We zitten in het park. De prullenbakken puilen uit van rotzooi en het gras ziet zwart van fietsen. Ergens in het midden hebben we een kringetje gemaakt, zeven bestuursleden rond een stapeltje bier. Kim zit in kleermakerszit, Kaspar ligt languit en Flo maakt tekeningetjes op een stuk karton. Ik leg mijn hoofd even tegen het gras, alsof de hitte door het contact in de aarde zou geleiden.
We werken gestaag de vergaderpunten af, van financiële zaken tot de nieuwe site. Ik pik zo nu en dan een woord op, maar neem vooral de tijd om mijn bestuur te bestuderen. Wat zijn we jong. Wat maken we een beslissingen. Vanaf welk moment waren wij bevoegd om zo voor onszelf in te staan? Weten we werkelijk wat we zeggen?
Ongevallenprocedure. Dat gedoemde document blijft maar terugkeren. Een paar dagen geleden speelden we nog verstoppertje op de kade van Monk, nu moeten we beslissen wat we doen als één van ons verongelukt. Er lijkt een stap te missen. Wanneer hebben we gekozen voor de wereld waarin dat soort documenten bestaan? Was dat bewust? Moeten we niet eerst onze ouders raadplegen? De bron van het document bestrijden, en dan niet de NSAC, maar onze eigen plannen? Onze verenigingsgenoten waarschuwen? Elkaar in Nederland houden?
Ik schud de hitte uit mijn gedachtes. We pakken de slackline en binden hem tussen twee bomen. Kasper en Kim zijn iets te beschonken om hun balans te houden. Flo zegt dat ze het niet kan en bewijst meteen het tegendeel. Roel zet een paar stappen, als een Tiroler met sandalen en een hoedje. Juul en Fiek raken verzand in een lastig gesprek en stoeien na afloop de spanning weg. Ik gooi onze rommel naast de prullenbak en haal mijn fiets van het gras. Kim springt achterop. We gaan naar huis.
Latest Posts
Datingshow
Welkom bij de Dating de l’escalade juni 2013! Wij weten als geen ander hoe lastig het is om een partner te vinden die een andere vakantieplanning heeft dat uzelf, en zoeken daarom voor u de klimmer van uw dromen! Laat u charmeren door de vele aantrekkelijke profielen die wij voor u hebben samengesteld en schroom niet om vragen te stellen over deze of gene die dreigt uw hart te stelen. Wij zijn u graag van dienst.
Vandaag beginnen we met een boulderaar type 6b, donkerpaarse pofzak en schouderdoorsnede van zo’n 55 centimeter. Hij heeft een Jeep waarmee hij u van plek naar plek brengt, maar vermijdt liever de meer geciviliseerde omgevingen. Zijn daadkrachtigheid is van korte duur, vergeet echter niet de overweldigende charme van een overbrugt hoogteverschil van zo’n drie meter.
Deze krachtpatser fungeert graag als uw bouldermat. Hij is op zoek naar een vrouwelijke boulderaar type 5c of hoger, het liefst met voorkeur voor overhang. Tussen de boulders door wordt hij graag voorgelezen.
Onze tweede aantrekkelijke vrijgezel is een redelijk ervaren wandelaar die zijn heil zoekt bij tweeduizenders. Zo ongemakkelijk als hij is in de omgang, zo goed kan hij met touwen overweg. Geen techniek die hij niet kent! Hij komt met een arsenaal aan materiaal, dus mocht u het een en ander ontbreken, dan is dit absoluut een optie.
De eerste vrouw van vandaag is een harde sportklimster met een schouderdoorsnede van maarliefst 67 centimeter en onsightniveau van 7b. Deze topper schuwt geen route en streeft al jaren naar een eigen poflijn. Ze knapt af op toprope. Klimmen op eigen protectie vind ze daarentegen nodeloos risico nemen, dus wanneer u om kan gaan met boormachine en haak zit u bij haar gebeiteld. Haar favoriete klimoord is Freyr in de zomer, houdt rekening met een mooiweerklimster.
