Latest Posts

Vrij verticaal territorium

Tijdens de vorige confinement, toen de politie zo’n beetje achter elk bosje school en we als schimmen door de vallei slopen, nam Thibault een boor mee naar een verborgen stuk rots in de bergen en opende daar vier sportklimroutes. Hij noemde het geheime klimgebiedje ‘Wuhan’.

We spraken er niet al te veel over omdat het virus voor geen meter te vertrouwen viel, noch het beleid van de Franse regering, en profiteren nu dagelijks van ons vrije verticale territorium, waar we rustig kunnen blijven trainen zonder constant om ons heen te kijken of onze oren te spitsen uit angst voor de spontane opkomst van de politie (en de 135 euro boete maal twee).

Professionele sporters, en dus ook berggidsen en sportklimgidsen (in opleiding), hebben allemaal het recht behouden om te trainen, maar wij (examenkandidaten) zitten als vanouds gebonden aan de kilometerzone. Daarom hang ik zonder al te veel gewetensbezwaren aan onze verborgen rots. We hebben onze training misschien nog wel harder nodig dan zij die reeds professioneel zijn.

Jammer is echter dat Wuhan in de schaduw ligt en we steeds dieper in de herfst duiken, waardoor zowel mijn tenen als vingers dikwijls gevoelloos aan mijn lichaam bungelen. Daarbij gaf de rots geen grepen voor opwarmroutes en brokkelt er hier en daar nog weleens een greepje af. ‘Training’ in dagen van confinement geeft tevens steevast een mentale expeditie van een uur of drie, waarna ik me met een kop thee in een deken rol en mijn uiterste ledenmaten ritueel om vergeving vraag.

Interessant is het echter wél, dat kleine klimgebiedje daarboven. Niet alleen omdat de route soms spontaan veranderd (hier zat aanvankelijk toch een voettreetje?) maar ook omdat ik voor het eerst werkelijk ervaar dat al die sportklimroutes menselijke creaties zijn. Die van Thibault, dit keer. Het contact met de rots voelt daarom puur. Geen historie komt ertussen, geen waardering, geen lijn in de topo noch geblaat van andere klimmers. Er is slechts rots, en dan die enkele gek die erover naar boven probeert te kruipen.

Maar als straks de eerste sneeuw valt is het frisse feest van Wuhan over. Wat er vervolgens met ons gebeurd is aan het virus en Macron om te bepalen. Misschien moeten we in egaal witte pakken op zoek naar een geheime berg om ons voor te bereiden op een eventueel ski-examen, ons klimniveau dat integraal af zal hangen van een oefenbalkje in de slaapkamer.

We weten het echter niet. Zoals niemand niet.

‘Mittenwald’ door Jaap de Witte

Mittenwald, 1 augustus 2020. Het is één van die paradoxale, bevreemdende dagen. De temperatuur tikt net de 32 graden aan, de lucht is strakblauw met één bijdehand, voorbijdrijvend schapenwolkje en in de verte hoor je het zachte getik en gekletter van wandelstokken in de hoofdstraat. Het Karwendelgebergte torent, vastgeketend in de tijd, boven het Beierse bergdorp uit. Geraniums hangen in bonte kleuren over balkons en Maria’s waken trouw over straathoeken. Er is niets aan de hand. De toeristen zijn toeristen, de bewoners zijn de bewoners en Bertha nr. 36 staat in de dorpsweide, waar ze al vijf jaar staat – zo blij als een ei. Alles is zoals het was en zoals het is. Maar het is niet zoals het is. In Mittenwald hangt de sfeer van een groot geheim. Een verstikkend, duister geheim, waar niemand het over heeft. Een omertà dat ieders leven beheerst. Soms prikt dat geheim door alle sereniteit. Dan beukt het geheim met alle macht door het zomergevoel en slaat het de zomerdroom aan gort. Je grijpt in je broekzak om je pinpas te pakken en je voelt met je vingertoppen een in elkaar gefrommeld mondkapje. Het valt opeens op dat het kindje Jezus naast de kerk wordt vergezeld door een literverpakking Dettol. Je ziet de kasseien van de hoofdstraat beplakt met allerlei strepen en slierten tape. Als een soort moderne archeoloog kan je plots aan de slijtage van de strepen zien wanneer er werd versoepeld en wanneer er werd verstrengd. Maatregelen, lockdowns, pandemie, corona. Mittenwald schreeuwt de pandemie opeens uit. Je denkt aan een vleermuis, Wuhan, Bergamo, Valencia, New York en Manaus. Hartverscheurende ellende en onmenselijk drama. Onheilspellende grafieken en depressieve tabellen. Die ietwat te amicale kroeg in Hillegom die je eigen veiligheidsregio in lockdown leek te zetten, nét voordat je de ICE instapte naar dit Beierse dorp. Je eigen veiligheidsregio, die plotsklaps ook een soort derde identiteit van je werd. Jij als Hollands-Middenaar, met die malle kroeg in Hillegom. Maar dan, dan komt plots het zomergevoel weer over je heen. Je haalt je hand uit je broekzak, je geeft mini-Jezus een ontsmet groetje en je slaat een lieflijk zijstraatje in. Geen borden, geen strepen, geen afrasteringen en geen Dettol. Je wandelt het dorp uit en komt een ruziënd Brabants gezin tegen met twee verveelde pubers en een moeder die alles wel héél erg hoog vindt. Een wat ouder heerschap heeft oorlog met z’n afritsbroek. Iemand probeert verwoed Bertha nr. 37 te instagrammen. Almen, dennenbomen. Je wandelt verder en passeert trailrunners en allerlei ander grut in sportieve uitdossingen. Je ademt de zomer in en glundert. De berghut komt in zicht. Wanden van kwarts, bergmarmotten, bergbeekjes en gentianen. De Zugspitze doemt op. De Tiroler Alpen openen zich. Nog één bocht en dan kan je genieten van een teug skiwasser. Daar is de hut. Verweerde luiken, wapperende lakens en die typische geur; het plaatje is compleet. Je ziet een bordje – handgeschreven. Je kijkt wat scherper en leest: “Maskenpflicht auf der Terrasse!”

Mijn broer schrijft momenteel aan een boek waarin hij de lezer mee zal nemen op een historische reis langs twaalf ooit (!) kleine bergdorpjes (Chamonix, Ischgl, Sankt Moritz etc.). Voor het boek zelf moeten we nog even geduld hebben, maar hopelijk lekt er nu en dan een verhaal uit naar mijn blog

Vandaag

Soms ben ik nieuwsgierig. Naar die plek waar jullie twee jaar geleden heen vertrokken zijn. Of jullie nog samen zijn. Of er daarboven toch iets veranderd is, de lucht, de sneeuw, het gesteente.

Thibault gaat er vandaag heen. Hij komt even hoi zeggen en dichtbij zijn, zal met twee vrienden iets aan de bovenkant van het couloir leggen. Dat kan beter op de 27ste van februari dan op de andere dagen van het jaar. Ik snap dat wel.

Ik ben ook dichtbij, want vandaag mag alles. Jullie dood mag het allerergst zijn. Ik sta mezelf toe erover na te denken hoe jullie levens er inmiddels uit hadden gezien. De liefdes, huizen, baby’s misschien. Ik geef mezelf toegang tot de dag zelf, de voorbereiding, de tocht, die snelle lunch onderaan het couloir. Alles wat jullie deden, zeiden, zagen. Ik laat mezelf het verdriet van jullie families voelen. Jullie afwezigheid. Keer op keer op keer. En toch mag ik ook juist vandaag weer even jullie aanwezigheid voelen. Vandaag mag namelijk alles, ik mag zelfs aan jullie schrijven.

