Latest Posts

Grote Jep

Over La Grande Bellezza schrijven is eng. Jep zegt nogal wat, waardoor de film nogal wat zegt, en als je dan wat terugzegt wil je dat ’t toch op eenzelfde niveau is.
Ik weet alleen niet of ik helemaal begrepen heb wat Jep zegt, en zelfs in die situatie heeft hij me uit ’t veld geslagen. Zijn ‘bla bla’ is het meest wijze dat ik ooit heb gehoord. Zijn Italiaans is het mooiste dat ik ooit heb gehoord, een ticket naar Rome is onvermijdelijk, onlangs toegevoegd is gevuld met klassieke opera en ik kan niemand meer serieus nemen. Behalve Jep. En zij die wel wat over La Grande Bellezza durven te schrijven. En de wortels die ik moet eten, omdat die belangrijk zijn.

Jep de Hamster

Op de avond van 23 november lag een dikke moederhamster puffend in het hooi. Begeleid door flets TL licht wurmde baby na baby zich een uitweg en zette poot in een kooi, diep, diep in Amsterdam West. In gevangenschap geboren.

Nog voor Jep naam of zicht had werd hij al geprofileerd op Marktplaats. Een worm met potentie. Samen met zijn broertjes en zusjes stond hij gefotografeerd en gewaardeerd op vier euro binnen het bleekgele kader.

Om de zoveel dagen verschenen nieuwsgierige mensenhoofden achter de tralies. Luide stemmen braken zijn dagrust, grote handen tilden hem op en zetten hem weer neer, grote ogen zochten de schattigste onder hem en zijn broertjes en zusjes.
7 december verkozen twee dames hem. Het waren de witte vacht met de bruine en grijze stippen, en zijn rustige houding (al op zo’n jonge leeftijd) die hem positief onderscheidde van de rest.

Zondag 15 december zal Jep bevrijdt worden. Mits hij tegen die tijd de lading van zijn naam begrijpt en zich ten gevolge niet al te pretentieus opstelt.

Geen Theorie

De periodisering pakt anders uit dan verwacht. Ik wilde eerst drie weken kracht doen, daarna drie weken uithouding. Kracht ging al snel synoniem staan voor boulderen in Monk, specifiek een aantal groene projectjes in de overgang die ik niet los kon laten. Inmiddels zijn er nieuwe voor in de plaats en weer word ik als een magneet tot ze aangetrokken. Mijn huidige drie weken uithouding zijn dan ook bijzonder krachtig. Ik ben bijna zover mezelf boulderaar te noemen.

Het is duidelijk dat ik de periodisering verwaarloos, net als andere ideeën die ik afgelopen weken heb opgedaan. Ik doe waar ik zin in heb. Zoals een kind in de speeltuin van klimrek naar glijbaan rent en halverwege besluit toch op de wipkip te gaan, onderwijl verlangend naar de schommel en de touwbrug, ren ik door een hal. Ik was de overhang even vergeten, maar voorklimmen in Thea en Centraal is zó leuk. De oefeningen van Gimme Craft zijn leuk, rekken is leuk. Sterker worden is leuk.

Kortom, ik laat alle theorieën even voor wat ze zijn en ga gewoon mijn gang zodra ik een hal in stap. Dat hele beter worden komt wel, of niet. Maar klimmen is leuk.

Alpenbezoek

IMG_5802(1)wm

Het café ligt aan een groot kruispunt, waar rond zessen auto’s en fietsers samenklonteren op het ritme van de stoplichten. De voetgangers hebben de Amsterdamse gewoonte tussen het verkeer door te glippen, de trams hebben de autoriteit. Het is een kruising van beweging, zoals elk kruispunt, maar ik ken de gang van deze. Ik weet in welke richtingen mensen kijken wanneer ze oversteken en waar het gevaar schuilt. Ik ken het lied dat de hobbels van de weg voertuigen dwingen te zingen.

