Latest Posts

ZoalsWesterman

Ik wil schrijven zoals Westerman, denk ik al twee dagen. Mijn vader geeft me altijd boeken mee, zelfs als ik al moeite heb om een plekje voor mijn tandenborstel te vinden. ‘Wat moet je met al die boeken?’ vraagt Marcel regelmatig. Ik kan ze niet ‘doorgeven’ of ‘ruilen’, met name omdat de helft van mijn vader is.
Op de hoogte van mijn Engelse blog, gaf hij me laatst Hemmingway. The Old Man and the Sea. Op het vliegveld van Geneve las ik hoe de oude man door een gigantische vis over de zee gesleurd werd. Daar ging het hele boek over en ik wist omdat het Hemmingway was en mijn vader het had aangeraden, dat ik het goed moest vinden.
Briljant, eigenlijk.
Westerman was verplichte literatuur omdat hij reist en schrijft en daarin zo ongeveer de beste in is. Ik zou daarvan kunnen leren.
Het is jammer eigenlijk dat je als kind niet meer open en onbevooroordeeld naar je ouders kunt luisteren. Zodra Marcel iets hoort over yoga sluit hij zijn oren. Hij heeft er genoeg over gehoord. Zodra mijn vader met een boek aan komt zetten denk ik ‘mwah, dat zetten we in de kast en dan zien we wel’.
Zonde, want ik sleep Westerman al twee jaar lang mee. El Negro en Stikvallei. Het kostte me vijf jaar om Honderd Jaar Eenzaamheid te lezen (dat boek heeft veel studentenkamers gezien), nu ongeveer mijn lievelingsboek, en die vis van Hemmingway zwemt nog vaak door mijn gedachten. Het had me goed kunnen doen om Westerman eerder te lezen.

Hij schrijft vanuit zichzelf, hijzelf in relatie tot zijn onderwerpen, informanten, omgeving. Hij met zijn achtergrond, aanleg en emoties. Ik leer het drama van de Nyosvallei in Kameroen 1986 (Stikvallei) en El Negro kennen vanuit Westerman en ik heb dat nodig om te begrijpen en in te voelen wat daar gaande is geweest. Omdat ik toch al denk dat verslagen van het onbekende volledig gekleurd worden door wie verslaat, heb ik liever dat ik de verslaggever leer kennen.

En het gaat natuurlijk vooral om de manier waarop hij dat alles opschrijft.
Zo aantrekkelijk.
Zo zou ik dus ook over Chamonix willen schrijven.

Een Nachtje Rust

Woensdag 28 september
23:28
Grote paniek: De laptop laad niet op. Echt niet? Nee, echt niet.
Ik steek de stekker zo twintig keer in en uit. In en uit het stopcontact, in en uit de computer.
Geen lampje, geen klein batterijtje dat zich voedt in de hoek van het scherm rechtsonder.
Batterie Fiable 7% meldt de computer.
Ja dat weet ik (eikel).
Wat nu?
7% om mijn boek op de mail te gooien, en misschien zelfs wat foto’s. Maar de internetconnectie is momenteel net zo fiable, dus eigenlijk kan ik dat risico niet nemen.
Wat nu?
Oh grote rampspoed, mijn leven hangt van dat ding af. Ik verander in een Monster voor Marcel, it was facking new what the fack I hate this don’t do this to me now why no aaargh no no no.
Hij zegt: Geef haar een nachtje rust, daar knappen ze vaak van op.
Ik denk dat hij het ook over mij heeft.

23:40
Alle gevolgen op een rijtje:
-verloren verhalen en foto’s
-geen blogs posten
-hoe solliciteren?
-uitzoeken: is de lader kapot of de laptop? Hoeveel kost een nieuwe laptop? Wat is mijn financiële situatie? Wat zeiden de Boeddhisten ook al weer over materiële zaken? En met name over emoties?

Hoe keer je het tij van een emotie als alleen die emotie zelf als gereedschap aanwezig is?

23:45
Een beetje relativeren doet wonderen.
De laptop en ik nemen een nachtje rust.

