Heb ik jullie wel eens verteld hoe vluchtelingen hier in Briançon aankomen?
Ik heb het nu natuurlijk over de vluchtelingen met een kleurtje, want de anderen pakken gewoon de bus of de trein en worden dan met open armen ontvangen in Nederlandse gezinnen en de kinderen mogen naar school en dat komt allemaal in de krant.
De vluchtelingen hier moeten de bergen over. Ze zijn al maanden of jaren onderweg en komen dan aan bij de grens tussen Italië en Frankrijk. Tussen de laatste bushalte in Italië en Briançon ligt een col. Daarover loopt een geasfalteerde weg en, iets daarnaast in de bossen, een onverhard pad van een meter of twee breed. Het wemelt er van de politie (met warmtecamera’s).
De vluchtelingen reizen ’s nachts, want dan vallen ze minder op, en ze nemen de weg noch het pad. Hoe hoger ze namelijk de bergen intrekken, hoe meer kans ze hebben om ongezien in Frankrijk aan te komen. En hoe gevaarlijker het is, want de rotswanden zijn steil en het donker is precies zo zwart als een nacht in het bos voor ons zou zijn.
Mannen, vrouwen en kinderen dwalen hier tussen zonsondergang en zonsopkomst door de bergen, op kwetsbaar schoensel, slecht uitgerust, al hun bezittingen in een tas, waarvan een deel verhalen meedraagt die ons met ’t juiste beeldmateriaal zou doen huilen voor de televisie. Ook bruine ogen in paniek zijn aangrijpend.
Is er wel eens een vluchteling hier in de bergen doodgegaan? Ja. Verstopt de politie zich achter de bomen? Ja. Wordt er achter vluchtelingen aangerend? Ja. Lijkt het op een jacht? Ja. Lijken de vluchtelingen hier op beesten? Nee, ze lijken op mensen.
Het is fantastisch dat Europa bereid is om op zulke grote schaal Oekraïners in nood op te vangen, en burgers die vluchtelingen in hun huis opnemen hebben naar mijn mening een groot hart. Ik heb er zelf geen in mijn logeerkamer.
En toch voel ik de drang om aan te geven dat de jacht op de anderen ondertussen gewoon doorgaat.
Een paar maanden terug stond mijn badkamer vol met plastic flessen die ik eens in de zoveel tijd weggooide om er nieuwe voor in de plaats aan te schaffen. Ook lagen er scheermesjes, wattenstaafjes, deodorantbussen, tandpastatubes en toiletpapier in verpakking.
Het is alweer (of pas, hoe je het ook wil bekijken) anderhalf jaar geleden dat ik een minder-afval avontuur startte en in bulk alle grote etenswaren (rijst, pasta, koffie, etc.) begon in te kopen. Tot mijn grote plezier mocht ik daar van mezelf allerlei mooie bokalen voor aanschaffen, die nog steeds op het keukenblad trots hun functie vervullen. Mijn afvalproductie nam toen af, maar nog steeds loop ik regelmatig met een volle afvalzak naar de container. De analyse van mijn prullenbak zal ik met liefde een keer op mijn blog uitvoeren (ik ben stiekem wel nieuwsgierig, jullie misschien niet zozeer). In elk geval sloeg ik toentertijd mijn badkamer grotendeels over omdat ik er gewoon niet echt aan had gedacht. Toen Fieke me laatst enthousiast vertelde dat ze haar eigen badkamer bijna afvalvrij had gemaakt, realiseerde ik me dat ik nog een lange weg te gaan had.
Hier in de vallei hebben we ontzettend geluk met een biologische winkel genaamd Biocoop die het ‘in bulk’ en afvalvrij kopen zowel gemakkelijk als verleidelijk maakt. Zo kan ik toiletpapier rol per rol in mijn karretje leggen, zijn vrijwel alle schoonmaakproducten uit een kraantje in het eigen flesje te tappen, verkopen ze tandenborstels met een vervangbare kop en deodorant in compostbare tubes, kan ik kiezen uit verschillende kleuren afwasbare wattenstaafjes (het idee vind ik een beetje vies, maar daar zal ik me vast overheen zetten) en ziet het er alles bij elkaar heel mooi uit. Het is ‘t land van levensgrote gevulde bokalen, ik zal er eens foto’s van maken.
Wat betreft shampoo was ik echter sceptisch. Alle biologische shampoos en conditioners die ik tot dan toe had geprobeerd vond ik niet ‘prettig’ (ik ben een verwend luxebeest wat betreft mijn haar). Toen Fieke sprak over een solide shampoo besloot ik direct dat ik die maar over zou laten voor een volgend ecologisch verantwoord leven. Maar toen kende ik de wereld van de shampooblokjes nog niet. En zeker niet het Enge Internet. Die schoof me plotseling allerlei reclames voor afvalvrije badkameropties onder de neus zonder dat ik er specifiek naar gezocht had (nogmaals, internet is eng) en wees me op allerlei prachtig gekleurde blokjes met alleen maar natuurlijke ingrediënten en miraculeuze uitwerkingen die twee keer langer mee zouden gaan én zonder plastic verpakking geleverd konden worden.