Gisteren kwam de storm. Geen ritme, geen voetgangers of trams, geen gevaar en voertuigenlied klonk nog. Een paar mensen toonde zich op straat, met hun capuchons op, halfgebukt op halve snelheid. Maar ze verdwenen naast het geweld dat overal om hun heen aan gebouwen, schuttingen, verkeersborden en straatstenen trok.
Ik stond achter de ruiten en keek met open mond naar buiten, naar het kruispunt dat voorgoed van haar karakter beroofd leek. De beweging van de wind en hagel toonde zo’n kracht dat ze voor een half uur het enige was dat ooit geweest is. Terwijl ik naar haar staarde voelde ik me kwetsbaar en irrelevant, als de reclameboorden onder haar sleurende dominantie. Als een nietige aanwezigheid. Als een mens in de Alpen.

Voor eens, deze avond, kwamen ze mij opzoeken.

 

22

Al vanaf mijn veertiende brengen verjaardagen de crisis van het ouder worden. Sinds mijn denken enigszins op gang is, ben ik me tergend bewust van de voordelen van onwetendheid, roekeloosheid en onverantwoordelijkheid. Ik wil niet terug, maar alles dat me dichter bij het drama van de dertigjarige vrouw brengt maakt me dieptreurig. Ik ga mijn creativiteit vastbinden met ductape. Eenieder die zich waagt aan mijn vertrouwen en optimisme stuur ik mee naar Spanje. Ik heb back-up van honderd zwarte pieten, elke verjaardag, hoe oud ik ook word.

Ik vind het mooi om te zien hoe mijn vrienden steeds noemenswaardiger worden. De tijd brengt ons persoonlijkheden. Toch, vanuit een duistere invalshoek, brengt de tijd me dit jaar eenentwintig niet uitgevonden eieren. Een ei per jaar. Ik had een tophockeyende soulartiest met Braziliaanse kinderen, bestsellers en een grote gekleurde pappagaai kunnen zijn.

De eerste pepernoten herinneren me eraan, maanden voordat ik jarig ben. Wanneer de Albert Heijn vol kinderschoenen staat weet ik dat Sinterklaas is gearriveerd, met de crisis van het ouder worden in de juten zak van zijn zwarte pieten.

Maar dit jaar heb ik wél een ei uitgevonden.

En dat is het ei der besef van daadkracht. Ik word geen treurige dertiger wanneer ik geen treurige dertiger wil worden. Ik wordt gewoon heel blij, altijd, ongeacht hoe vaak ik Sinterklaas al aan wal heb zien stappen. Dus nu ga ik pepernoten eten en een feestje vieren op de beat van de zwarte pietenrap.

Vaste Gasten

Een vrouw loopt een zoveelste keer binnen en ik herken haar. Wat ze besteld is wat ik al vaag verwachtte. De keer daarna associeer ik haar meteen met haar bestelling. Ik blijf vragen wat ze wilt, weken lang, terwijl ik het kopje al onder de machine heb staan. Geen van beiden geeft een kick wanneer het bekende gezegd wordt. Tot ik haar de status van vaste gast gun en geen vraag meer stel. ‘Ik denk dat ik het wel weet…’. En ze lacht vriendelijk.

De klant is koning, maar de bediening heeft de macht. Vaste gasten verwerven hun status in conversaties tussen bedieningsleden, of bij het ontstaan van een bepaalde vertrouwelijkheid tussen bediening en gasten. Gasten kunnen niet hun eigen status bewerkstelligen door slechts een ‘je weet het wel’ knikje te geven wanneer de bediening langsloopt. Het is een proces dat meer temaken heeft met uitzonderlijkheden en een bepaald soort bescheidenheid, dan met de routine van de bestelling.
Het is het vrolijke gekwetter van een ouderwets stelletje, de enthousiaste hond van een man met krullen of het beeldschone gezicht van een Aziatische vrouw, dat hen karakter geeft in gesprekken en doet uitstijgen boven het kleine schakeltje dat de anderen vormen.

Drie Minuten

Het hele café was gevuld met dertigers. Ze zaten als man en vrouw tegenover elkaar aan een tafeltje met een kaartje met nummer. Voor elk van hen lag een papier en een pen. Ze dronken water, bier en wijn.

Drie minuten kregen ze de tijd om in elkaar een potentiële levenspartner te ontdekken. Ondanks het  feit dat de ander aan het speeddaten en dus zoekende was, gaven ze hun gesprekspartner een kans. Ondanks het feit dat zijn of haar kleding zorgvuldig was uitgezocht, woorden zorgvuldig waren gekozen en lach zorgvuldig was opgezet, konden ze voorbij de wanhoop van de ander kijken. Niets was anders dan de gemiddelde avond in een kroeg, behalve dat de mannen en vrouwen door deelname toegaven dat ze elkaar zochten, en beduidend minder moeite hoefde te doen om elkaar te vinden. Op elk voorhoofd plakte VRIJGEZEL.