Het is niet makkelijk geweest en het is nog steeds niet makkelijk. Ik ben niet zo hard als dat ik dacht te kunnen zijn. Ik weet dat de keuze van het lot die 27 februari daardoor niet minder oneerlijk of belachelijk is, maar ik wilde het toch even zeggen. We moeten het er toch eventjes over hebben. Wij drie. Wij meisjes. Want ik ben nieuwsgierig, soms. Naar die plek waar jullie twee jaar geleden heen vertrokken zijn en ik niet. Of jullie nog samen zijn, misschien zelfs af en toe daarboven in de bergen.

Of ik daar ook eventjes mag zijn. Vandaag.

Drie oude dametjes Finale (Fictie)

Voor Deel I, klik hier!

Deel IV.

De vloer kraakte. Het was nog geen tien uur ’s avonds, buiten schemerde het maar net, maar alles wat klonk in het lager was de trage ademhaling van rijen slapende mensen. Op mijn tenen sloop ik door de smalle houten gang en nam de trap naar beneden. Ik keek door een kier naar de salon; in de hoek een tafel vol bierglazen, vijf lachende, rood aangelopen bergbeklimmers rondom, uit de keuken het geluid van botsend bestek en borden. Vlug stak ik over naar de hal, stapte in een paar gele hutklompen (maat 42, ik had maat 38), grabbelde in mijn vaders plastic huttenbak naar zijn koplamp en trok meteen maar zijn donsjas aan.

Het liep niet echt lekker, die enorme hutklompen, maar goed, het pad was niet moeilijk en kende ik bovendien.

Hier was het stil. Ik hield mijn pas even in, zuchtte diep en kon me gemakkelijk voorstellen dat alle bergen die zucht hadden gehoord. Daarna ging ik op onderzoek uit. Ik zocht onder het bankje, achter de stenen, nam paden in elke richting, knipte de koplamp aan toen het te donker werd om belangrijke details op te pikken, vergrootte mijn zoekcirkel, zag glinsterend graniet van heel dichtbij, ongedierte, aarde, gras, de sterren, de maan, maar geen aanwijzing die me zou leiden naar de drie oude dametjes. Toen ik het zat was plofte ik neer op het bankje. De hutklompen bungelden aan mijn tenen. Het was niet koud, maar toch kroop ik weg in de jas van mijn vader, snoof zijn geur op alsof hij me een hele grote, warme knuffel gaf.

Misschien zou ik toch wel meegaan naar Pointe Louise.

Na een tijdje stond ik op en liep langzaam en niet eens zo heel verslagen terug richting het donkere silhouet van de hut. Omdat ik niet echt oplette kwam ik aan bij de achterkant, waar hout opgeslagen lag en het altijd een beetje rommelig was. Een bezem lichtte op onder mijn koplamp, een kapotte gieter en twee kapotte stoelen, een verfrommeld plastic zeil, twee pollepels die ik van de keuken had geleend om mee te spelen en vergeten was terug te brengen (bedacht ik me nu) en een deur naar een opslag. Ik raapte de pollepels op en zag aan de rand van mijn schijnsel iets blauws onder de deur uit vandaan komen, waar ik verder geen aandacht aan schonk omdat ik al aan het bedenken was of de waardin naar bed was en ik dus stiekem de pollepels terug kon hangen.

Toen ik net om het hoekje van de hut was gelopen, zag ik echter dat beetje blauw weer voor me en draaide me toch om voor nadere inspectie.

Het was een draadje. Nee, het was wol. Ik gooide de pollepels op de grond en trok aan het uiteinde, dat langer en langer en langer werd. Het was wol! De dametjes! Mijn hart begon weer sneller te kloppen. Ik greep naar de deurklink en duwde die langzaam omlaag, iets klikte, de deur opende.

Mijn koplamp verlichtte de ruimte. Het was helemaal geen opslag, natuurlijk was het geen opslag, waarom had ik ooit gedacht dat het een opslag was? 

Het draadje liep over zes houten traptreden omhoog en maakte rechtsom een bocht naar een volgende deur. Een streep licht eronder. Ze waren er, sowieso, ze waren er! Zo zachtjes mogelijk liep ik over de treden, waarom kraakte het overal toch zo?

Zouden ze mijn hart kunnen horen?
Nee, ze moesten wel een beetje doof zijn, op die leeftijd.

Ik stond voor de deur en twijfelde. Moest ik aankloppen en vervolgens gewoon binnenlopen? Of zo zacht mogelijk de deur openen en stiekem om het hoekje gluren? Ik keek een tijd lang naar de deurklink en kon geen beslissing nemen, mijn hele buik gierde van spanning, ik legde zachtjes mijn hand op de deurklink en…
‘Kom binnen, Marie!’
Ik maakte een sprongetje van schrik en rolde bijna de trap af.

Met trillende benen liep ik terug naar de deur. Ik hield mijn adem in.
‘Kom binnen!’
Enorme aarzeling. Kom op! Ik duwde op de klink, opende de deur voor nog geen twee centimeter en keek een ouderwetse kamer in. Het dametje met de vlecht zat in een donkergroen fauteuil in de hoek, links en rechts twee identieke fauteuils, haar blik ongestoord op haar breiwerkje en een lach op het gezicht.
‘Heb ik je laten schrikken?’
‘Nee. Ja. Een beetje’, zei ik zacht vanachter de kier.
Stilte. Ze breide nog even door en richtte toen haar blik op me, ik trok de deur direct weer dicht.
‘Kom binnen, kind, ik heb je breiwerk op de stoel gelegd’, klonk het erachter. Ik opende de deur weer op een kier en zag haar naar links knikken. Op de leuning van de fauteuil lag inderdaad een roze bolletje wol.
‘Sluit de deur achter je en trek dat onding van je hoofd.’ Ik voelde aan mijn hoofd en was vergeten dat ik mijn vaders koplamp nog op had. Op de enorme hutklompen slofte ik zo onopvallend mogelijk naar de stoel en zakte er meteen diep in weg.
‘Weet je nog hoe het moet?’
Ik greep naar de breinaalden en keek er even twijfelend naar, maar eigenlijk wist ik het nog wel.
‘Goed zo’, zei het dametje. Ze had niet eens gekeken.

We breiden zwijgend. Meerdere malen durfde ik bijna iets te vragen, maar telkens kwam het er op het laatste moment niet meer uit.
Na een minuut of tien richtte het dametje zich heel langzaam op, hield haar bril eventjes vast op haar neus, boog zich over mijn werkje heen en trok haar gerimpelde wenkbrauwen op.
‘Kijk nu eens. Het is tijd om je een andere steek te leren. Hier, moet je opletten.’
Ik volgde haar bewegingen, stak mijn naald vanaf de andere kant door de lusjes en zag dat mijn breiwerkje veranderde. ‘Zie dit nou!’ mompelde ik met grote ogen.
‘Toe maar. Nu je dit kan… ben je officieel breister. De anderen zullen trots op je zijn.’
‘Uhm…’ Ik keek even om me heen. ‘Waar zijn ze eigenlijk, de anderen?’
‘Oh, die liggen al lang in bed. Die zijn stokoud, die twee.’
‘Maar u bent…’ Ik durfde mijn zin niet af te maken.
Ze lachte. ‘Ah, ja, ik ben ook stokoud. Dat is waar.’
We breiden door.

Het was fijn in de fauteuil.

Misschien kon ik er wel blijven slapen.