Ik ben de eerste om toe te geven dat je met een blok Savon de Marseille vast net zo goed je haar kunt ontvetten en de aankoop van welk lekker geurend veel belovend net iets te duur maar afvalvrij product technisch gezien overbodig is en bijdraagt aan de voetafdruk. Maar wat ik eigenlijk wil zeggen is dit: een shampooblokje is leuk. Kijk nou die kleuren.
Ik heb ze natuurlijk ook getest en ze werken goed. Het ruikt lekker en ik vind ’t allemaal zo leuk dat ik zin heb om drie keer vaker en tien minuten langer mijn haar te wassen en me erg moet inhouden wanneer ik voor andere schoonmaakprojecten (het wassen van mijn oksels) onder de douche sta, oog in oog met al dat kleurrijke goed.
Maar wat ik vooral wil zeggen is dat de uitdaging om minder afval te creëren leuke kanten heeft, zoals mooie bokalen, kleurrijke zeepjes, zelf goed worden in dingen maken (humus, deodorant), het immense plezier van het poken in de compostbak om te zien hoe ver de bananenschil heen is (ik ben een compostvoyeur), minder ruzie over wie het afval wegbrengt en een algeheel licht gevoel, veroorzaakt deels door kilo’s afval minder per maand, deels door opluchting wanneer ze weer eens schrijven over plastic in zee of andere soort onheil.
Mijn badkamer is inmiddels afvalvrij, op een tube zonnebrand en het scheermesje na. Want epileren vind ik pijnlijk en ik ben er nog net niet aan toe om mijn ware harige zelf aan de wereld te tonen, zelfs al is ‘t voor het klimaat.
19 maart is het trouwens Digital Cleanup Day. Om zeg maar van de belastende rotzooi in onze mailbox en laptop en dergelijke af te komen. Neem vooral een kijkje (het is een mooi initiatief en heeft – in mijn geval – hoog wakkerschuddend vermogen) !
Voor de tweede keer in mijn leven opende ik afgelopen week een Instagram account. Ik wilde namelijk meer aandacht trekken voor mijn blogs en had bovendien last van een onrustig hart dat haar mooie en minder mooie ontdekkingen graag wilde delen.
(Na dagenlang hevig fotoshoppen voelde ik daarbij een sterke drang om mijn nieuwe billen en borsten in zeer krappe bikini aan de wereld te tonen. Die borsten en billen zijn natuurlijk van gerecycled plastic, 100% vegan en kunnen na afloop bij het compost.)
Ik heb inmiddels drie publicaties en voel ik me ongeveer zo cool als een knutselwerkje aan de waslijn in de kleuterklas. En toch zet ik door. Ik heb namelijk gekozen voor het Thema Groen en ben nieuwsgierig of dat uiteindelijk leuk uitpakt.
Het blijft een platform waar ik voorzichtig mee moet zijn, net zoals Facebook. Gedachteloos ronddwalen over accounts met alle mooie dingen uit andermans leven inspireert me niet, maar maakt me (zoals blijkbaar wel meer mensen) ongelukkig. En mijn eigen account mag alleen maar blijven voortbestaan zolang mijn eigenwaarde er niet mee verstrengeld raakt.
‘Over dat het ook anders kan’, daar denk ik aan als ik het project wil samenvatten dat Fieke, mijn beste vriendinnetje, deze week begint.
Wat is ‘het’, in dit geval?
Misschien een alternatieve uitstippeling van de toekomst van een 30-jarige? Of precies wat het is: een klein huis.
Een Tiny House, zeggen ze ook hier in Frankrijk, maar wij Nederlanders moeten over het voortbestaan van onze taal waken en dus zeg ik toch ‘een klein huis’.
Mensen die het concept kennen, hebben ze vast al in verschillende soorten en maten langs zien komen. Kijk maar eens op YouTube.
Een klein huis is de hippe variant van een woonwagen, met veel aandacht voor praktische details, vaak bijzonder stilistisch. De inperking van woonruimte maakt deel uit van de beweegredenen om zo’n huis in elkaar te zetten: kleinbouwers willen het doorgaans met minder doen. Geen onnodige spullen. Het hele ding staat op wielen en wordt het liefst voor lange tijd geparkeerd op een terrein in een natuurlijke omgeving. Buitenleven is immers ook deel van de motivatie. Hoe minder ruimte je binnen hebt, hoe meer je naar buiten toetrekt voor een werksessie op de picknicktafel of een thee in de zon in het gras.
Sommige kleinbouwers maken er een modern paleis van met geïntegreerde Macbooks en het bed dat via een knop uit het plafon komt dalen, anderen concentreren zich vooral op een autonoom bestaat: onafhankelijk van het water- en elektriciteitsnet, met een composttoilet, zonnepanelen, biogas en een ton voor het opvangen van regenwater. Kortom, een kleinere voetafdruk.
Wat natuurlijk ook meespeelt is het feit dat, alhoewel een behoorlijke investering, het kleine huis in deze tijden van huizencrisis een mooie optie is voor mensen die op de normale woningmarkt niet meer terecht kunnen. (Al moeten gemeentes wel bereid zijn om de kleine huizen in hun landschap te tolereren. Zelfs op eigen bebouwbaar terrein zijn kleinbouwers niet altijd welkom omdat hun prachtige kleine woningen niet voldoen aan de bouweisen van de regio (puntdak, hout, juist georiënteerd).)