Donderdag 29 September
10:00
Ik steek de stekker in het stopcontact en het lampje schiet aan.

Op de Wijngaarden

We hebben werk gezocht in Zwitserland.
Waarom daar? Daar betalen ze een stuk beter. Even druivenplukken in Zwitserland en je bent rijk.

Het was eigenlijk heel leuk om op de bonnefooi de bus neer te zetten en door de wijngaarden te lopen, op en neer, door kleine houten dorpjes die verzwolgen werden door de druivenstruiken. Een zon hoog in de hemel, de hitte van de vallei, getoeter van Martigny.
We waren laat. Het plukken is nog niet begonnen, maar de druiven hangen zwaar aan hun takken en de teams zijn al rond.
Of toch niet?
Elke Zwitser die we tegen kwamen was aardig. We ontmoette ze in hun prachtige gazons, sommige tussen de velden, andere op de werkplaats. We werden uitgenodigd op de thee en de hele vallei doorgereden in een snelle Zwitserse auto, toegelachen en aangemoedigd en telkens groeide onze stapel adviezen en aanknopingspunten.
Ze kenden elkaar allemaal.

Bij meneer Besse vonden we uiteindelijk drie weken lang druivenplukken voor 1700 euro (wat eigenlijk niet zozeer de Zwitserse jackpot is, maar waar ik wel mijn rijbewijs van kan gaan halen (!)).
Over een week gaat team Besse aan de slag.
We parkeren het busje weer boven de wijngaarden en zullen pas wegrijden als elke druif in de vallei netjes in een gele bak is gelegd.

Kom dan, Alpinistje

_dsc8988

De Chardonnet steekt daar altijd zo stiekem uit boven Glacier d’Argentière. Ik hou van de berg. Echt waar. Ik zou er zo een relatie mee kunnen beginnen.
Nu heeft ze plotseling weer sneeuw op haar rotsen. Daar hoef je geen twee keer voor te kijken, dat zie je al vanuit je ooghoek wanneer je in een gesprek met de buurman bent beland. Grijze berg is plotseling witte berg.

Samen met het feit dat de bomen op de parkeerplaats van Grands Montets roze blaadjes hebben gekregen en een koude wind tegenwoordig tussen de bergen ruist, kondigt ze het nieuwe seizoen aan. En adverteert vast stiekem voor het winterseizoen: Kunt u ook niet wachten tot de eerste goede afdaling van winter 2016/2017? Reserveer vast uw plek op mijn top, dan skiet u zonder zorgen van de Migot zodra mijn flanken in conditie zijn!
Jaja.

Ik heb zin in de winter. Vorig jaar kon ik me met geen mogelijkheid inbeelden hoe Chamonix er bij winter uit zou zien, laat staan hoe ik zelf van een sneeuwhelling af zou komen. Dit jaar stap ik zonder minderwaardigheidscomplex de skiscene in. Ik kan zo ongeveer beginnen waar ik in Maart geëindigd ben: Tussen de hoge bergen, in onwijs lastige sneeuw die ik net aan soort van wist te beheersen voordat het verdween.
Dat houdt niet in dat mijn traject bij deze afgerond is. Verre van. Nu moet ik die verfoeide dreiging van besneeuwde bergen leren inschatten zonder als een blind paard achter mijn vriendje aan te hobbelen. Nu moet ik leren skiën op daadwerkelijk steile hellingen. Nu moet ik eens serieus gaan inzoomen op mijn techniek en op zijn minst 12 skitochten er doorheen jagen voor de lijst van het toelatingsexamen.

Maar: Ook gewoon genieten. Ze hoeven in elk geval niet meer op me te wachten als we met zijn allen de groene piste afgaan en ik bang ben om een bochtje te maken (op ijzige zwarte pistes zal ik nog wel zo mijn tijd nemen).
En weet je wat ook zo leuk is: Het gootjesseizoen komt eraan! Ijsklimmen! Mijn Nomics hebben nog geen drie krasjes van die paar keer dat ik ze gebruikt heb, en dat wekt natuurlijk de verdenking dat ik ze alleen maar heb gekocht om mee te paraderen.
Ze zullen het zwaar krijgen, die Nomics. (Hoop ik)

Oh die Chardonnet. Kijk haar nou trots boven de andere uitsteken. Vraagt zij niet om avontuur, met dat laagje sneeuw dat zo nonchalant op haar schouders rust? Daagt zij ons niet uit, kom dan alpinistje, kom dan als je durft?