‘Oké, nu moet je naar bed, mijn kleine. Maak dit laatste rijtje af en ga terug naar het lager. Over nog geen vier uur gaat je wekker voor Pointe Louise en je vader zal niet blij met me zijn als hij erachter komt dat ik je tot laat heb vastgehouden.’
Verbaasd keek ik op.
‘Kent u mijn vader?’
‘Natuurlijk ken ik je vader.’
‘Maar mijn vader kent u niet!’
‘Jouw vader kent mij ook.’
‘Ja, maar niet echt. Hij heeft u weleens gezien. Ik bedoel, zoals ik.’
Ze lachte. ‘Oh mijn kind, je moet je ouders niet altijd geloven.’
Ik zweeg en keek fronsend door de kamer. Opeens voelde ik me zeker van mezelf, stond resoluut op, maakte een ronde door de kamer en bestudeerde de meubels, schilderijen, de schoorsteen, het kleed, de klok, de keuken. Daarna liep ik terug naar het dametje, plofte weer neer op de fauteuil en vroeg:
‘Hoe kent u mijn vader?’
Ze legde voor het eerst die avond haar breiwerk neer.
‘Dat zal ik je vertellen, als je me belooft direct daarna naar het lager te gaan.’
‘Dat beloof ik!’
‘Oké. Waar zal ik eens beginnen. Nou, jouw vader, dus. Uhm…’
Het schoot nog niet erg op.
‘Laat ik maar eens beginnen met…’
‘Met…?’
‘Met… Wacht. Kun je Hélène niet even erbij halen? Die vertelt veel beter. Onthoudt ook nog van alles. Die deur daar.’
‘Wilt u dat ik haar wakker maak?’
‘O zeker.’
‘Maar…’
‘Geen zorgen, ze slaapt wel weer bij.’

Drie grote bedden, twee bezet. Hoe wist ik nou wie Hélène was?
‘Hélène?’ fluisterde ik. Het bed rechts bewoog. ‘Eeuw?’ klonk het.
‘Uhm, we hebben u nodig…’

Achter Hélène aan liep ik de woonkamer door. 
‘Maar dat is Hélène niet, mijn schaap. Wek de andere.’
‘Hélène?’ fluisterde ik weer.

De drie oude dametjes zaten elk in hun fauteuil, ik was er in kleermakerszit voor gaan zitten.
‘Nou…eens even kijken’, zei Hélène. Ze schoof heen en weer in haar stoel en wreef over haar bovenarmen. ‘Kun je niet wat dekentjes over ons heen leggen?’
Ik stond weer op, trok de plaids van de bedden, legde er een over elk van hen en ging weer voor ze zitten.
‘Nou’, zei Hélène weer. ‘Het begon in het bejaardentehuis.’
‘Ee ee’, onderbrak het kleinste dametje. ‘E eòn eel eerer.’
‘Sorry?’ vroeg ik.
‘Ze heeft haar kunstgebit niet in. Ligt op het nachtkastje. Rechter bed.’

‘Het begon veel eerder, zei ik’, hervatte het kleinste dametje. ‘Het begon…’
‘Het begon bij jouw kleindochter, Rose,’ zei Hélène.
‘Wat begon bij mijn kleindochter?’, antwoordde het dametje met de vlecht.
‘Het verhaal.’ 
‘Oh ja. Het verhaal. Ja. Nou, mijn kleindochter…’
‘Zou ik het niet vertellen?’, onderbrak Hélène.
Met een luide zucht liet ik me op de vloer rollen. ‘Maar u schiet ook niet op! Ik bedoel, als ik morgen nog een berg moet beklimmen, dan wordt het zo wel krap!’

Ze moesten alle drie om me lachen. ‘Oké, oké,’ begon Rose eindelijk. ‘Zo ging het: mijn kleindochter zorgde al een jaar of drie zo dagelijks een beetje voor me. Omdat, ach, je weet wel, dingen gaan toch even een stukje lastiger op onze leeftijd. Nou, op een dag kwam ze huilend bij me aan omdat ze me in het bejaardentehuis ging stoppen. Ze kon niet anders zei ze, het arme kind, want ze had absoluut geen tijd meer voor me en haar ouders… nou goed. Uit medelijden met haar ben ik gegaan. Een dagje. Om met Hélène en Brigitte meteen maar een ontsnappingsplan te bedenken.’
‘Brigitte?’ vroeg ik.
Ze knikte naar het kleinste dametje. ‘Deze twee hier, die zaten al maanden te popelen om ervandoor te gaan.’
‘En toen?’
‘En toen… nou goed, vooruit, ik zat er iets langer dan een dag, misschien een maand… Toen kwam mijn kleindochter weer langs en zei ik haar dat we alle drie mee zouden gaan.’
‘Waarheen?’
‘Naar de hut.’
‘Welke hut?’
‘Deze hut.’
‘Deze hut?’
‘Jazeker.’
‘Hoezo naar deze hut?’
‘Omdat mijn kleindochter hier werkt.’
‘Niet waar. Wie dan? Waar dan?’
Weer lachten ze alle drie. ‘Vind je niet dat de waardin een beetje op me lijkt?’
Verward bestudeerde ik haar gezicht. Maar wacht. Dan was Rose dus de oma van de waardin.
‘Maar u bent de oma van de waardin!’
‘Ja lief’, lachte ze, ‘ben je er nu al achter?’
‘Maar… Ze hadden gezegd dat… Maar… Mijn vader…’
‘Je vader heeft de helikopter geregeld. Daarmee heeft hij de waardin erg gecharmeerd. Hij heeft zelfs nog het een en ander opgeknapt in ons appartement.’
‘Een helikopter…Maar hij wist dus… alles.’
‘Oh jazeker.’
‘Ze hebben me voor de gek gehouden.’
‘Jazeker.’
‘Argh! Ze hebben me heel erg voor de gek gehouden!’ Ik stond op en liep met gebalde vuisten door de kamer. ‘Er zijn dus ook geen fauteuils in de grot bij Pointe Louise?’
‘Je zou wat minder goedgelovig moeten worden, Marie.’
‘Ja maar…Aargh!’

Ik pakte mijn breiwerkje, schoof een stoel naar achter in de keuken en begon boos te breien. De waardin! Het was haar bloedeigen oma!

Tien minuten verstreken. Twintig misschien wel. Mijn breiwerk zat vol fouten.

‘Hadden we niet gezegd dat je naar het lager zou gaan?’
‘Nee.’
‘Marie?’
‘Nee. Nu is alles anders. En mijn vader is nog stommer dan ik dacht en de waardin ook. En nooit ga ik mee naar Point Louise. Ik blijf hier.’
De drie dametjes bleven stil en ik breide boos door.

‘Marie?’
‘Nee!’

 
Deel V.

Ik gaapte. En nog eens, en nog eens. Het liep tegen een uur ’s nachts en mijn ogen prikkelden. De drie dametjes waren in slaap gevallen, het had geen zin meer om boos door te breien, ik liet mijn breiwerk achter op de keukentafel en kroop naast Rose in de fauteuil.

De volgende ochtend werd ik wakker in het lager.

Wacht…

Had ik gedroomd?

Ik liep naar beneden en trof de hut leeg aan. Geen waardin in de keuken, geen toeristen op het terras. Op blote voeten liep ik over de stenen naar de achterkant van de hut en trok aan de hendel van de deur. Op slot.

‘Ah maar jullie zijn hier!’ riep ik uit. Ze zaten op het bankje in de zon. ‘Waar zijn de anderen?’

Mijn vader was me die ochtend vroeg gaan zoeken en had me niet geheel tot zijn verbazing gevonden in het appartement. Ook zijn koplamp en donsjas trof hij daar aan. Omdat hij alle slaperige dametjes naar bed had moeten begeleiden en mijzelf naar het lager had getild, waren ze een half uur later dan gepland naar Pointe Louise vertrokken. Zo vertelde hij me die middag.

Ik luisterde maar met een half oor, want ik had een plan.