Nogmaals, om een idee te krijgen van een klein huis en hoe mooi die dingen kunnen worden, nodig ik jullie wederom uit op YouTube.
Nu, over Fieke. Die is niet weggelegd voor het padje dat de meeste mensen aflopen, daar krijgt ze verschrikkelijke kriebel van. Leven in een steeds groter huis met meer en meer spullen om daar heel hard voor te werken, klinkt voor haar allesbehalve aantrekkelijk.
Af en toe moet het in haar leven gewoon weer even anders. Ergens anders, een nieuwe uitdaging, iets dat beter past bij haar binnenwerkje, dat constant in ontwikkeling is. Toch wil ze inmiddels best graag een eigen nest (denk daarbij niet persé aan kinderen, dat kan net zo goed een eenpersoonsnest voor een prachtige autonome vogel zijn), en zie hier de oplossing: een klein huis op wielen, dat ze helemaal zelf in elkaar zal zetten. Met respect voor het klimaat en de belofte van een kleine voetafdruk in de toekomst, want daar maakt ze zich zorgen over.
De uitdaging is overigens echt heel groot, omdat Fieke geen huizenbouwer van beroep is en er nu toch echt eentje gaat bouwen.
Omdat ik haar aanstaand avontuur heel bijzonder vind, wil ik de verschillende etappes graag met jullie delen. Natuurlijk hoop ik dat ook zij de tijd vindt om af en toe een stukje te schrijven, en ik heb al een suggestie voor een titel van haar eerste verslag: Ik heb blijkbaar besloten om een klein huis te bouwen en sta nu in een loods in de Drôme voor een enorme stapel hout.
In alle eerlijkheid is Fieke al maanden aan het tekenen, zien haar plannen er onfatsoenlijk professioneel uit, zijn de juiste materialen al gewoon besteld en staat ze er bovendien niet helemaal alleen voor. Meer inzicht in deze eerste fase van de constructie van het kleine huis volgen binnenkort.
De Basis (klein hé!)De voorbereiding.Waar ze het kleine huis bouwt (Drôme).Fieke op het terras van Refuge Napoleon tijdens ons voorlopig laatste avontuur samen (bier is daar groter dan haar nieuwe huis).
Tijdens het studeren ‘s ochtends probeer ik vast te stellen wat ik zou doen als ik hem tegen het lijf zou lopen. Als hij net als Covid plotseling op de stoep zou staan en aan zou kloppen. Goedemiddag, hier ben ik, met een hoge doses totaal vermijdelijke misère omdat ik nu eenmaal een heel enge, vervelende man ben.
De naam Poetin lijkt in het Frans naar mijn mening erg op putain en ik gebruik dat laatste woord af en toe per ongeluk als scheldwoord. Poetin, putain, poetain, poet, poet, poet, zeg ik in de auto op weg naar werk.
Mijn bek valt open als ik die middag op het terras aankom. De buitenbar staat vol met champagneflessen van meer dan honderd euro per stuk. Daarachter zie ik mijn bazen in joviale stemming. Serre Chevalier is dit jaar 80 jaar geworden en die avond komt The Avener optreden. Er wordt uitgegaan van een mannetje of 8000 en vooral heel veel geld in het laadje.
‘Het is oorlog’, zeiden kranten en media die morgen nog, bronnen die ik gewend ben serieus te nemen. Maar alhoewel de bommen dit keer vallen op ons eigen continent gaat het leven natuurlijk nog steeds gewoon door en ren ik als een bezetene in de rondte om zoveel mogelijk worstenbroodjes en bier te verkopen. Mijn collega’s zijn ontzettend gestrest. Tegen elf uur ’s avonds zijn de klanten stomdronken. Allemaal tieners, jonge twintigers. Misschien hebben ze gelijk en moet ik ook maar een biertje achteroverslaan. Toch voelt het alsof hun toekomst meer op het spel staat dan de mijne en zij eigenlijk zenuwachtiger zouden moeten zijn dan ik. Ik heb er al dertig vredige jaren opzitten.
Op weg terug naar huis heb ik zin om me aan die vrede vast te klampen, er volledig mee vervlochten te raken, mijn hele lichaam en mijn hele geest.
En toch is het mijn oorlog (nog) niet. Ik hoef niet naar een metrostation om te schuilen voor bommen die op mijn stad vallen, of te vluchten, of in dienst, of te denken aan mijn vrienden en familie die eventueel ook onder schot staan. Ik heb wederom, vooralsnog, de luxe om slechts mee te voelen met de mensen die dat wel allemaal moeten.
De eerste zin van de eerste mail die ik maandag 4 oktober opende, luidde als volgt: “Je vous informe que des clients ont laissé des sachets d’urines et d’autres détritus ce matin à bord de l’autocar assurant le départ de 9h de Briançon gare “
Heel vrij vertaald: ik stel u op de hoogte van het feit dat klanten vanmorgen zakjes urine en ander afval achtergelaten hebben in de bus, vertrokken van station Briançon om negen uur.
Die klanten waren migranten, legde de communicatiemedewerker van het busbedrijf iets verder in de mail aan ons uit.