Ze wil het liefst een partner, man of vrouw, met een grotere schouderdoorsnede dan haarzelf. Mocht u hier niet aan kunnen voldoen, dan sturen wij u graag een trainingsprogramma met oefeningen waarmee u binnen no-time haar figuur overschaduwt. Daarnaast zoekt ze iemand met grote sociale vaardigheid, een goed gevoel voor humor en de bereidheid urenlang te zekeren (Grigri mag).
Onze tweede vrouw klimt misschien niet zo hard, maar blinkt wel uit in lenigheid. Met gemak topt zij schoorstenen die slechts in volstrekte spagaat te overbruggen zijn. Ze draagt wijde harembroeken en shirtjes van verantwoord katoen. Doormiddel van lichamelijke harmonie en geestelijke balans overwint zij haar voorklimangst. Haar veganistische levensstijl vergt tijd, aandacht en geduld, dat ze opbrengt door regelmatig te mediteren aan de rand van de rotsen. Het liefst klimt ze naakt.
Deze vrije geest is op zoek naar een man (of mannen) met de natuurlijke gratie van een chimpansee. Ze is groot voorstander van rust aan de rots en pleit voor het mosbehoud in afgeklommen gebieden. Bent u strijdbaar, één met uwzelf en harig, dan is dit absoluut een vrouw voor u! Flexibiliteit en geduld zijn codewoorden om deze schone klimster voor u te winnen, en wees grenzeloos openminded. Mediteer en u zult vinden.
Ons laatste profiel weergeeft een wat oudere, vrouwelijke alpinist. Ze heeft flink wat summits op haar naam staan en wordt geroemd om haar lichte tred op stijgijzers. Tijd die ze niet aan touw besteed, brengt ze het liefst door op haar residentie aan de flanken van de Mont Blanc . Haar weerkennis is subliem.
Besef wel dat onze femme fatale al meerdere mannen heeft verslonden en op mysterieuze wijze is verloren aan de dieptes van de Alpen. 30 jaar alpiene ervaring is dus op zijn minst een vereiste. Zorg dat u date op 1000m of lager, om risico’s te mijden, en houd rekening met het feit dat ze nog van de oude school is. Enige verdieping in verjaarde klimtechnieken kan geen kwaad. Wij zijn niet verantwoordelijk voor het verdere verloop van deze relatie.
Dit was het weer, Dating de l’escalade juni 2013! Hopelijk vind u een ware match tussen deze vijf buitenkansjes en zult u een klassiek romantisch sprookje beleven. Mocht u zelf een profiel willen opstellen of in contact willen komen met één van deze klimmers, laat het ons dan weten via vakantieplanning@ikbeneenklimmer.com. Succes!
Ongevallenprocedure
In mijn mail staat een document als bijlage dat we, als bestuur van een Studenten Alpen Club, speciaal voor komende zomer opgestuurd hebben gekregen. Het document bevat een procedure waarin een groot aantal stappen wordt omschreven, die we moeten uitvoeren wanneer één van ons niet terugkeert uit de bergen. Pure onheil in een bijlage.
Ik heb het nog niet gelezen. Dat ding staat me tegen, misschien wel zoals het hoort. Toch zal ik hem openen en, zoals van me wordt verwacht, zorgvuldig doornemen. Veiligheid is een dominant thema binnen het klimmen. Dat het mis kan gaan, is net zo inherent aan de sport als dat het goed gaat.
Maar shit, ik kom nog maar net kijken. Zo onhandig als ik nog ben met touwen of tochtenplanning, zo onhandig zijn mijn gedachtes ook nog rond het risico dat de bergen me brengen. Ik zou graag zeggen dat ik de risico’s op mijn eigen dood accepteer, zoals ik in de verhalen lees van slachtoffers of overlevenden, maar voor mij zijn ze zó knallend ongrijpbaar . Gevoelsmatig ben ik banger voor de angst voor de dood. Ik wil niet met een enkele hand aan mijn pikkel in een spleetje bungelen, denk ik zo. Geforceerd, ja, want ik weet het niet. Ik ken de dood niet. Ik waan me best wel veilig onder de vleugels van een gids of ervaren klimmer, misschien dat een groter begrip zich aandient wanneer ik zelf meer verantwoordelijkheid krijg en penibele situaties leer herkennen.