Die avond moest hij me weer zoeken en liep al snel naar het appartement, waar niemand meer aanwezig was. Op de keukentafel lag echter een briefje. ‘We zijn vertrokken naar Refuge de Pelvoux en beklimmen morgen de Sialouze. Groetjes.’ Met een flauwe glimlach liep hij alle kamers door, maar toen hij alleen een rondslingerend roze breiwerkje op het toilet vond, lachte hij iets minder. Hij zocht in een grote cirkel rondom de hut, ging alle lagers af en werd steeds iets witter. Niemand op het bankje tussen de rotsen, niemand in de opslag, niemand op het terras. Hij keek zelfs onder de tafels en in de manden met spelletjes. ‘Misschien zijn ze echt naar Sialouze…’, suggereerde de waardin zachtjes terwijl ze in een soep roerde.
‘Dat kan helemaal niet. Hoe wil je nou dat die drie… Een helikopter?’
‘Nou ja… misschien. Misschien hebben ze je vriend wel gebeld.’
‘Dat had ik wel gemerkt… Gehoord…’
‘Denk je?’
‘Dat had ‘ie nooit gedaan. Zonder mijn toestemming.’ Zijn vriend nam niet op.
‘Denk je nou echt dat ze…?’
‘Bel anders de hut.’
Hij belde de hut. Die hadden ’s morgens een reservering ontvangen, maar het viertal was schijnbaar nog niet aangekomen.
‘Dat kan toch niet!’ riep hij uit. ‘Wat willen ze daar nou in vredesnaam doen?’

Hij liep rood aan, ijsbeerde door de keuken, begon een tas in te pakken en bleef maar mompelen dat het echt niet mogelijk was.
‘Zouden ze zijn gaan lopen? Dat zou toch echt te gek voor woorden zijn.’ Bezorgd keek hij op zijn horloge, daarna naar zijn waardin.
‘In dat geval haal je ze snel genoeg in’. Hij zag niet dat ze een klein beetje moest lachen. Vlug sprong hij in zijn bergschoenen, gaf haar een kus en zei met een grote frons op het voorhoofd dat hij haar op de hoogte zou houden.

Zodra hij de deur uit was fluisterde ze: ‘Hoe ver willen jullie dat hij gaat?’
‘Op zijn minst een half uur’, zei ik stoer terwijl ik uit de voorraadkast tevoorschijn kwam.
‘Doe maar een uur’, zei Hélène terwijl ze haar rok afklopte. ‘Dat vind ik wel gepast.’
‘Helemaal tot Refuge du Pelvoux. Dan leert hij vast en zeker dat hij nooit meer zijn dochter voor de gek moet houden’, zei Brigitte terwijl ze haar knot terug bovenop het hoofd duwde.
 
Plotseling twijfelde ik en keek naar Rose, die mijn gezicht las en zei: ‘Ga achter hem aan, kind.’

Ik sprong in mijn huttensloffen en rende de deur uit.

‘Zo’, zuchtte Rose. ‘Breiwerkje, iemand?’ 

Zondagochtend



De krant, koffie en een kat in de buurt: op schoot, in de tijdschriftenbak of voor het raam. Misschien zelfs wat klassieke muziek op de radio en dan weer koffie. Sinds een aantal maanden kan ik de zondagochtend vieren zoals mijn ouders me het geleerd hebben, want er is een krant in huis.

Toen mijn moeder hier in La Vachette tot mijn grote plezier het Franse leven testte, liet ze doorschemeren dat mijn Nederlands er in Frankrijk niet Nederlandser op werd. Eventueel wat Franser en ongetwijfeld Rubyaanser, waar het vooral circuleert in het bewegelijke labyrint van mijn eigen hoofd.

Het was dus belangrijk dat ik weer Nederlands zou lezen. De oplossing daarvoor werd de NRC.  Sindsdien kan ik verstandige dingen zeggen over de toeslagenaffaire, enge types bij de Leidse rechtenfaculteit en schaatsers die massaal over het ijs glijden of er massaal doorheen zakken.

Ik weet niet of het (al) effect heeft op mijn schrijven, maar het geritsel van het papier en de inkijkjes in het dagelijkse Nederlandse leven brengen me elke zondagochtend weer even terug naar huis. Alsof mijn ouders naast me zitten, mijn moeder en ik afwegen of we een rondje gaan hardlopen in de duinen.

Of toch nog maar een kopje koffie, verstopt achter de krant. 

Metronoom

Afgelopen twee weken zaten vol emoties. Ik heb namelijk geskied in het station, eerst in Zwitserland en daarna (wederom) met de CRET.

Je zou niet zeggen dat skiën een emotionele aangelegenheid is, tenzij de knappe skileraar na winters lang circuleren in hetzelfde station nog steeds geen hint van interesse toont of je kleine broertje plotseling harder skiet dan jij.

In elk ander geval is skiën toch wel gewoon dat zonnetje op de sneeuw, spanning en euforie van het gesjees over de pistes of door het bos, glijdend richting het biertje in het dal.

De afgelopen vijf jaar heb ik echter zo hard gewerkt om de sport onder de knie te krijgen dat elke afdaling, misschien zelfs wel elke bocht, iets groots in me losmaakt. Ofwel gevoelens van beheersing, van vrijheid en dankbaarheid wanneer ik gewoon hop-hop-hop ski, ofwel teleurstelling, frustratie, het totaalpakket aan waarom-de-**** is dit zo moeilijk en ben ik zo dramatisch incapabel.

Feit is dat ik eigenlijk nog nooit zo hard voor iets heb moeten werken. Toen ik eventjes besloot om het ski-examen van de ENSA te halen realiseerde ik me absoluut niet welk soort investering die keuze inhield; niet hoeveel tijd en geld erin zouden gaan zitten en hoeveel andere dingen ik ervoor opzij zou moeten zetten, niet hoezeer ik mezelf keer op keer fysiek en mentaal zou moeten uitdagen.

Wat helpt is dat ik totaal hotel de botel verliefd ben geworden op de sensatie van het skiën zelf en de wereld waar ik doorheen glijd. Die spierwitte, magische, besneeuwde vrijheid… (ja, dat bestaat).

Wat niet helpt is dat ik van nature niet zo’n waaghals ben en ik me constant aan mijn eigen haren over mijn eigen grenzen moet sleuren, zowel wat betreft mijn snelheid als het grote plonger dans la pente (wanneer het zeg maar steil is). 

Het eindresultaat?

Dat varieert.

De eerste paar dagen in Zwitserland skiede ik om vooralsnog onbekende redenen dermate beroerd dat Thibault en ik ons beiden afvroegen of het überhaupt zin had om mij dit jaar aan de ENSA te presenteren. Daarna regende het op hoogte en was de sneeuw zo zwaar dat hors-piste skiën om nogal extreme technieken vroeg. Echt leuk was die regen daarbij niet.

Tegen de tijd dat de CRET begon stond ik echter redelijk zeker en vrolijk (!!) in mijn skischoenen. De technische oefeningen gingen goed (daar gooiden ze me immers al jaren mee dood) en mijn zelfvertrouwen nam een redelijke vorm aan.

Toen mijn lievelingsskimaatje woensdagochtend haar kniebanden scheurde tijdens de opwarming en doodleuk afgevoerd werd in de banaan, liep mijn goggle echter vol met tranen. Skiën was een verschrikkelijke shitsport en wij waren allen geestelijk gestoord om er zo achteloos onze dromen mee in te vullen en onze knieën aan op te offeren.

Die middag lukte het me echter eindelijk om iets te corrigeren dat me al tijden dwars zat (het afronden van mijn linkerbocht) en was ik de bazin van de witte wereld.

Mijn eindcijfer afgelopen vrijdag kwam daarom nogal hard aan: een zesje.

Een zesje.

Ik was woedend op mezelf, zo teleurgesteld, zo triest dat ik na vijf jaar training uitkwam op een zesje. Dat ik al die tijd zo verschrikkelijk had gehouden van iets dat absoluut niet van mij hield.