Fronsend keek ik naar mijn scherm. Wat vervelend voor die buschauffeur dat hij na zijn lange werkdag zakjes plas moest oppakken en weggooien. Maar wat moest ik daarmee? Of Refuge Solidaire?
Migranten in Briançon zijn meestal makkelijk te herkennen: ze dragen gekke kledingcombinaties, spreken (vaak) geen Frans en hebben een kleurtje. Wij werken met dit soort migranten, maar dat betekent niet dat alle migranten bij ons langskomen. We kunnen al moeilijk de verantwoordelijkheid dragen voor het gedrag van de migranten die in het gebouw overnachten, laat staan voor diegenen die we nooit hebben gezien of er alleen maar op lijken.
Maar goed, natuurlijk was de kans natuurlijk groot dat het ‘onze’ migranten waren geweest. Daarom voelden we ons vanaf die dag genoodzaakt om tegen elke vertrekkende migrant te zeggen dat ze niet in de bus in plastic zakjes mochten plassen en vroegen we ze vlak voor vertrek, alsof het kinderen van vijf waren, of ze niet eerst even wilden plassen voor de grote reis.
Het deed me denken aan een ander incident van een paar weken daarvoor. Een vrouw belde ons op met de mededeling dat haar beide mountainbikes waren gestolen. Ze had de daders op de foto genomen en bovendien ‘gezien dat het migranten waren’. Even later kregen we de foto’s binnen via de mail: twee jonge jongens op twee mountainbikes. Herkende wij ze? Hadden wij de fietsen gezien?
De vrouw leek in eerste instantie alleen op zoek naar haar fietsen en dat was begrijpelijk. Dus liepen we een rondje om het gebouw. Maar de gezichten op de foto’s herkenden we eigenlijk al niet: ze waren donkergekleurd en zoveel donkergekleurde migranten hadden we op dat moment niet. Een van ons zou ze vrij direct herkend moeten hebben en dat was niet het geval; we waren er dus vrij zeker van dat het niet ‘onze’ migranten waren geweest (of überhaupt geen migranten, in dit geval best plausibel).
Toen er geen spoor van de fietsen te vinden bleek, werd de mevrouw toch boos op ons en vroeg wat we eraan gingen doen.
Niets. We konden er niets aan doen. Vervelend voor haar fietsen.
Het zijn relatief kleine incidenten die ik tegelijkertijd op honderd manieren verschrikkelijk complex vind. De aannames die mensen maken, het gemak waarmee ze incidenten op Refuge Solidaire afschuiven (het blijkt vaker te gebeuren), de eventuele last van de migrantenproblematiek voor een klein bergstadje als Briançon, het begin en einde van de verantwoordelijkheid van Refuge Solidaire, onze (dubieuze) uitdaging om de wisselende migrantenpopulatie zo onzichtbaar mogelijk te maken, honderden vredige migranten die precies vanwege hun stille aanwezigheid nauwelijks in beeld komen, het feit dat er in dergelijk grote groepen mensen nu eenmaal altijd een paar zitten die het niet helemaal of helemaal niet begrepen hebben, maar dat het onaangepaste of criminele gedrag van de één (gekleurd, komt van ver, op zoek naar een beter leven) niets zegt over de aard of het potentieel van de andere duizend (gekleurde mensen die van ver komen en zoeken naar een beter leven), de uitdaging om migranten als individuele mensen te zien of te laten zien en ga zo maar door.
Ik vind ’t allemaal bij elkaar zo lastig dat ik niet eens meer goed en wel kan vaststellen hoeveel medelijden ik nou met die buschauffeur moet hebben. Zolang het misschien bij zakjes plas blijft…
Dan had je ook nog dat verhaal van die vleermuis in Wuhan die een significant deel van de wereldbevolking wist te besmetten met een eng virus. Een maand geleden liep iedereen er hier in de vallei mee rond, ook mijn vriendje. Na vijf zelftesten en drie bij de apotheek begon ik toch te geloven dat ik genoot van een oerhollandse polderweerstand waar de Covidvariant van Briançon simpelweg niet tegen opgewassen was. Daardoor werd ik natuurlijk nummer één op zijn lijstje urgente slachtoffers: afgelopen zaterdag begon het te kriebelen in mijn keel. Jammer, die fabel van mijn eigen superieure resistentie.
Na drie nachten en drie dagen lang rillen, zweten en slapen was ik blij dat mijn doorgestoofde hersenpan het vandaag aankon om een film te kijken (Julia Roberts), een blog te schrijven en twee pakketjes te openen die het vriendje voor me uit de brievenbus viste. Eentje verborg het boek Reis naar het einde van de nacht van Louis-Ferdinand Céline, en het andere Het Huwelijk van Christine van den Hove. Over dat eerste boek spreekt Thibault zo vaak en zo veel dat ik me ben gaan verschuilen achter het feit dat Franse literatuur nog steeds iets te moeilijk voor me is, eventueel uit gebrek aan empathie voor wat ik zoal (overigens van Thibault zelf) over de schrijver meekrijg, maar vooral uit kinderlijke recalcitrantie. Hij heeft ’t toen als een podcast opgezet (hielp niet) en is uiteindelijk zo slim geweest om de vertaalde versie op te sporen en te bestellen. Goede timing. Ik ben immers momenteel iets te stationair om er ongezien lang te lopen.