_dsc8983

Aan het werk

Het werkseizoen komt er weer aan.
Onvermijdelijk, want geld heeft niet de neiging om zichzelf te vermenigvuldigen.
Ik had gekozen om in Chamonix te blijven, maar daarmee nog geen beslissingen gemaakt over de invulling van het komende jaar.
Het is eigenlijk vrij eenvoudig: Omdat het werk pas in de wintermaanden weer beschikbaar komt ben ik vrij tot november/december en mag ik me vervolgens burn-out werken in een café dat de drukte niet aankan (en te beroerd is om een mannetje extra aan te nemen, want zo gaat dat in Chamonix).
Het goede aan seizoenswerk is wel dat je ook een heel seizoen hebt om bij te komen.

Dit is waarschijnlijk het laatste seizoen dat ik ga draaien. Ik heb niet de illusie dat ik volgend jaar plotseling aan de bak kom bij National Geographic, aangenomen wordt tot de gidsenopleiding of kan leven van dat boek dat ik nu aan het schrijven ben (waarin ik een beetje aan het vastlopen ben), maar ik wil op een gegeven moment mijn energie toch wel op een andere, duurzamere manier investeren.
Lange avonden biertjes tappen doet inmiddels niet zoveel meer voor mijn ontwikkeling.

Alhoewel, ik kan weer terecht bij mijn oude werkgever en heb hem gevraagd of hij me wat bij wilt brengen van het managers vak. Zoiets als stocklijsten maken, bestellingen doen, roosters in elkaar knutselen, naar omzetcijfertjes kijken, stress van hoger af voelen. Meer stress in het algemeen, misschien.
Ik eindig nog eens als horecatijger.

Het mooie aan mijn oude werk is wel dat je het niet veel extremer krijgt en dat heeft dan ook wel weer charme.

Het maakt mee eigenlijk wel rustig dat ik straks weer een beetje geleefd wordt. Vijf maanden lang rondrennen zonder tijd te hebben om over meer existentiële dingen na te denken, alle dromen op een tweede spoor, overgelaten aan de stille momenten in de bus of rij van de kassa, geld dat zich op de bankrekening aandient en een gemakkelijke sociale omgeving waarin ik zoveel zinloze dingen kan schreeuwen als ik wil.

Dan heb ik nu nog een beetje September en Oktober om door te dromen. Teksten insturen, tochten aftikken, foto’s maken, boeken lezen, toch maar eens aan die muzikale carrière beginnen (als je droomt – doe het dan goed)…
Nog eventjes vrij zijn.

Tussen thuis en thuis

Ik begin te wennen aan luchthavens.
Niet omdat ik zo’n avonturier ben, maar omdat Easyjet tickets van 26 euro verkoopt. Samen met de transfers heb ik voor minder dan 100 euro een retourtje naar huis.

Ik ben nog steeds bang dat het vliegtuig neerstort, zowel vlak voor het opstijgen als vlak voor de landing. En als de stewardessen met elkaar praten in die kleine ruimte achterin het vliegtuig denk ik dat ze een noodplan aan het uitwerken zijn omdat de piloot ze zojuist zachtjes via de intercom heeft medegedeeld dat een landing in het water onvermijdelijk is.
Maar luchthavens boezemen me geen angst meer in.

De eerste keer dat ik vloog was toevallig ook naar Geneve. Ik bezocht een geëmigreerd vriendinnetje en stond voor eerst op een snowboard – erg jammer dat het skiën me toen niet verleidde (dan had ik nu backflips gekund).
Ik was geloof ik 10. De heenreis vloog de vader van dat vriendinnetje mee, de terugreis had hij een plattegrond met stippellijntje getekend dat me netjes naar de open armen van mijn moeder leidde.
Ik herinner me nog het sterkst de paspoortcontrole, ik weet niet waarom, alsof ik toch twijfelde aan mijn eigen legaliteit.