Het probleem was natuurlijk mijn snelheid geweest, het eentonige ritme waarin ik naar beneden was geskied. Mijn bochten zijn misschien mooi rond, technisch gezien valt er weinig op aan te merken, maar de jury valt in slaap nog voor ik langs glijd. Ze noemen me een metronoom.

Als metronoom kan ik overigens de examens halen; een zesje is immers een voldoende. Maar het voelt als falen.

Nu was er toch nog een klein lichtpuntje. Yann de magiër, de opleider die skiet als een gazelle, vroeg me de allerlaatste afdaling om achter hem aan te skiën, iets wat ik normaal gesproken vermijd omdat hij veel te snel gaat. Natuurlijk hield ik hem niet bij, terwijl hij zelf ongetwijfeld skiede op twintig procent van zijn kunnen, maar in mijn poging hem te volgen, met variërende ritmes en relatieve snelheid, heb ik gemerkt dat ik mijn grenzen misschien makkelijker op kan schuiven dan ik denk. En dat voelt goed.

Natuurlijk moet ik het allemaal niet zo serieus nemen. Er zal ongetwijfeld een dag komen waarop ik mijn niveau loslaat en ski zoals de anderen: glijdend richting het biertje in het dal. Maar ik heb toch het idee dat mijn jarenlange gevecht voor een correcte afdaling me iets leert, elke dag weer. Dat het op de een of andere manier goed voor me is om ergens hard voor te werken, zelfs al is het zoiets futiels als skiën. Misschien is dat een optimistische gedachte om mezelf te kalmeren wanneer ik faal, maar zolang ik er zelf in geloof, zet ik nog eventjes door.

De Slager


Een klein (maandag)verhaal in afwachting van de finale van De Drie Oude Dametjes.

Oma vergeet nog wel eens dat ik vegetariër ben. Vooral op woensdagochtend, wanneer ze de slager vraagt om twee biefstukken voor onze wekelijkse lunch. Vandaag vertrek ik een uur eerder van werk en vergezel ik haar naar de hoek van het dorpsplein, zodat ik de slager kan influisteren dat mevrouw Monet vanaf vandaag slechts één stuk biefstuk wil.

Voor de ruit van de slager hangen twee varkens. Een belletje klinkt bij onze binnenkomst, het licht schijnt fel op het roze vlees in de vitrines. Twee mannen kijken ons glimlachend aan. ‘Madame Monet!’ roept de oude met snor. ‘Hoe gaat u vandaag? Hoe staat het ervoor in uw bergdorp? Niet al te glad op de paden?’
‘Nou,’ mompelt mijn oma, ‘het mag wel weer zomer worden.’ Ze schuifelt iets naar voren en fronst alsof ze de mannen wat beter wil bekijken, zoekt vervolgens naar haar portefeuille.
‘En wie heeft u meegenomen? Ontmoeten we nu eindelijk uw kleindochter? Matthieu, twee biefstukken van 200 gram.’

De jongere, jaar of dertig, grijpt naar een enorme lap in de vitrine, legt het vlees met een klap op een plank en begint erin te snijden.
‘Eigenlijk… Maar eentje vandaag.’ Hij kijkt op en mijn hart slaat een slag over. Zulke donkere ogen. ‘Eentje maar?’ vraagt hij.
‘Uh… Ja. Ik ben uh, heb niet zo’n honger.’
‘Ach, dan bewaart u hem voor vanavond,’ zegt de oude met een knipoog. ‘We geven hem cadeau vandaag. Een feest om u beiden hier in de winkel te hebben. Twee stuks, Matthieu.’

Ik zie zwijgend aan hoe de twee biefstukken worden gesneden, ingepakt en uiteindelijk in de handtas van oma verdwijnen.

De woensdag erna vertrek ik weer een uur eerder van werk en neem mezelf voor dit keer wat steviger in mijn schoenen te staan. Vlak voor het openen van de deur voel ik een klein beetje zenuwen in mijn buik; met hoop en vrees bekijk ik de bezetting van de winkel en zie dat Matthieu, de naam die ik niet meer uit mijn hoofd krijg, een kopje koffie drinkt in de hoek van de winkel.
‘Dames!’ roept de oude. ‘Wat een plezier u wederom beiden in de winkel te hebben! Matthieu, twee biefstukken van 200 gram.’
‘Uhm’, stamel ik, ‘eentje maar, alstublieft.’
‘Eentje maar?’ vraagt Matthieu. Hij kijkt op en lacht, blijft kijken tot ik reageer, mijn reactie vertraagt dramatisch.
‘Nou, uhm, mijn oma heeft niet zo’n honger vandaag.’
‘Wat zeg je, kind?’ roept oma.
‘Niets oma, niets.’ Ik heb het opeens heel erg warm.

Als ik die middag boter in de pan gooi en het papiertje van de slager open, zie ik alsnog twee biefstukken.

De woensdag erna repeteer ik het zinnetje in mijn hoofd vanaf het huis naar de slager, wat aardig veel oefening oplevert aangezien oma zo snel niet meer loopt. ‘Een biefstuk alstublieft, ik ben vegetariër. Een biefstuk alstublieft, ik ben vegetariër. Een biefstuk…’
‘Goedemiddag madame Monet en kleindochter! Hoe gaat het ermee vandaag?’
Tot mijn teleurstelling zie dat Matthieu niet aanwezig is. Ik probeer achter de slager langs te kijken om te zien of hij misschien in de keuken bezig is, maar zie alleen een lege werktafel.
‘U zoekt mijn collega? Die is er vandaag niet. Heeft u zijn cadeautje gewaardeerd?’
‘Cadeautje?’ Mijn hart gaat sneller kloppen.
‘Een tweede biefstuk?’
Oma haalt ondertussen munten uit haar portemonnee en legt ze op de toonbank.
‘Ah…’ Ik weet niet wat ik moet zeggen en glimlach verlegen, roze als al het vlees in de vitrine.
‘Volgende week zal hij er gewoon weer bij zijn’, zegt de oude slager met zijn knipoog. ‘Fijne dag, dames!’
‘Fijne dag’, stamel ik.

Die week erna probeer ik oma zover te krijgen om alleen naar de slager te gaan, want ik durf niet meer, maar ze is dusdanig aan mijn gezelschap gewend geraakt dat de dorpsstraat plotseling te glad is om alleen te traverseren, de lucht daarbij te koud en het opstapje voor de slager te hoog. Achter een slinger kaalgeplukte kippen zie ik meteen dat Matthieu in de winkel aanwezig is, waardoor mijn handen trillen bij het openen van de deur en ik schrik bij het horen van het belletje.
‘Ik ben vegetariër!’ roep ik direct uit onmacht. Een klant met hoed kijkt me geschrokken aan, ik zoek een luik in de tegelvloer om doorheen te verdwijnen.

‘Komt dat nou eventjes goed uit,’ zegt de oude slager. Verbaasd kijk ik op, hij lacht breed. ‘Matthieu, geef deze mooie jongedame wat je deze morgen met zoveel inspanning en liefde hebt klaargemaakt.’ Ik neem het pakketje aan zonder Matthieu aan te kijken en vraag zacht wat erin zit.

‘Een vegaburger, mijn lief!’ roept mijn oma.

Drie oude dametjes Deel III (Fictie)

Klik hier voor deel 1!