Hun gemeenschappelijke interesse was het bestaan van de ander. Niet het jutten
van de baas, de slagroomtaart van de kookclub of de line-up van Waterhole.
Eenzamen vonden elkaar in drie minuten. Hopelijk vindt de romantiek hen.

De Trein

Amsterdam Centraal. Op de borden staat Swiebodzin. Een man met avontuur in zijn geest krijgt de kriebels om stiekem de trein in te stappen en zich te verstoppen achter het deurtje van de conducteur. Maar hij loopt verder, met zijn aktetas in de hand.

De stoelen zijn nog warm als passagiers ‘s avonds wat vroeg de trein richting Dordrecht instappen. Het is spits. Ze zijn de eerste en kiezen allemaal een hok, leggen hun tassen naast zich neer en rommelen, bellen, kijken naar hun handen of hun hoofd in het raam. Als iemand tegenover hen gaat zitten leggen ze hun tas wat dichter tegen zich aan. Hun blikken schieten door de ruimte zonder elkaar te kruisen.
De situatie word langzaam onhoudbaar als meer en meer mensen langs komen lopen. De tas gaat op schoot of op de grond. Ze richten hun blik strak op het raam.

Op perron zeven vragen twee toeristen de conducteur waar de trein heen op weg is. Hij kijkt naar de klok op de borden, wijst naar de overkant van het perron, en ziet de twee het trapgat in snellen. Even later verschijnen ze uit het trapgat aan de overkant en werpen ze een blik naar de conducteur, voor ze naar binnen klimmen. Hij kijkt op zijn apparaatje en ziet het niet.

Een oud vrouwtje zit twee dagen later, op een zondag, in het eerste hok rechts boven in de dubbeldekker. Alhoewel achterin de trein plekken vrij zijn, neemt een jongen met een koptelefoon voor haar plaats. Hij is jong, wil niet praten en twijfelt erover om toch door te lopen. Wanneer ze begint te spreken heeft hij spijt van zijn keuze. Maar ze praten, tot aan het volgende perron; hij onderdrukt zijn gapen en zij heeft niets door. Ze verteld hem over de kleuren van de bollen, de wandelingen in dit weer en de ouderdom die haar parten speelt. De jongen luistert en excuseert zich wanneer hij uitstapt bij Delft.

In Rotterdam neemt een serieuze man met een serieuze krant in hetzelfde hokje plaats. Waar de jongen eerder had gezeten strijkt een vrouw neer. Zij knikt naar hem en hij naar haar en hij schrikt van de lagen make-up die ze opheeft. De hele reis liggen die lagen op een meter afstand. Na elk artikel denkt hij eraan en moet hij zich dwingen er niet naar te kijken. Godzijdank stapt ze uit.

Zo zal het zijn

Fieke staat voor de spiegel in een donkerblauwe jurk tot op haar enkels. De jurk heeft voldoende fatsoen om naar de kerk te dragen. Straks. In Afrika.

Ze verlaat ons voor maar tien weken. Ik heb mijn ouders wel eens langer niet gezien, terwijl die op twintig minuten treinen afstand wonen. Die tien weken zijn wel overkomelijk.
Toch was het gisteren een redelijk emotionele bedoeling in de klimhal, waar ze haar vriendjes en vriendinnetjes ter afscheid had uitgenodigd. Huilend vertrok ze in de overhang. ‘Maar Fiek, wat is er dan?’. ‘Niets, ik ben heel verdrietig. Maar ik ben heel blij.’

Even later zaten we bij elkaar op de banken en legde Fieke ons de volgende vraag voor: Is klimmen egoïstisch?
Fiek heeft een drang om goed te doen, specifiek in Afrika. Alles wat ze leest, ziet en oppikt in gesprekken over schrijnende situaties gaat haar direct aan het hart. Het wordt steeds duidelijker dat haar leven erop ingericht zal moeten worden. Bezoeken aan Afrika door de jaren heen vormden een eerste stap, verpleegkunde een tweede. Maar wat dan met klimmen, alpinisme, met die geld- en tijdrovende en – zo concludeerden we – egoïstische hobby?