Maar allereerst grijp ik natuurlijk naar (het vorige maand uitgegeven!) Het Huwelijk, want voor die schrijfster loop ik juist over van genegenheid en ik heb er bovendien al een tijdje op moeten wachten. Daar wil ik dus graag nog een dagje voor op de bank liggen.
Het is 31 december 2021 en buiten op het terras staat een bar met een biertap en een tank warme wijn. We verwachten negentig Polen, een DJ zet zijn draaitafel klaar. De zon zakte ruim een uur geleden achter de berg. Alleen mijn bazen drinken een biertje in de schaduw van het verlaten skistation, in hun gezichtsveld spring ik heen en weer om warm te blijven. Zodra de eerste Pool op het toneel verschijnt, biedt mijn verantwoordelijke Max aan om de bezetting van de buitenbar over te nemen en voeg ik me bij een collega achter de binnenbar.
De Polen weten de sfeer op het terras binnen tien minuten om te draaien. Alle negentig dansen en drinken op de tafels. Binnen hoor ik alleen het trillen van de beat en het gegil van dames. Af en toe komen er mensen binnen voor wodka-redbulls of wiskey-coca’s, de rest vindt genoeg alcohol in het bier en de warme wijn en blijkbaar ook in Genepi, want eens in de zoveel tijd stormt Max binnen met een lege fles en neemt een nieuwe mee naar buiten.
Een alleenstaande moeder en haar zoontje van zeven komen binnen achter de bar zitten. Het zoontje krijgt een cola en zij drinkt witte wijn. Ze vertelt over haar bar in Marseille. Telkens als ze voor een wijntje betaalt, trekt ze haar eigen kaart uit de machine en scheurt onzer beider tickets af. ‘Gewoonte’, verschuldigd ze.
Even later komt er een ouder stel naast zitten. Max informeert me dat het vrienden van hem zijn en ze niets hoeven betalen. Hun zonen, zo begin twintig, en een bevriend meisje van dezelfde leeftijd, duiken bovenop Jägerbombs en shots en mixdrankjes. Ze raken aan de praat met moeder en zoontje en spenderen een groot deel van de laatste avond van 2021 tezamen.
Rond een uurtje of zeven is moeder flink aangeschoten. ‘Niet nog een wijn’, zegt het zoontje wanneer ze wederom mijn aandacht trekt. ‘We zouden naar huis gaan.’ De jongeren vinden het grappig en vragen of het kind hun drankje wil proberen, dat vervolgens een heel klein slokje uit een wiskey-cola neemt en als een echte zevenjarige een heel vies gezicht trekt. Met een lichte spanning in mijn buik schenk ik nog een wijn in en vraag me af waar mijn verantwoordelijk ligt. Het kind begint meer en meer te zeuren dat het naar huis wil en moeder, na wederom een wijn te dronken om haar moederlijk geduld te bewaren, zet haar stem op. Met opluchting zie ik ze uiteindelijk vertrekken, waarheen weet ik niet. Hopelijk niet met de auto naar het appartement.
Tegen het vallen van de avond vind ik mezelf terug met alleen de jongeren nog aan de bar en het gedril en geschreeuw van de manifestatie buiten. Max staat nog steeds achter de tap en ook mijn collega heeft zich onder de Polen gemengd. Ik begin de voorraad frisdranken aan te vullen en wacht op klokslag negen, het tijdstip waarop we vanwege (dankzij) Covid verplicht zijn om de bar te sluiten en ik me bij Thibault kan voegen om te vertellen over die dame aan de bar en haar zeven jaar oude zoontje. Maar al om acht uur wordt het feest abrupt afgebroken omdat de politie er lucht van heeft gekregen en al het dansen op de tafels niet helemaal binnen de maatregelen blijkt te vallen. De muziek stopt en de Polen druipen af, mijn collega en verantwoordelijke zijn beiden vrij plotseling stomdronken. Blijkbaar was de Genepi niet slechts voor de gasten bedoeld.
Ik was de glazen, haal een lapje over de bar, maak de koffiemachine schoon en zie in mijn ooghoek hoe mijn verantwoordelijke wodka direct serveert in de open mond van het meisje aan de bar. Even later zeg ik hem dat ik naar mijn mening genoeg schoongemaakt heb en ga ervandoor.
De volgende middag om drie uur, 1 januari 2022, open ik de bar. De vloer kleeft, de glazen kleven, op de klevende tafels ligt sigarettenas. ‘Heb je gehoord wat er gister is gebeurd?’ – vraagt mijn collega van die middag. Ik heb een vaag idee. ‘Ze hebben op de camera’s gezien dat Max met de gasten cocaïne snoof op het blad van de bar.’ Verbaasd kijk ik om me heen, want van camera’s weet ik niets. Ze wijst naar verschillende hoeken van de bar en daar zie ik ze, witte bolletjes met elk een zwart oog, blijkbaar een aantal dagen geleden geïnstalleerd. Was Max (verantwoordelijke) zoals ik niet op de hoogte geweest van het feit dat er camera’s hingen of had ’t hem niets kunnen schelen dat de bazen eventueel met zijn consumptie mee gluurden? Beide opties klinken absurd. ‘Toen zijn de bazen hier gekomen en konden ze Max niet vinden. Die bleek in slaap te zijn gevallen in de kelder. Lag daar op de grond.’