Met twee daadkrachtige voeten in twee kleine, daadkrachtige bergsloffen hielp ik om vier uur ’s ochtends met het dekken van de tafel voor de alpinisten die op tocht zouden gaan. Ik vertelde ze allemaal welke temperatuur het buiten was (-3), hoe hard de wind woei (15km/uur) en gaf het advies aan een groep van vijf om vooral niet te snel van start te gaan, om energie voor de top te bewaren.
‘En wat doet onze kleine waardin zelf, vandaag?’ vroeg een man met een enorme baard.
‘Ik heb iets om uit te zoeken.’
Hij lachte hardop. ‘En zeg ons eens, wat heb jij om uit te zoeken?’
Iedereen luisterde aandachtig. Opeens werd ik verlegen, deed een stap naar achteren en antwoordde zonder iemand aan te kijken: ‘Niets.’
‘Ah’, zei de man, ‘is het iets geheims, toevallig?’
Ik knikte.
‘Nou, dan zal ik er maar niets meer over vragen. Succes met je zoektocht.’ Hij knipoogde.

Nadat alle alpinisten de deur uit waren en ik even door het raam naar de slinger van lichtjes had gekeken, kroop ik terug in het lager om pas om half elf ’s ochtend wakker te worden. Mijn vader zat met de waardin in de zon op het terras.
‘Lieverd, er is een klein probleem’, zei hij terwijl hij een stuk brood afsneed en een pot chocoladepasta in mijn richting schoof.
Wat nu weer.
‘François is door zijn enkel gegaan.’ François, een andere bevriende gids van mijn vader.
‘En dus?’
‘Zijn klanten zijn al in Ailefroide. Ze zouden morgen Pointe Louise beklimmen.’
‘En dus?’
‘En dus haal ik ze zo dadelijk op uit de vallei en gaan ze morgen met ons mee.’
‘Mee waar naar toe?’
‘Pointe Louise.’
‘Maar wij gaan niet naar Pointe Louise, wij gaan naar een andere hut morgen.’
Ik zag dat mijn vader de waardin een blik toewierp en begon boos te worden.
‘Luister, lieverd’.
‘Nee.’
‘Lieverd.’
‘Nee’.
‘Het zou wel heel vervelend voor hen zijn om helemaal hierheen te zijn gekomen zonder uiteindelijk een berg te beklimmen, toch? Vind je niet?’
‘Kan me niks schelen.’
‘Wil je dan dat ik ze alleen in het dal achterlaat?’
Ik zweeg en keek fronsend naar mijn broodje chocoladepasta.
‘Ik heb al ja gezegd tegen François.’
‘Nou, dan ga je lekker alleen met je stomme klanten. Ik ga niet mee. Ik blijf hier.’
Nog steeds staarde ik naar mijn broodje.
‘Wil je niet de bergen in?’
‘Niet die berg. Niet met anderen.’
Hij zweeg en keek ook naar mijn broodje.
‘En als ik je nou beloof dat we binnenkort de andere bergen zullen beklimmen? Wij samen? De bergen die je wilt beklimmen?’
‘Wat heb ik daar nu aan?’ Mijn vader was echt nergens goed voor. Ik stond op en liep weg, achter de hut omhoog met flinke stappen die ik met extra kracht de rotsen in duwde.

De bergen waren echter enorm en vriendelijk en lieten me vrij snel vergeten dat ik boos was. Ik liep tot een klein aarden plateau en begon aan het bouwen van een bivakplek door overal om me heen stenen op te stapelen. Tegen de tijd dat ik een instabiele wand van ongeveer kniehoogte had gemaakt, die naar mijn mening behoorlijk goed de wind zou tegenhouden, zag ik mijn vader als een steenbok over de rotsen naar me toesnellen. Meteen was ik weer boos.
‘Lieverd.’
Ik zei niets en legde stenen op mijn muur.
‘Ik ga nu naar beneden om de klanten op te halen. Over een half uurtje is er eten voor je. Als je wilt, kan de waardin daarna een spelletje met je doen. En we hebben verf voor je op de tafel gelegd, die grote vlak bij de ingang.’
Ik bleef stenen op mijn muur leggen totdat mijn vader verdween.

De drukte rondom de hut was groot. Gezinnen bleven lunchen, alpinisten kwamen terug uit de bergen en wilden bier. Alle tafels zaten vol, mensen zaten tegen de muur van de hut, op de treden van de trap en zelfs een tweetal op de rand van de plantenbak. De waardin rende in de rondte met overvolle dienbladen en ik vond haar eventjes best wel cool en ook wel een beetje mooi. Maar omdat ik boos op mijn vader was, was ik dus ook boos op haar, en toen ze ondanks de drukte erop stond een spelletje met me te spelen, zei ik met zoveel mogelijk tegenzin ‘ja’. 

Nu was het spelletje best wel grappig en moest ik heel veel lachen. Dat was natuurlijk niet zo praktisch.

Tegen tweeën zag ik de drie dametjes op het terras verschijnen. Iedereen keek verbaasd toe hoe het schuifelende gezelschap zich een weg langs de tafels baande en voorzichtig de hut binnen stapte. Ik liep zelf ook naar binnen en begon zo nonchalant mogelijk aan een schilderij, terwijl ik elke beweging van de dametjes nauwlettend in de gaten hield. Ze bewogen uiteraard nauwelijks, alleen misschien de naalden van hun breiwerken, maar ik hield ze alsnog nauwlettend in de gaten.

En toen was het eindelijk zover. Ze stonden op. Zodra ze de deur uitstapten sprong ik achter mijn schilderij vandaan en volgde ze met kloppend hart. Tergend langzaam schuifelden ze terug over het terras en begonnen aan het pad richting de bergen. Telkens verstopte ik me achter een rots, tot ze weer wat verder waren en ik snel wat dichterbij sloop, om vervolgens weer achter een rots te duiken. Na vijf minuten (en een meter of…dertig?) schuifelden ze echter van het pad af. Nieuwsgierig stak ik mijn kop boven een rots uit. De voorste steunde op een steen en stapte iets af, verdween langzaam onder uit beeld. De tweede en derde volgden. Ik haastte me zo snel en stil mogelijk achter hen aan en keek voorzichtig om het hoekje.

Daar zaten ze. Op een bankje in de middagzon, hun breiwerken al op schoot
.
‘Salut, Marie’, klonk het.
Ik schoot weg.
Hadden ze me gezien? Kenden ze mijn naam?
Voorzichtig stak ik mijn hoofd weer om de hoek.
‘Kom hier. We willen je iets laten zien.’
Met rode wangen en gebogen hoofd kwam ik tevoorschijn en sleepte mezelf richting het drietal.
‘Hier, pak dit aan.’ Het oude dametje met de lange vlecht hield twee grijze naalden in de lucht. Aarzelend pakte ik ze aan en deed meteen weer een stap naar achteren.
‘Kom hier, lief kind. We bijten niet.’
Ze schoof haar billen opzij en maakte zodoende plaats tussen haar en het dametje met de dikke brillenglazen. Ik ging zitten en rook oude vrouwtjes bloemenparfum.
‘Kijk.’ Ze groef in de zak van haar rok, haalde een bol roze wol tevoorschijn en legde die in mijn schoot.
‘Nu moet je goed opletten. Doe zoals ik. Je pakt het uiteinde van de draad…en een naald…’ Ik fronste naar haar stijve, gerimpelde vingers en probeerde haar na te doen. Het lukte niet. Ze trok alles van mijn naald af en liet me opnieuw beginnen.
‘Kijk! Zie je, het lukt! Nu moet je alles wat minder hard aantrekken en het is perfect.’

Ik breidde een lapje van wel twintig centimeter bij elkaar en was behoorlijk trots op mezelf, al had het kleinste dametje zich tweemaal verplicht gevoeld om mijn foutjes te corrigeren. Maar toen hoorde ik weer ‘Marie!’.

Boven de rotsen uit verscheen de kop van mijn vader. Die vervelende man.

