kleur kwam van een kolonie bivakkers en kampeerders.

We liepen door naar Lac Bleu, een felblauw ingeklemd meertje op tien minuten van onze graat, door een heuvelig grasland dat zich uitstrekte tot serieuze rotsen, slingerend door moerasjes en grote versleten rotsblokken. Hard gelach weerklonk over het meer en twee Duitsers verwelkomden ons in het schemerdonker, als koningen van het terrein. Ze leken achter één van de grote blokken een avondmaal paddenstoelen te hebben gevonden die aansloegen tot voorbij de volgende morgen. Onze aankomst daar was om te gieren, de nacht bezat een eindeloze bron van humor en de ochtend bleek nog mooier. Het was spijtig dat ze een pijler in gedachten hadden en niet aansloten in de Papillonrij, want dat had veel voor ons vermaak gedaan.

We lagen met onsRubyBivak-1 gezicht naar de graat en aten koekjes. Ik keek omhoog en was bang dat het weer het niet zou houden. De lucht was zichtbaar door enkele gaten tussen donkere, donkere wolken en al zou het de volgende morgen goed weer zijn, van de nacht wisten we niet zo veel.

De wekker ging als eerst om half zes. We wilden de meute van het liftstation vlug af te zijn, maar toen ik mijn ogen opende zag ik alleen maar mist. Tot vijf keer toe verzette ik de wekker, in mijn slaperigheid waarschijnlijk wachtend op een warme zomerzon. Pas rond tienen kropen we onze slaapzakken uit, nadat het liftstation ladingen papillons had vervoerd, die ons de weg wezen door zich massaal bij de instap te vertoeven.
‘Zen’, dacht ik. ‘Geen les routevinden of zekeringen leggen, maar een les geduld. Waardeer dat je op een graat zit en je favoriete hobby uitvoert, waardeer je gezelschap, waardeer het uitzicht op de Frendo en de Midi en het landschap eromheen’.

Bij de aanloop ontmoetten we twee flitsende oude mannetjes van in de zeventig, die ons niet meer alleen zouden laten voor de lengte van de graat en die wij ook niet alleen konden laten door de overbevolking van elke mogelijke zekering. Een gepensioneerde Zwitserse gids en een gepensioneerde Theoloog, buren, soepel als twintigjarigen en jolig en spraakzaam als hun vrouwen bij de heg op een mooie zondagmiddag. De trage lengtes werden opgevuld door hun vrolijke gekwebbel en commentaar, we hielden lunch met hen in het zonnetje en werden meegevoerd door het melodische Zwitserduits.

De graat had iets vriendelijks, met grote opgestapelde blokken zonder scherpe contouren en lichte kleuren, en dwong geen spanning af. Het was een setting waarin het klimmen zich naar de achtergrond verplaatste en het wachten de activiteit werd.

Tegen drieën verloren we toch ons geduld. Een stel Noren had weinig onder controle en hield de hele stoet op; de gidsen, ons, Amerikanen en wat daar nog achter kwam. Een blond meisje met een bol gezicht werd door wat mannen mee omhoog gezeuld en had zich het karakter van alpien niet helemaal beseft. Ze gilde, soms ging ze over tot jammeren. Haar voorklimmers konden haar niet horen en zij hen niet.
PapillonDe laatste maanden zag ik zoveel stellen lopen waarvan de man de grootste tas en het touw droeg, dat ik in een diepfeministische strijd verzonken was geraakt, en deze Noorse bevestigde mijn armzalige beeld van de gemiddelde vrouw zodanig dat ik bijna in staat was om mijn eigen sekse te verlaten. Gelukkig had ik de dag ervoor in Chamonix een vrouwelijke gids zien lopen waar zoveel kracht vanuit ging dat zelfs dit piepende meisje geen volledige afbreuk kon doen aan mijn vertrouwen in de vrouw, al deed ze uitzonderlijk hard haar best.  Ze klaagde en gilde en kreunde, barstte in tranen uit en giechelde vrolijk verontschuldigend wanneer ze even niet in een pas zat. Menno’s ergernis werd subtiel zichtbaar, nog voordat het ware feest begon, bij de cruxpas in een schoorsteen.
Zo’n twee uur stonden we stil, te wachten op de Noren. Het meisje raakte in paniek en de oude gids kwam in actie, hij klom als supermen naar de plaats delict en bewoog zich door de schoorsteen in een volledige split, waarbij hij cams legde voor het meisje zodat zij zich omhoog kon artiefen (ik herhaal, die man was zeventig jaar).

De schoorsteen was inderdaad ingewikkeld, en Menno verrichtte goede zaken bij het voorklimmen ervan. Godzijdank kwam het einde van de graat in zicht, we stonden al zo’n zes uur in de rij en de lucht betrok aanzienlijk. Het werd simpelweg laat.

En inderdaad, op de terugweg begon het te regenen. We daalden af in een breed couloir en maakten een (populaire) verkeerde afslag rechtsaf, waardoor we abseils moesten bouwen die gedoemd waren om vast te komen zitten en mijn vingers open te halen. Menno was zo vriendelijk om een verdwaalde Noor over ons touw te laten. De Noor op zijn beurt was zo vriendelijk om ervandoor te gaan toen we ons touw niet los kregen. Mijn zen was opgelost in baden van gevloek en gescheld, terwijl ik op versleten gympen over gladde rots soleerde om het *^&^$touw  naar beneden te krijgen.

Een lange modderige afdaling naar Chamonix in stromende regen.

Het vooruitzicht was zo oncomfortabel dat ons geen keuze restte dan er de charme van in te zien. We waren buiten de zone van het enge alpien en moesten alleen nog uren naar beneden kaggelen. Het pad was zo glad dat we geen vaart konden maken zonder op onze snater te gaan, en wanneer we uitgleden baadden we in de modder. Het bleef regenen. Menno bedacht duizend verschillende scenario’s voor wanneer hij de Noren in Chamonix tegen het lijf zou lopen, en ik bracht mentaal de tijd door in lange fantasieën over eten, want we hadden dergelijke vertraging niet ingecalculeerd.
Weer onder het dak van de kleine rode wagen voelde de tocht pas als afgerond.
De drukke en natte omstandigheden waren de uitdaging geweest, en hadden ons misschien een deel glorie van de graat ontnomen.
Maar de uitstraling van de graat, met haar grote opgestapelde blokken, heeft het avontuur wel als een sprookje in mijn herinnering gezet. Noren als de boze magiërs, Zwitsers als de onsterfelijke tovenaars en Duitsers als de goedlachse koningen. We waren de vlindertjes van de Arête des Papillons. Twee van de vele.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

w

Connecting to %s