Maar dit is ook niet het onheil van de bijlage. Het punt met het document is dat het precies de kant van het klimmen benadrukt waar ik écht, concreet, bang voor ben. Het geeft aan wat ik moet doen als het met een ander misgaat. Mijn eigen dood is, zoals ik al schreef, ver en onbegrijpelijk. De dood van iemand anders, van iemand die dichtbij me staat, jaagt me echt de stuipen op het lijf. Oudere kennissen in het wereldje hebben mensen verloren en het voelt alsof het slechts een kwestie van tijd is. Wie dan? Wanneer dan? Ben ik erbij, zie ik het gebeuren, word ik gebeld? Elk antwoord is even ondragelijk.
Dat mailtje. Wanneer ik erlangs scroll krijg ik acuut de neiging om al mijn dierbare bergvrienden onder mijn eigen vleugels te nemen en te beschermen tegen die mooie sport van ons, om ze weg te halen van die tikkende tijdbom. Onheil in een bijlage. Ik zal hem lezen, maar alsjeblieft, laat het daarbij.
Een dag is zo leuk als de zon schijnt
De witte benen die opgaan in het licht van de aankomende zomer en de rode smoelen die doen denken aan de grote verbrandde lichamen op het strand, aangespoelde walrussen die me intrigeerde toen ik jong, bloot en ingesmeerd door het zand rende; dat maakt deze dag zo leuk. Gillende kinderen zijn al onhandelbaar voor ze ’s ochtends vroeg het lokaal binnen komen. Ze zijn de tsjilpende vogeltjes van de stad.
Waarom fietsen er meisjes met leren jasjes door de straten? Het uittrekken van zo’n jas zou voelen als een revolutionaire act, ze zouden met een euforische kreet deel worden van de diepgaande veranderingen binnen een land. Een land dat bijna in zomer is.
Boodschappentassen waar de punten van twee lange stokboden uisteken worden her en der door de straten gedragen, op weg naar een paar vierkante meter gras in een park. Zakenmannen zweten hun pakken uit. Dames die normaal gesproken niet zo cool zijn, genieten van hun nieuwe identiteit achter hun grote zonnebril.
Als een voetganger bijna omver wordt gereden glimlacht de chauffeur verontschuldigend schaapachtig. En warempel, de voetganger glimlacht vergevend schaapachtig terug. Een volwassen man likt aan zijn ijsje. Jongeren vergapen zich aan al het vlees. Ik zie iedereen buiten, zichtbaar onwennig, hun rokjes trekkend over hun witte benen. En ik weet bijna niet wat leuker is: De zon op mijn eigen gezicht of de zon op al die anderen.
Het openritueel
‘Goeiemorgen!’ (leverancier)
‘Hooi!’ (ik)
‘Gaat ’t goed?’
‘Jazeker, met jou?’
‘Lekker hoor. Slecht weer buiten’
‘Ja, ik weet ‘t…’
…
‘Okee, werkse!’
‘Yes, jij ook. Doei!’
En tot nooit
Het interesseert me geen moer wat je gaat doen. Hoe je kind gaat heten, of je wordt aangenomen, waar de relatie met de liefde van je leven heengaat. Het is me volstrekt om het even. Ons beider geveinsde interesse is ontmaskerd. Ik zeg ‘doei’, jij zegt ‘later’, en we denken, ‘en tot nooit’.
Hoogstens ben ik wijzer geworden uit onze woordenwisselingen. Je levenservaring, inieminie deeltjes daarvan, zullen wel het mijne zijn geworden. En jij bezit wat van die van mij. Dankbaar kunnen we elkaar echter niet zijn, want we floreren in desinteresse, zo intens en impulsief dat er niet eens tijd overblijft om het woord uit te spreken.
Of we waren elkaars vermaak in een tijd die toch overbrugd moest worden, of we waren elkaars sociaal wenselijke praktijk. In elk geval ontbreekt het ons nu aan een samenkomst van plaats, tijd en onze aanwezigheid, en kunnen we louter bij afscheid onze vrienden vieren.
Ik hoop dat je kind een mooie naam krijgt.
En tot nooit.
Criminaliteit in ’t Café: Balans
Het dienblad vormt een perfecte balans met de corona’s, Prosecco glazen en Martini’s op haar oppervlakte, rustend op mijn vingertoppen. Als er een verandering plaatsvindt door de redding van een vergeten vaasje dat zich doodslaat op de bar, kan ik de balans hervinden door mijn hand wat te verplaatsen. Het wiskundig brein van horecapersoneel bevind zich (louter) in hun vingertoppen.