Thibault zei me eens in een reactie op mijn werk dat het goed is om met verschillende lagen en bubbels van de samenleving in contact te blijven, zodat je een reëel beeld houdt van de manier waarop andere mensen leven. Ik heb al eerder binnen de bubbel van het barwezen gefunctioneerd, maar moet zeggen dat ik me elke dag weer verbaas over de scènes die zich voor mijn neus afspelen.
Tijdens elke lange alpine tocht denk ik minstens één keer aan een grote heliumballon die het gewicht van mijn rugzak overneemt. Het lijkt me zo’n leuk gezicht, een rijtje alpinisten met allen een eigen kleur ballon. Het bergbeklimmen zou er in elk geval makkelijker van worden, misschien dat sommigen het als valsspelen zouden zien.
Soms denk ik ook aan een speciale bril die de juiste route op de rotswand doet oplichten, zodat je nooit de verkeerde kant op klimt. Of een paar intelligente schoenen dat gaat piepen als ze niet stevig staan, of een live-verbinding met een klimcoach die de hele tocht voorkauwt (stop nu de gele camelot in de spleet boven je neus) en met de helikopter komt aanvliegen wanneer je toch een foutje maakt, of drones die op bestelling eten en warme dekentjes komen brengen (noordwand, derde goot links).
Nog steeds moet ik wennen aan het gebruik van GPS in de bergen. Dan denk ik aan mijn vader, zijn kaarten en kompas, en vind ik al die technologie maar lui en misplaatst. Maar als ik zelf verdwaal in het donker, dan ben ik blij met mijn volgeladen telefoon en de applicatie die me veilig thuisbrengen.
Fotocredits: Menno Visser
Laatst zei Thibault vrolijk dat hij verwarmbare schoenzolen voor me had gekocht, voor het ijsklimmen. Met tegenzin wurmde ik ze in de diepte van mijn schoenen, frummelde de batterij in de rand van mijn sok en klom vervolgens een dag lang in een bevroren waterval zonder daarbij ook mijn tenen te bevriezen. In Frankrijk heb je een woordje dat de pijn omschrijft wanneer vingers en tenen opwarmen na heel koud te zijn geweest: ‘l’onglée’ (de Engelsen zeggen screaming barfies). Zo’n onglée doet zoveel pijn dat je minutenlang uit alle macht uit je eigen lichaam probeert te vluchten. Normaal gesproken heb ik er tijdens het ijsklimmen minstens twee of drie voor elke voet en hand (slechte circulatie), waardoor ijs- en winterklimmen meestal uitdraait op een forse mentale beproeving en de eigen belofte dat ik mezelf dit dus nooit meer aandoe. Dankzij die batterijen zag ik eindelijk weer eens hoe mooi zo’n waterval eigenlijk was, want die viel in bevroren, heldere golven van de rotswand en ìk mocht daar met warme tenen overheen klimmen.
Toch voelt het alsof ik de natuur met die batterijen een loer draai. Alsof ze me tevens energie geven bij het klimmen zelf en ik straks hoekig naar boven zal bewegen onder het uitslaan van mechanisch gepiep. Dan denk ik weer aan die heliumballon: wat als je daar gewoon nét iets meer helium indoet zodat ook de helft van je lichaamsgewicht wordt opgeheven? En als je dan eigenlijk te moe bent, dan vlieg je gewoon naar boven, en voor het gemak ook naar beneden.
Juul in de waterval. Fotocredits: Menno Visser
Het alpinisme van tegenwoordig lijkt natuurlijk in niets meer op het alpinisme van de pioniers, met de fanfare aan materiaal die we in onze lichtgewicht tasjes stoppen. Ik maak constant gretig gebruik van technologie (donsjas, ski’s, camptocamp met recente verslagen enzovoort) en was zonder enige twijfel niet hard genoeg geweest om in de vroege jaren van het alpinisme mee te draaien (zoals ik momenteel mét supermateriaal ook niet in staat ben om met de grote alpinisten mee te draaien). Te zwaar, te gevaarlijk.
Wat had ik wel gedaan? Gewandeld. Daarom vind ik wandelen zo leuk. Met slechts een paar schoenen, een degelijke onderbroek en stijlvol petje gaat er al een wereld voor je open.
Het gebruik van technologie in de bergen is misschien niets meer dan een kwestie van voorkeur. Je hebt ski-station haters die het liefst alleen met een tentje op de rug verdwalen in de krochten van de Pyreneeën, mensen die koffie komen drinken in het bovenstation van Aiguille de Midi terwijl ze selfies maken met het fabuleuze uitzicht en alpinisten (zoals ik) die alleen kunnen profiteren van het ijslimmen met een tweetal verwarmde voetzolen, maar zich daar wel een klein beetje stom over voelen. Alsof het duel met de hoogte en die prachtige natuur toch zo ‘naakt’ mogelijk uitgespeelt zou moeten worden: een naakte berg tegen een naakte mens.