Zo bijzonder als toen is het vliegen nu niet meer. Ik loop al heel nonchalant rond (drie uur van tevoren, dat wel) zonder te weten wat nu eigenlijk mijn vluchtnummer is, hoe laat het ding precies de lucht in gaat en waar mijn paspoort exact uithangt.
Vandaag was ik zo dromerig dat ik even twijfelde of ik wel in het goede vliegtuig zat. Ik denk dat áls er een keer zo’n geval doorheen glipt, ik daar best voor op zou gaan.
(Ik werd op de heenweg opeens omringt door Portugezen; was dus in de wachtruimte gaan zitten van TAP Portugal).

En toch hè, vliegen voelt nog steeds Harry Potter. Iets onbegrijpelijks gebeurt er, alsof je in je nek wordt gegrepen en ergens anders wordt neergezet. Het stuk land dat door de lucht wordt overbrugd ontbreekt voor mij ook echt. Ik verlies de fysieke link tussen Chamonix en Amsterdam.
Misschien lijkt Chamonix daarom zo surreëel als ik mijn Hollandse vriendinnetjes erover verteld. Alsof het vliegtuig me louter mijn eigen fantasie invliegt zodra het honderd meter boven Holland hangt.
Dat is niet zo, hoor.
Chamonix bestaat gewoon.

Mijn nieuwvonden comfort op luchthavens doet bij mij wel het vraagstuk reizen of het wel zo ethisch is, al dat gevlieg. Ik moet dat toch eens uitzoeken.
Maar die 26 euro zal altijd heel verleidelijk blijven.

Een touwtje voor de aansteker

Ik raak alles kwijt. Sleutels. Pasjes. Mobiel. Documenten. Dat zit in mijn genen.
Mijn moeder heeft dat niet. Mijn broer ook niet.
Mijn zus en vader wel.

Je zou kunnen zeggen dat we gewoon slordig zijn, wat ongetwijfeld waar is, maar wij moeten organisatorisch opboksten tegen een hele hardnekkige natuur.
Daar waar andere mensen immer hun pasje terug stoppen in hun portemonnee, vergeten wij dat we die eruit hebben gehaald zodra die de buitenlucht ziet.
Ons hoofd vindt geen grip op de kleine realiteit. Onze gedachten gaan niet vanzelf uit naar dagelijkse handelingen; die voeren we op een soort mechanische wijze uit en pas als er iets abnormaals gebeurd (de sleutel ligt niet op de sleutelplek) bemoeid ons brein zich ermee.

We moeten onze praktijk bombarderen met organisatie om te voorkomen dat we constant aan het zoeken zijn.
Discipline die moet doordringen tot die momenten dat onze kop absent is.
Dat is best lastig.

Ik heb me vrij snel aangeleerd om altijd achterom te kijken wanneer ik ergens wegloop en vind van alles achter me: vestjes op de treinstoel, mobieltjes op de bar, portommonees tussen de grassprieten. Een hardop mantra van ‘heb ik alles, heb ik alles’.
Dat redt me.
Maar wat me nog het meest heeft geholpen, is het vinden van een vriendje dat zo mogelijk nog erger is.

Toen ik voor het eerst in zijn busje kwam, zag ik dat de aansteker met een touwtje aan het gasstel was verbonden.
Dat vond hij het toonbeeld van organisatie, maar ik realiseerde me meteen ik dat ik met een gelijksoortig karakter te maken had. Aanstekers van georganiseerde mensen lopen nooit weg, alleen die van ons moeten we ketenen.

Het busje laat hoe dan ook met haar grootte geen pepernoot wanorde toe. Alles ligt bij voorbaat in de weg. Zonder een extreem regiem is er geen leven mogelijk en dat realiseren we ons dermate dat we bijna een beetje OCD worden.
‘Dat is niet Feng Shui!’ beschuldigen we elkaar dagelijks twintig keer.