Wanneer een gast in een waan van extreme uitdroging vast zijn cola van het blad afpakt dan BAM. Of wanneer een gast, lief bedoelt, haar koffiekopjes net wat onhandig richting de rand van het blad plaatst, BAM. Het gaat nauwelijks mis omdat er vrij snel geanticipeerd kan worden op dergelijke dreigingen, maar toch geef ik graag het advies af te blijven van de harmonische toestand tussen dienblad en horecapersoneel.
Berg zegenen de bergen
Ik hang de bergen aan als een religie. Ik denk en ben overtuigd van bizarre dingen, waar ik niet eens meer de volle vreemdheid van kan invoelen. Ik zeg dat ik alleen in de Alpen vrij ben. Dat ik daar anders nadenk dan hier, maar hoe vreemd en onmogelijk zou dat zijn! Dat terwijl ik niet eens in staat ben om het concept vrijheid voor mezelf te definiëren of kan omschrijven hoe dat ‘andere denken’ er dan aan toe gaat.
Nu besef ik me dat pas. Ik begrijp dat ik een eigen, creatieve wereld heb gevormd die naast het bestaan van de bergen zelf weinig concreets in de realiteit bezit. Tot voorkort was ik een slachtoffer van de grootse magie van de Alpen, maar nu weet ik dat die magie een verzameling van jarenlange gedachtes in mijn eigen kop is, zo vertrouwt en frequent dat het voelt als de werkelijkheid. In de bergen kan ik denken, in de bergen ben ik vrij.
Ik ben er dus ook mee gestopt om tegen anderen in deze termen over de Alpen te spreken. Ik praat niet meer over een magie die ergens anders, daar ver in het hoogland, bestaat. Ik vertel ze dat het er mooi, en rustig, en spannend is. Maar niet dat ‘daar’ mogelijkheden liggen om een volstrekt ander mens te zijn. Ik zou ze eerst moeten bekeren, willen ze dat ooit begrijpen.
Gelukkig heb ik een groep gekken om me heen die zichzelf zowaar hetzelfde hebben wijsgemaakt als ik. Geloofsgenoten. We fokken elkaar volledig op en kicken op elkaars getiktheid. Mooier gezegd: we betoveren elkaar. Hoger, groter, verder, heiliger.
Daarnaast zijn er nog verhalen, filmpjes, sites. Als ik wil kan ik eindeloos andermans bergavonturen consumeren. Allemaal gedachtegangen die lijken op de mijne.
Het voelt alsof ik daarin voldoende bewijs vind van mijn religie. In de creatieve wereld die ook in de geest van anderen is ontstaan.
Toch, is dat niet een beetje solide? Als we allemaal uitkomen op dezelfde magie, als we allemaal geloven in dezelfde werkelijkheid, moet daar dan niet iets aan ten grondslag liggen? Als in…een berg?
Ettringen 2013
Vanaf mijn voordeur loopt een modderig spoor door mijn kamer. Het gaat langs setjes, slaapzakhoezen en een hoop vuile kleding, tot twee doorweekte Vans. Over elke stoel hangt wel iets: Een matje, een slaapzak, een jas, sokken.
Ik stap onder de douche en ontdek de veelheid aan wondjes, door het prikken van het water op mijn geschampte huid. Mijn spieren protesteren als ik shampoo in mijn haar kneed. Ik zie klodders schuim langs de blauwe plekken op mijn benen glijden. Het valt echter nog mee. Fieke zou geloofwaardig aangifte voor zware mishandeling kunnen doen. Dader: Ettringen.
Ik droog me voorzichtig af en stap mijn kamer weer binnen. Het ruikt er naar regen.
Velden
We maakten ons zorgen, Juul en ik, daar op Amstel. De voorspellingen waren verdrietig en de optimisten schaars. Er was wat gedoe met auto’s, een traditioneel overspannen Weco, een Belg die zijn auto niet achter durfde te laten en een emotionele voorzitter. We vroegen ons af wie we nou moesten troosten van alle hoopjes mens aanwezig.