Ik deed aanvankelijk alsof ik hem niet verstond, maar toen hij voor me stond was het toch moeilijk om hem te negeren.
‘Lieverd, er is iemand die je graag zou willen zien.’
Van boosheid maakte ik een foutje in mijn breiwerk. Zuchtend trok ik aan mijn draad, waardoor er veel te veel van mijn naald afsprong.
‘Lieverd?’
‘Laat me! Ik zit hier prima.’
‘Het is maar vijf minuten. Daarna mag je weer terug.’
‘Nee.’
‘Ik beloof je, het is echt maar heel even.’
‘Luister’, zei het kleinste dametje zachtjes terwijl ze een warme hand op mijn knie legde. ‘Ik zie dat er iets niet helemaal goed gaat, daar.’ Ze knikte naar mijn breiwerk. ‘Geef het aan mij, dan los ik het voor je op terwijl je even met je vader meegaat. Oké?’
Tegen de oude dametjes durfde ik niet in te gaan. Ik gaf haar het breiwerk en liep met een nors gezicht achter mijn vader aan.

Op het terras stond mijn beste vriend van Vallouise. Hij zou morgen ook naar Point Louise gaan, samen met zijn vader, eveneens berggids. Ik greep hem meteen bij de hand en trok hem mee over het pad richting de bergen, na dertig meter rechtsaf en een paar treden naar beneden.

‘Kijk!’ riep ik iets te vroeg.

Er zat niemand meer.

Klik hier voor de Finale!

Gastblog Moeder woont in La Vachette II.

Voor Gastblog Moeder woont in La Vachette I, klik hier!

Ja inderdaad, van die moeder die in Frankrijk was. Logisch wel, want Ruby heeft er maar één. Ze is weer in Nederland na twee maanden La Vachette.

De horizon was verbreed.
Nog iets breder zou fijn zijn geweest, maar zoveel ruimte biedt een Frans confinement  (lock down in goed Nederlands) nou ook weer niet.
Daarnaast was er diep en lang nagedacht en belangrijke conclusies getrokken. Kortom de zaadjes voor het nieuwe leven als pensionado in Frankrijk waren geplant. Nu alleen nog even naar Nederland om Ruby’s vader van de noodzaak van een en ander te overtuigen en ons eigen ‘ik vertrek’ kon uit de startblokken.

Met heel veel pijn in mijn hart verliet ik La Vachette. Tigrou en Ruby, Fiekje, Thib, de prachtige bergen, de onverstaanbare overbuurman, zelfs de schimmelige hond van de skileraar; ik had het allemaal in mijn hart gesloten. Gelukkig zou ik snel terugkomen.

Maar Nederland is ver en twee dagen in de auto zijn lang.
Er moest een flink aantal hindernissen worden genomen. Zoals bijvoorbeeld de warboel aan snelwegen tussen Grenoble en Lyon. Mijn haren gaan daar altijd recht overeind staan. Ik had me dus extreem goed voorbereid, de te volgen wegnummers uit mijn hoofd geleerd en wist zodoende op het moment suprême zeker, dat de routeplanner me verkeerd stuurde. Het resultaat was een hoop gezwabber van de ene rijbaan naar de andere.
Dan bij de tolpoortjes, het scenario waar ik altijd al bang voor was. Het poortje waarbij ik moest afrekenen lustte geen plastic, niet van de bank en niet van de Visa.
En tot slot de uitsmijter van rijdag één: het Ibis budget hotel, waarvoor ik toch echt een reservering op zak had, was donker en potdicht.
De tweede dag van de thuisreis, kwam ik, in het kader van de wet van het behoud van ellende, met nog maar heel weinig benzine, tot mijn ontzetting terecht op die ene Belgische snelweg waar je nergens kunt tanken.

Alles kwam natuurlijk goed. De mevrouw in de routeplanner nam gewoon een andere weg, want net als naar Rome leiden een heleboel wegen naar Lyon. Het tolpoortje at weliswaar geen plastic, maar echte bankbiljetten vond het heerlijk. Bij het gesloten Ibis budget dook uit de struiken een medewerker op, die waarschijnlijk uitlegde (Frans hè) dat het een beetje onrendabel was om voor mij alleen de hele zaak open te houden (zelfs budget) en daarom mocht ik naar de ‘gewone Ibis’ een paar straten verderop. En natuurlijk viel ik in België niet zonder benzine, dat mocht ik willen. Het verbruik van mijn kleine rode koekblik, dat alleen een dealer een auto noemt, staat in geen verhouding tot de slurperd die we ervoor hadden. Ik kom uit een autofamilie, met bijbehorende autograppen. Het was zo’n auto waarvan mijn broers zouden zeggen, dat wanneer je aan de pomp de motor laat draaien, de tank nooit vol raakt. Toen ik nog maar net in mijn huidige olienoot reed, heb ik dan ook vaak gedacht dat de benzinemeter stuk was. Ik had België op de resterende drie druppels benzine met gemak nog een paar keer kunnen doorkruisen.

Allemaal ‘non-avonturen’ dus, maar toch slaakte ik een zucht van verlichting toen ik de parkeerplaats voor onze flat opdraaide. Het ‘blij weer thuis te zijn?’, van mijn man beaamde ik hartgrondig, de emigratieplannen konden best even wachten tot de volgende dag.

En toen gebeurde waar ik eigenlijk in Frankrijk al bang voor was. Het dagelijks leven hernam zijn loop. En als er iets taai is en niet voor verandering openstaat, dan is dat je dagelijks leven.

Mijn man vond het een geweldig idee om naar Frankrijk te emigreren, maar dacht ongeveer een jaar nodig te hebben om alles in Nederland af te ronden. Best logisch natuurlijk, je kunt niet verwachten dat iemand gelijk gaat pakken. 
Intussen hield ik de Franse vibe erin….zo lang mogelijk. Draaide ik ’s morgens de verwarming open, dan vergat ik nooit even te vermelden, hoe geweldig het is om een echt vuur te stoken in een houtkachel met zelf gehakte houtblokken (nou ja, door iemand anders ‘zelfgehakt’). Zeker leuk die bomen achter ons huis, maar het waren natuurlijk geen bergen. Ik presteerde het zelfs enthousiast te vertellen over de vissen die me vanaf hun ijsbedje aanstaarden bij het binnenlopen van de Carrefour. Dit vond vooral mijn man een heel bijzondere aanprijzing, want voor zover hij weet, griezel ik van vis en dan vooral van vis die nog op vis lijkt. Mijn kinderen hebben jarenlang gedacht dat de zeeën bevolkt werden door gepaneerde rechthoekjes.

In het volste vertrouwen dat het thuisfront zich zo langzamerhand wel realiseerde dat in Frankrijk alles beter was, leek het me eigenlijk niet nodig het voortdurend te blijven benoemen. Het kwam er ook niet altijd meer van. Daarbij is het soms toch best gemakkelijk dat je ’s morgens niet eerst in je pyjamaatje in min vijf naar buiten hoeft voor hout, om dat dan binnen in pak hem beet, plus vijf aan de praat proberen te krijgen.  Met bomen in je achtertuin is verder ook niet echt iets mis en de Appie is best prima gesorteerd (alleen de visafdeling is wat beperkt… gelukkig). 


Er dreigt dus groot gevaar voor mijn verhuisplannen, van de kant van het dagelijks leven. Zoals gezegd heeft het een broertje dood aan veranderingen en dat is niet het enige. Het is ook best schijnheilig. Het gaat helemaal mee in de gedachte dat ‘alles anders moet’, maar  laat vervolgens nooit na om even langs zijn neus weg te zeggen, dat dit natuurlijk heus niet gelijk vandaag hoeft.  Dat je bijvoorbeeld best eerst nog even naar ‘heel Holland bakt’ kunt kijken, The Bridgertons af flixen en een potje tennissen.  Morgen is voor ‘het dagelijks leven’ altijd vroeg genoeg.