Het regiem in het busje neem ik ook mee naar de gevaarlijke buitenwereld (dat is niet Feng Shui Ruby – hoor ik het oordeel van Marcel), en verdomd, mijn pasjes keren inmiddels terug naar de portemonnee.

Maar ik raak nog steeds dingen kwijt.
Dat is het lullige.
Mijn zus verloor het tasje met al haar pasjes de dag voor ze naar Marokko vloog. Ook zij is gedwongen hypergeorganiseerd, en dan alsnog glipt zo’n tasje erdoorheen.
Elk onbewaakt moment toont zich toch weer funest.

Die tasjes en pasjes en mobieltjes wachten rustig hun kans af en zodra ze een molecuul vrijheid detecteren schieten ze er als een paashaas vandoor.

Ze zijn ons wel echt kwaadgezind.

Voorbereiding op een afstudeerborrel

Ik maak een tocht op de Minaret in Bassin d’Argentière en kom ’s middags laat thuis bij de bus. De volgende dag gaat mijn transfer. Ik heb geen douche tussendoor.
Op Geneva airport voeg ik me tussen Nederlandse toeristen en zakenmensen.
Mama haalt me op bij Schiphol.

‘Hee Suus’, zeg ik als ik mijn zus ’s avonds aan de telefoon heb. ‘Ik moet zeker op netjes, morgen.’
‘Ja’.

Ik duik de kledingkast van mijn moeder in. De koningin van de bloesjes.
In de spiegel zie ik mijn atletenlijf, bruin waar het gletsjerlicht overheen is gekropen.
Brede schouders met twee armen die klaar hangen om een rots klein te krijgen.
Een beetje misplaatst daar zo in Aerdenhout.

Ik paradeer in Maison Scotch en Zara van links naar rechts en houdt mijn haar op om te weten hoe het eruit zou gaan zien.
Blauw bloesje. Wit bloesje. Toch die met die bloemen.

De volgende morgen was ik mijn haar en neem ik het make-up tasje van mijn moeder mee naar de keukentafel, waar het daglicht op de handspiegel valt en ik elke cel van mijn gezicht kan onderscheiden. Ik trek een zwart lijntje boven mijn ogen, leg mascara op mijn wimpers en breng lippenstift zorgvuldig rondom mijn lippiercing aan.
Mijn neus is dit jaar vijf keer verbrand en ziet nog steeds een beetje rood.
Sauvage, denk ik, die lippiercing. Het enige restant wild.

Dan vind ik nog twee oorbellen die later van diamant blijken en wanneer mijn moeder me treft hangt ze nog een kettinkje met een diamantje om mijn nek.

Ik voel me zoveel vrouw als kermisattractie.

Helikopterpiloot

Ik ging laatst op zoek naar schaduw ergens tussen de stomende hitte van Chamonix, en vond het aan de oever van de Torrent de Lognan. Vlak onder Glacier d’Argentière, naast de dennen en de helikopterbasis van de vallei.
Ik zag ze de hele tijd vliegen, de helikopters. Met veel lawaai stegen ze op en baanden hun weg tussen de ketens van Verte en Chardonnet. Al zie je de wieken als een malle in de rondte draaien, het blijft moeilijk om te bevatten hoe zo’n ding vliegt. Als een vogel. Zoals wij mensen niet kunnen. Alsof er toch een toverspreuk gezegd is, vlak voordat de piloot op de kopjes drukte.

Shit, dacht ik, ik wou dat ik dat kon. Dat ik begreep wat zich daarbinnen afspeelt. En dat ik dan mensen van de berg af kon redden of medicijnen naar Jemen kon vliegen of bosbranden in Canada kon doven.
Ik realiseerde me opeens heel sterk dat ik daar absoluut, bij uitstek niet de bekwaamheid toe bezat.

En dat ik eigenlijk niet de bekwaamheid bezat tot iets anders concreets.
Dat ik geen verpleegster was noch huizen kon repareren noch kinderen kon opvangen noch straten kon maken noch ecosystemen kon redden noch gedachten kon genezen noch helikopters kon vliegen.
Dat ik alleen maar een beetje creatief kon ronddartelen en een berg op kon klimmen en misschien langzaamaan goed werd in het begrijpen van mijn eigen geest.