Twaalf uur later, zaterdagochtend 18 mei, reden we dan toch langs de velden, die zich een jaar geleden knalgroen toonden onder een niet aflatende zon. Richting de steengroeve, de lucht was grijs.
Joris, Fieke, Kaspar en ik daalden af naar een lage wand die in mijn herinnering haken had, maar ze nu ontbrak. Het was onomwonden de bedoeling dat we op eigen protectie zouden klimmen. Fieke deed niet moeilijk, ze had de ballen om cams in de spleten te raggen en te klimmen alsof ze aan een toprope zat. Ik deed wel moeilijk, ik klom na wat anderen heldhaftig hadden ingehangen.
De zon brak door en geen druppel durfde zich aan Ettringen te wagen. Asaccers trokken naar elkaar toe en klommen elkaars routes, overal liepen blote basten en BH’s. Als een mierenkolonie bezetten we de spleten in de rotsen. Het water dreigde op te gaan, ik zocht naar appelsap, sinasappelsap, alles was op. De dag was lang en het gebied onuitputbaar. Fieke klom routes voor waar zelfs Juul van onder de indruk was. Een inmiddels legendarische schoorsteen boven een klein bandje deed ons allemaal verbazen.
(Ruby tegen Fieke) Fieke, hoe de hell heb je dit geklommen?
(Kaspar tegen Ruby) Ruby, hoe de hell heb je dit geklommen?
(Joris tegen Kaspar) Kaspar, hoe de hell heb je dit geklommen?
(Kaspar, Juul, Kim, Nick…) Etc, etc…
Juul en ik vonden een boomstam die veel weg had van een didgeridoo. Of van een telefoon, ijshockeystick, zo’n ding dat uit een onderzeeër komt, speer, neusbotje, revolver, luchtbuks, wandelstok, varkensspiets, gehoorapparaat enzovoort. Het werd Juuls grote kameraad, voor altijd verbonden (L). (De boomstam mocht in de bus mee terug en ligt nu waarschijnlijk naast hem in bed).
Terwijl de zon geleidelijk uit de steengroeve kroop en Kim telkens een rots hoger klom om wat laatste stralen op te pikken, reden Max en Nick naar de camping om respectievelijk de BBQ en de knoflooksaus voor te bereiden. Een uurtje later waren wij ook op weg, langs de velden die weer leken op voorheen. Groot, glooiend en zonnig, intens en intens groen.
Het koelde snel af, maar nog steeds bleef het droog. We zaten in een kring rond het eten en hielden discussies over het vegetarische dieet. Er was maar één vrouw aanwezig die vlees at, de rest van het geslacht kloof aan maïskolven en gepofte aardappel.
Het moment dat Sambucca op het toneel verscheen zocht ik haastig mijn tandenborstel en tandpasta en nam een sprintje naar het toilethok.
Kim was mijn tentmaatje. Ze vertelde me dat ze, als ze ooit ontslag van zichzelf zou nemen, wel een kameleon zou willen zijn. Ik vond dat best wel cool.
Het bos
De volgende morgen vertrokken Joris, Fieke, Kaspar en ik naar het bos. We liepen tot aan een duistere wand, waar Juul en Iris al hun hersens over aan het breken waren. Fieke zag spoken, heuvels die er niet waren, routes die niet bestonden. Joris was meer in zijn element. Zijn hekel aan de ‘niet natuurlijkheid’ van de steengroeven werd getemperd door het leven in het bos. Hij klom zich kapot in een crack, die ons allemaal vrijwel net zo uitdaagde als de schoorsteen van de dag ervoor.
Die crack had een kleiner broertje naast zich dat me helemaal in de war maakte. Ik kon me niet gewoon monofocussen op die ene breuk, maar was ook niet slim genoeg om handig gebruik te maken van de minicrack. Links verdween mijn hele arm in de rots. Rechts paste net een vingertje. De route was niet te klimmen zonder de voeten pijnlijk in de linker te wurmen. Het was beuken. Mijn arm uit de kom trekken en schrammen over elk uitsteekseltje. Fiek heeft me zo’n half uur gezekerd over een stuk van drie meter.
Ondertussen hielden ze beneden een discussie met betrekking tot grootste wereldproblematiek. Ik moet toch nog eens vragen wat de uitkomst was.