En je moet natuurlijk ook wel een beetje afzien om het biertje na afloop te verdienen (gelukkig heb ik nog steeds twee tot drie onglées per hand).
Maar ook weer niet teveel (mocht je bij elke ijsklimsessie eveneens minstens twee tenen riskeren, dan raad ik die zooltjes zeker aan).
Met dank aan het fantastische duo Menno en Julius die ik hier een weekje op bezoek heb mogen hebben, het was een feest!
Kijk mij nou intens genieten van mijn warme tenen.
‘Welke luxe zou je jezelf veroorloven als je plotseling miljardair zou worden?’ Die vraag wordt nou nooit aan me gesteld, net als de vraag in welk dier ik zou willen reïncarneren, met welke beroemdheid ik het liefst zou willen trouwen en hoe ik mijn leven zou organiseren als ik wist dat ik gezond en wel 200 jaar oud zou worden. Daarom gooi ik ze zelf maar af en toe in de groep, om direct popelend af te wachten tot ze terugkaatsen en ik fronsend mag nadenken over een huwelijk met Aurora of de kwaliteit van leven van een nijlpaard (misschien zou ik wel reïncarneren als giraffe en de hele dag in de spiegel kijken).
Hoe dan ook, mocht ik over een schatkist struikelen waarin een miljard blijkt te zitten, dan zou ik een kok permanent in dienst nemen. Want ik eet tegenwoordig (grotendeels) veganistisch en heb regelmatig last van mijn gebrek aan motivatie, talent of tijd voor koken. Geen melkproducten consumeren – voorlopig mijn halve variant van het veganisme – verandert voor mij persoonlijk bijna elke maaltijd die ik voorheen at en vraagt dus om een hoop nieuwe recepten en keukenkunsten. Maar voordat ik inga op de uitdaging van mijn nieuwe regiem, wil ik het eerst graag even hebben over de leuke kanten van de plotselinge wens om koe en kalf met rust te laten.
De leuke kanten van het veganistisch dieet
Nog geen vijf minuten voordat ik besloot (grotendeels) veganist te worden, vond ik veganisten rare mensen en dacht ik nooit, maar dan ook nooit, kaas, melk en yoghurt uit mijn dieet te kunnen schrappen. Het gekke is dat ik al die dingen dus niet mis. Hoe dat precies werkt is me een raadsel, maar het voelt nog het meest alsof iemand een lampje heeft aangeknipt dat voor mij de link tussen melkproducten en koeien(leed) zichtbaar maakt, waardoor kaas-en-zo veel van zijn vroegere aantrekkingskracht heeft verloren.
Met oprecht plezier heb ik me op verschillende plantaardige melken gestort (favorieten: soja en havermout), kookboeken aangeschaft (zelfs voor een niet-koker is dat leuk), Seitan ontdekt, Tufo eindelijk een keer echt leren bereiden en op internet een grote gemeenschap van veganistische bloggers en vloggers gevonden (waarmee ik eenzijdig vriendschap heb gesloten) die goede tips geven en tegelijkertijd het gevoel opwekken dat ik echt niet zo raar doe. Telkens als ik een product ontdek dat veganistisch blijkt te zijn of een melkvariant vervangt (veganistische chocopasta, chocolade, croissantjes) ben ik natuurlijk heel blij en telkens als ik een veganistisch recept tot een succesvol einde breng nog blijer.
Best wel handig, zo’n boek. Staan echt veel goede tips in. Bovendien geen dieetcultuur in te bekennen.
Maar wat me vooral gunstig stemt is het feit dat het echt een stuk makkelijker is dan ik had verwacht. Ik verbaas me over de snelheid waarmee ik mijn gewoontes heb kunnen aanpassen en dat is zeker niet omdat ik zo gedisciplineerd ben (want dat ben ik niet). Het verschil tussen mijn verwachting en de realiteit ligt denk ik in het gegeven dat ik voorheen vooral dacht aan alles wat veganisten niet konden eten, en ik zelf als veganist eigenlijk alleen maar op zoek ben naar wat ik wel kan eten, en dat aanbod is tegenwoordig gigantisch en de ontdekking ervan best interessant.
Ik moet daarbij vermelden dat ik vooralsnog flexibel ben. Als ik bij mijn schoonouders of vrienden op bezoek ben die mijn keuze niet zo goed begrijpen, dan eet ik wat de pot schaft (op vlees na, maar dat is inmiddels in sociale context makkelijker om te weigeren). De vegetarische burger met aubergine, pesto en Parmezaanse kaas van ons chaotische en goedkope lievelingsrestaurantje Kazdal in Briançon ligt nog geregeld voor me op mijn bord en als ik buitenshuis geen enkele veganistische optie vind en zelf niets heb meegenomen, dan kies ik bij de bakker (als een echte rebel) nog steeds voor het vegetarische broodje met feta of geitenkaas.
Over honing denk ik overigens nog eventjes niet na en de eieren van de buurkippen (maar echt alleen de buurtkippen) eet ik gewoon.
De lastige kanten van het veganistische dieet
Binnenshuis leef ik met een niet-kokende vleeseter die al zijn liefde voor mij moet inzetten om een klein beetje begrip op te brengen voor mijn keuze. Van hem verwacht ik dus geen leuke nieuwe veganistische maaltijden (gelukkig is er die steun vanuit de onlinegemeenschap).