De grote ontwikkeling binnen mijn leven ging zonder omwegen richting mijzelf.

Dat waren zo mijn reflecties in de schaduw van de bossen van Argentière, met het wilde stromen van de Torrent de Lognan op de achtergrond en het wieken van de helikopters boven me.

Ik heb er sindsdien wat meer over nagedacht (uiteraard, de helikopters bleven me dwars zitten) en de logische conclusie is dat je geen dokter of bioloog of bouwvakker hoeft te zijn om anderen of de natuur te helpen.
Maar in het soort ‘Chamoniaanse leven’ stort de weldaad zich niet op je pad. Je kunt je er of fanatiek naar toe bewegen (leren hoe je een helikopter vliegt), duwen en trekken aan je talenten en kwaliteiten opdat ze nuttig worden voor iets groters, of… niet.
Of gewoon niet.
Dan lach je vriendelijk naar de buschauffeur en, als je echt wil, help je de oude buurvrouw met boodschappen en dan ren je weer heel hard een berg op.

Ik denk dat het tijd wordt om me eens over de mogelijkheden te buigen.
Ik ben Ruby, dit is mijn aanleg, en hiertoe zou ik me eventueel kunnen ontwikkelen.
Een helikopterpiloot, bijvoorbeeld.
Dan leer ik de toverspreuk, vlieg ik de ruimte in en ben ik de wereld van dienst.

Instagram

Ik leg tegenwoordig mijn omgeving vast met een superdupercamera die op de ‘auto’ stand al een dor takje mooi op de foto kan zetten.
Het is tijd voor Instagram, dacht ik daarom. Want dan kan ik dat dorre takje met iedereen delen.

Ik begreep eerst niet dat je daarvoor een smartphone nodig hebt.
Die ene die ik van de berg heb gegooid is inmiddels vervangen door een goedkoop model dat net aan wat contouren in de wereld weet te onderscheiden.
Voor Instagram moet ik nu alleen nog ontdekken hoe ik de foto’s van de superdupercamera overbreng op mijn nieuwe smartphone. Alles voor dat dorre takje.

Dan kom je natuurlijk onvermijdelijk terecht in een nieuwe wereld, de wereld van Instagram, en ik ben al passievol op avontuur geweest in de creatieve representatie van de levens van Miley Cyrus, Kim Kardashian en dat bloedmooie model met die ondeugende bek waar ik even de naam van kwijt ben.
Vandaag ontdekte ik dat mijn Nederlandse vriendjes (en vriendjes van) ook allemaal Instagram hebben. Ze zijn massaal op vakantie geweest, in uberidyllische settingen, weergeven op de achtergrond van de bruine haren van een kokosnood of het hoekje van de zonnebril. Ze hebben cultuur op unieke wijze benadert, wijn gedronken (veel wijn) en hele fotogenieke gerechten gegeten en écht, iedereen lijkt wel fotograaf. Of ze hebben allemaal een superdupercamera die zelfs een dor takje mooi op de foto zet.

Instagram maakt het leven nog drie keer meer smooth dan facebook, heb ik even ontdekt. Ik heb allemaal avontuurlijke celebs in mijn kenniskring en moet dus ook drie keer harder mijn best gaan doen om een relatief cool leven te leiden.
Nu ben ik een beetje bang dat ik de plank mis ga slaan, vooral met de hashtags. En die eerste foto zit me dwars.
Misschien moet ik het dorre takje doorzetten.

Ik heb tegenstrijdige emoties bij mijn eerste (erg late) stapjes op Instagram, net als bij Facebook, social media in het algemeen, zoals iedereen ongetwijfeld. Creatief! Een kans! Denkt mijn innovatieve, meegaande hersenhelft.
Weg jij, denkt mijn Boeddhistische hersenhelft. Weg, weg, weg, gif, gif, gif.

Ik moet nu eerst op zoek naar een dor takje en dan zien we wel in hoeverre mijn eigenwaarde zal gaan afhangen van diens populariteit op Instagram.
Op pad met de supersupercamera.