Tegen het eind van de dag begon de lucht wat meer te dreigen. Fiek had zich net aan een route overgegeven en kwam bovenin tot de ontdekking dat de haken te scherp waren om zich over te laten zakken. Casus! Het werd een interessant spel tussen touwtechnieken, Joris, Fieke, frustratie en de dikke bewolking die langzaam over het gebied heen trok.
Regen
En toen hield het niet meer op. Op het menu stond pasta met saus, maar de boodschappenploeg was vergeten om pasta te kopen. We sprongen in de auto en reden naar de Pizzeria in het dorp. Natuurlijk waren wij compleet ongeciviliseerd en vond ik het maar al te mooi om op deze wijze, met zo’n grote groep wildebrassen, een restaurant in te lopen. Voorspelbaar maar niet minder leuk. Modderige handjes op het witte tafelkleed. Elout aan de Sauvignon.
Achter het raam begon het te tikken. Nadat we onze pizza’s ophadden wilde Ettringen niet meer onder de douche vandaan. We renden naar een kroeg. Vanuit de regen naar een dichte rooklucht, doorspekt van foute muziek en ogen die ons vreemd aankeken. We besloten naar de tent terug te keren.
De tarp bood ons nog een tijdje comfort. Vanuit mijn tent, gelegen naast de tarp, volgde ik wat gepraat over hooi en stro en het verschil ertussen. Kim en ik constateerde dat de gesprekken na een dag klimmen vrij typisch waren. Een groep Asaccers produceert ’s avonds keer op keer dezelfde humor, ongeacht uit welke klimmers die bestaat. Bijdehand, plagerig en weinig diepzinnig. Het is de vraag of je op meer zit te wachten.
De volgende morgen hoosde het nog steeds. We renden heen en weer tussen de plekken waar we veilig waren, ontbeten knus met zijn allen onder de tarp, en flikkerden de tenten ongeïnteresseerd in hun hoesjes, omdat ze thuis toch moesten drogen. Onder Juul zijn tent lag een vierkant zwembad. Alles was modder.
Op Amstel waren we nog niet veilig. Ik stapte op mijn fiets, in de hardste regenbui tot dan toe. Plassen water sprongen op tot aan mijn knieën. Het zoute zweet van het warme weekend was in een paar minuten van mijn voorhoofd gespoeld. Juul en ik hadden ons die vrijdag voor niets zorgen gemaakt. Ettringen was fantastisch. De verdrietige voorspellingen deden hun eer niet aan. En mijn terugrit was hun uitzonderlijke wraakactie.
Criminaliteit in ’t Café: Theedrinkers
Studeren in een café werkt fantastisch. Ik doe het zelf graag, en wanneer ik op werk tafels heb met laptops en stapels boeken, overvalt me eenzelfde rust als in de bibliotheek.
Met consumpties koopt een gast het recht om een plekje in het café te behouden. Voor een kopje thee geld zo’n half uur. Voor een lunch kan hij of zij wel twee uur blijven zitten. Alcohol tijdens dit soort solowerk-cafebezoeken vind ik briljant. Wanneer een gast tijdens het schrijven van haar scriptie aan de wiskey gaat, zie ik in gedachten het stuk al de meest positieve wendingen nemen en mag ze (vrijwel) zo lang blijven zitten als ze wilt.
Maar er zitten bepaalde tijdslimieten aan consumpties. Gasten kunnen niet onbeperkt op een enkel kopje thee teren. Zodra er drie lange uren verstrijken voel ik als personeel de drang om mijn territorium af te gaan bakenen. Als ik dan voor een vierde keer langs kom en op dwingende toon vraag ‘meneer, wilt u misschien nog wat te drinken?’, waarvan waarschijnlijk alleen maar de woorden ‘meneer’ en ‘drinken’ door de muziek in zijn oordopjes weten te dringen, mag hij simpelweg niet schaapachtig nee schudden. Dan moet hij zeggen ‘ja, mevrouw, ik wil hier graag tot diep in de nacht zitten en zal alles consumeren dat alle gasten die in mijn plaats aan deze tafel zouden hebben gezeten, zouden hebben weggewerkt. Inclusief borrelhapjes, driegangen menu en cocktails. Met liefde.’