Als ik daarbij in deze oerconservatieve vallei een restaurant, snackbar of bakker om iets plantaardigs vraag, weten ze vaak oprecht niet waar ik het over heb (‘ik heb kaasstengels voor je in de frituur gegooid!’), laat staan dat er op een bakje frietjes na werkelijk iets veganistisch op het menu staat. Ik ken slechts één restaurant dat een veganistische salade aanbiedt voor 14 euro, waarin je op een paar noten na lang kan zoeken naar een echte calorie (dankjewel dieetcultuur).
Het allerlastigste aan mijn nieuwe veganistische regiem vind ik daarom bij uitstek dat ik veel meer zelf aan de slag moet in de keuken, vaker mijn maaltijden op voorhand moet bereiden en bovendien moet nadenken over alles wat mijn lichaam nodig heeft. Dat is niet heel erg als ik veel tijd heb en toevallig gemotiveerd ben om mijn week qua eten uit te plannen (is me nog nooit overkomen) of verleid wordt door een nieuw recept, maar wel uitdagend wanneer ik heen en weer ren tussen activiteiten. Het resultaat is toch wel dat ik minder eet, en wat ik eet is vaak nu eenmaal wat minder calorierijk. Daarom moet ik momenteel niet alleen actief op zoek naar proteïne en B12, maar vaak ook naar bulk. Vet. Pindakaas. En een persoonlijke chefkok.
(Wat overigens ook meespeelt is het feit dat ik hiervoor veel calorieën haalde uit koekjes, chocoladebroodjes en ander soort prefab ongein dat normaal gesproken in huis rondslingert. Zoveel plantaardige snaaidingen zijn er echter nu eenmaal niet, en de Gerblé koekjes die ik nu maar in huis haal zijn lang niet zo zoet en vet. Klinkt misschien als iets goeds, maar in een koude winter vol training draai ik er best veel calorieën doorheen en kom ik niet ver op een lege tank. Daarom moet ik eens in de zoveel tijd ook maar de moeite nemen om een baal vette veganistische koekjes te bakken om die in een glazen pot op het aanrecht te stallen. En dan maar hopen dat Thibault er van af blijft.)
Wat betreft het prijskaartje van het veganisme: uiteindelijk maakt het wat betreft uitgaven in mijn geval niet zo heel veel uit of ik nou plantaardig eet of niet. Mijn eerste bezoekje aan de Biocoop was nogal alarmerend, omdat ik producten zoals Seitan, Agar Agar, pindakaas en plantaardige yoghurt voor het eerst in grote kwantiteit aanschafte en nog niet zo goed wist wat ik lekker vond of waar ik het goedkoper kon halen. Vooral de kant-en-klare vleesvervangers en proteïnebronnen ervaar ik als duur. Hoe meer eenvoudige recepten ik leer maken en hoe beter ik leer koken, hoe goedkoper ik (vermoed ik) zal uitkomen. Daarbij eet ik minder buitenshuis en koop natuurlijk geen kaas meer, dat hier in de vallei stinkend duur is.
De verpakkingen zitten me overigens wel dwars. Tufo en alle nepburgers (die ik dan maar zelf moet maken) hebben vaak een dikke plastic verpakking plus nog een karton. Alle melken komen natuurlijk in pak (maar ook dat schijn ik zelf te kunnen maken) en de yoghurtjes ook (en zelfs dat valt zelf te maken?). Hier moet ik dus nog eventjes iets op vinden (nog meer koken dus).
Kortom…?
Het is een blijver, dat veganisme. Of ik in de toekomst strikter word, kan ik nog niet zo goed inschatten, maar voorlopig voelt ‘t goed. Terug naar het niet-weten of beseffen kan toch niet, en ik moet ook zeggen dat ik het idee dat het klimaat zodoende wat minder last van me heeft ook behoorlijk prettig vind.
Het gegeven dat ik geforceerd word om een stuk meer te koken is daarbij misschien zo slecht nog niet, en eigenlijk ben ik er gewoon al wel (bijna) aan gewend. Nog steeds voel ik me in sociale context dikwijls een rare vogel en heb de neiging om mezelf te excuseren (‘sorry de rare hippie doet weer moeilijk’), maar ik begin te leren dat ik mezelf niet persé hoef uit te leggen en ook gewoon voor mijn keuze zou kunnen staan.
En als laatste wil ik nog even benadrukken dat de hele onderneming behoorlijk wordt gefaciliteerd door het aanbod in de winkels van Briançon en het feit dat ik de tijd heb om uit te vogelen hoe ik mijn levensstijl binnen mijn budget kan aanpassen. Ik besef me dat dit niet voor iedereen overal hetzelfde is.
Hieronder mijn misbaksels.
Nog nooit zo’n loodzware hartige cake gemaakt. Zeer middelmatig resultaat. Het leukste aan Seitan is dat het lijkt op hersenen. Dit was mijn derde poging en ‘t werd eindelijk een keer best lekker!Dit is drie keer Tigrou op zijn best. Gewoon omdat het kan. En dit was een enorme kat in de lokale kroeg die er niet vandoor ging met de pizza maar met het breiwerkje.