Haar aanwezigheid in de hal met Afrika in het onmiddellijke vooruitzicht bracht haar midden in het conflict.

We zijn allemaal een beetje aan het uitkristalliseren. We zijn jong en genieten van onze duizend dromen, maar elk van onze handelingen forceert ons steeds meer een bepaalde kant op. Fiekes handelingen op het moment leiden haar naar Afrika.

Terwijl ik haar voor de spiegel zie staan, in de wolk van het besef van de onvermijdelijke keuze, knijpt mijn maag zich samen. Nu gaat ze voor even weg, maar het zal zo zijn dat ik haar een jaar of langer moet missen. Het zal zo zijn dat ze de blauwe jurk aantrekt voor onbepaalde tijd. Het zal zo zijn en dat zal goed zijn.

Maar wel een beetje moeilijk voor mij.

_DSC2276

Eigen Protectie

De nutjes en de cams hangen aan de gordel. Klimschoenen zitten tussen een warme buik en een vest. Het waait niet, het is alleen koud. Zo koud dat een paar uur geleden het vorst nog in de weilanden langs de wegen lag.

Ik loop langs de Große Wand en vermijd een blik op de scheuren. Nog even niet, alsjeblieft, nog even niet. De rammelende nutjes en cams gebruikte ik voorheen alleen ter oefening in één streng van het dubbeltouw, terwijl de andere streng via een reeks solide haken liep. Dit weekend vormen ze mijn gehele protectie. Mijn eigen protectie. AK.

Waarom, vraag ik me halverwege af, doen tenen en vingers pijn juist wanneer ze opwarmen? Was pijn geen waarschuwing, in plaats van een straf achteraf? Ik kan wel gillen, eerst om de ene groep uiterste ledematen, vervolgens om de andere. Mijn groene cam zit twijfelachtig in een smalle scheur, maar ik kan erin blokken. Boven me verbreedt de scheur zich in een inham van de rots en hult de overhang me in de duisternis van eigen protectie.

Ik besluit de cam te vervangen door een nut, die verschuift zodra ik erin ga hangen maar me toch een groter idee van veiligheid geeft. Ik schreeuw en ik vloek en ik deel de toeristen van Ettringen, allen bikkel en angstloos, mee dat ik het haat! En fantastisch vindt!

Bam, ik plaats mijn hand in de scheur, ik trotseer de overhang, ik hang eindelijk aan een grote rotspunt en mijn voeten glijden weg.

Een voorklimval in een nutje.

Je had me moeten horen. (Iedereen hoorde me. Iedereen in Ettringen Lay).

Adam spendeert het half uur daarna aan verschillende operaties om mijn nutje uit de wand te halen. Ik loop verdwaasd rond tot het donker invalt, en rouw om mijn nutje.

Het kampvuur brengt ons bij benadering de beloofde zon en verbrandt het rubber van onze zolen. Ik wordt belachelijk gemaakt om mijn filosofische mijmeringen. Hoe kan ik anders, starende in zoiets fundamenteels als vuur en voelende, dankzij de val in het nutje, meer levend dan ooit? (Ware het niet dat tegenwicht kwam in alle mogelijke kots en roddelverhalen die net zo inherent zijn aan kampvuren als mijn mijmeringen, en net zo verleidelijk zijn om in mee te gaan).

De morgen brengt ons weer een koud Ettringen. We komen langzaam op gang. De nutjes en de cams hangen aan de gordel. Klimschoenen zitten tussen een warme buik en een vest.
Ik begin langzaam gevoel te krijgen voor de grootte van spleten en de maten van cams die zullen passen. De rots brengt me ideeën voor plaatsingen voor ik oncomfortabel naar willekeurige nutjes grijp. Lang niet ben ik zo heldhaftig als Roel, die een imposante scheur uitkiest en onverschrokken zijn voeten en handen tussen cams en hexen ramt, maar ik klim op eigen protectie, hoe dan ook.

Regien is het weekend lang getuige van mijn ontwikkelingen, brengt een eindeloos geduld op, en gunt me na afloop de status van AK. Jeroen en haar bedank ik voor het begeleiden van deze heftige bevalling.
Mocht iemand een groen nutje vinden in Geierwally: Dat ding heeft mijn leven gered.