En zo vliegt de tijd voorbij en rol je van de ene dag in de andere. En misschien word je op een dag wel wakker en kijk je in de spiegel en nee, dan is het niet je moeder die je aankijkt, maar je eigen ouwe koppie. En dan zou de tijd van het ‘ik vertrek’ wel eens zomaar zonder enig vertrek voorbij gegaan kunnen zijn.

Het is dus zaak je niet in de luren te laten leggen. Dat ik van de ene lock down in de andere val maakt het lastig, maar mijn fantasie heeft gelukkig nog vrij reizen.

Daarom krijgt het bij deze de beschikking over de komende tien jaren, met de opdracht ze geheel naar eigen inzicht en smaak in te richten. Het mag er heel Frankrijk voor door (wel in overleg met Ruby en Fieke graag!) en wat mij betreft doet het ook nog een rondje Nederland. Ik wacht de resultaten in spanning af. Ben heel benieuwd waar het mee aan gaat komen.
En dan rest míj alleen nog even de vertaalslag maken naar de realiteit…eitje toch….

Drie oude dametjes Deel II (Fictie)

Klik hier voor deel I!

Terwijl mijn vader de waardin hielp met de schoonmaak, hield ik de wacht op het terras. Ik zag toeristen met glitterschoenen en grote camera’s richting de hut lopen, Noordelijke families met verbrandde vaders, alpinisten met tassen en touwen en gidsen die me ter plekke over mijn bol aaiden en vroegen wat mijn laatste beklimming was geweest. ‘Agneaux’, zei ik dan met een klein beetje teleurstelling.

Toen één zo’n stomme gids me optilde, op de kop naar binnen droeg en tegen mijn vader zei dat ‘ie onderweg iets grappigs had gevonden, waardoor ik natuurlijk heel hard moest tegenstribbelen en lachen en helemaal niet meer oplette, schuifelden de dametjes ongezien de hut binnen en namen plaats achter dezelfde tafel als vorige keer. Na een uur lang stiekem kijken – er gebeurde niet zoveel – en al mijn moed bij elkaar te hebben geschrapt, liep ik voorzichtig op ze af. Van dichtbij waren ze nog véél ouder.

‘Uh…’ begon ik voorzichtig. Ik durfde ze niet aan te kijken.
‘Uh… Hoe… Hoe lopen jullie dat hele eind naar boven. Ik bedoel…’ Nog steeds keek ik naar de neuzen van mijn bergsloffen, zag een blauw bolletje wol op de grond liggen vlak naast een dikke beige voet in een sandaal. ‘Ik bedoel, het is best wel… u bent best wel…’ Vlug keek ik op, de linker glimlachte.
‘Lief kind, we lopen niet naar boven. We lopen naar beneden.’
Ik rende weg, de keuken in naar mijn vader die wortels aan het snijden was voor zijn waardin.
‘Pap! Ze komen van boven! Ik heb het ze gevraagd!’

Nu ik wist dat ze van boven kwamen was eigenlijk nog niets opgelost. Ik zou ze moeten volgen naar hun woonplek, hun bejaardentehuis op hoogte, hun graf desnoods, maar ik had die vrouw van de hut beloofd dat ik haar zou helpen koken. Of eigenlijk had ik dat aan mij vader beloofd, maar goed.

Van boven de grote soeppan kondigde ik aan dat ik nu toch wel echt graag de Dibona wilde beklimmen, of de Sialouze, want het bleef de hele week goed weer en we hadden nog heel veel vrije dagen. Mijn vader suggereerde Arête de Cinéaste of Point Louise, beiden niet ver van de hut, maar ik zei ‘nee’. Ik zou de volgende middag achter de dames aanlopen en ontdekken waar ze vandaan kwamen, daarna zouden we afdalen en doorgaan naar een andere hut. Dat was de planning van nu af aan.

Tijdens het avondeten vertelde een oude vriend van mijn vader, die zijn klanten alleen had gelaten boven hun soep (mijn soep dus), dat hij op de terugweg van zijn tocht, Point Louise, langs een opening in de bergen was gelopen, bijna een soort grot, en dat hij even binnen had gekeken.
‘Weet je wat ik daar zag, in die grot?’
‘Nee.’ Wat hij ook zag, het was toch niet waar.
‘Drie fauteuils.’
‘Nee.’
‘Jawel.’
‘Waar dan?’
‘Vlak naast de gletsjer, een beetje onder een overhang.’
Ik keek naar mijn vader, die keek heel serieus.
‘Jullie houden me allebei voor de gek. Ik weet waar dat is. Daar zit geen grot.’
‘Niemand weet ervan,’ fluisterde de vriend terwijl hij zich naar mij toe boog. Ik keek intuïtief even om me heen. ‘Je ziet hem alleen als je weet dat íe bestaat.’

Ik twijfelde.
‘Vreemd’, zei mijn vader. ‘Ik zou hem niet geloven.’
‘Nou’, zei de gids, ‘ik weet wat ik gezien heb.’

Ik fronste mijn wenkbrauwen en moest even nadenken.

Toen had ik een ingeving: Ik liep naar de klanten boven mijn soep en vroeg: ‘Zijn jullie vandaag bij een grot gestopt?’
Het viertal keek me verbaasd aan.
‘Ja of nee?’
De oudste knikte langzaam ja.
‘En hebben jullie daar stoelen gezien?’
Weer knikte hij langzaam.
‘Hoeveel?’
‘Uh…’
‘Hoeveel?’ herhaalde ik.
‘Drie’, zei hij opeens met veel zekerheid.
‘Weet u het zeker?’
‘Nou ja, het was wel heel donker, maar het waren er toch echt wel drie, ja.’

Die avond won ik met schaken van zowel mijn vader als de gids en mocht ik van de waardin zelf mijn dessert kiezen, wat een kom vol chocoladepastilles werd die ik niet eens op kreeg voor ik op de bank naast mijn vader in slaap viel.

’s Nachts had ik echter een nieuw probleem: er stonden drie fauteuils in een grot richting Point Louise en ik geloofde daar natuurlijk niets van, maar er waren ook nog drie vrij rondlopende dametjes en ik moest nog maar zien hoe dat allemaal verklaard kon worden.

Klik hier voor deel III!

Immigrant

De gepensioneerden van het dorp zijn dolgelukkig met de vannacht gevallen sneeuw, al zouden ze het niet toegeven. Al vroeg in de morgen klinkt het geschraap van hun sneeuwschuivers. Het gevallen laagje in het dorp is nauwelijks een gymp hoog * en hindert dus geenszins de gang van het dagelijks leven, maar geeft hen een excuus om samen te komen en nieuwtjes uit te wisselen, leunend tegen hun schep. Want daar zijn ze allemaal dol op.

Tegen tienen leen ik de enorme schep van de buren en maak toch maar het paadje schoon dat tussen onze boerenhuizen slingert, een onuitgesproken dorpsplicht die ik zelf nogal eens nalaat, want ik ben zo’n immigrant die sneeuw alleen maar ziet als iets leuks.

Die middag sneeuwt mijn bescheiden bijdrage doodleuk onder.

Met plezier trek ik daarom mijn ski’s uit de kast en zet ze op het pad richting Montgenèvre. Het dorp ligt vlak na de col achter La Vachette, tegen Italië aan. Ik ken de weg niet, het bos niet, alleen de richting. Hoe hoger ik kom, hoe meer moeite ik moet doen om het spoor uit te stampen. Er is geen ziel in het bos, alleen een fikse wind die sneeuwvlokken in mijn ogen blaast. Alles wordt zeiknat, de huid van mijn gezicht gloeit van kou, sneeuw grijpt zich vast aan mijn paardenstaart die volledig bevriest. Soms kom ik voetstappen tegen die verdwijnen, soms raak ik het pad kwijt onder de sneeuw. Ik ben zo gelukkig dat ik zin heb om voor altijd in een sneeuwvlok te veranderen.

Vlak voor Montgenèvre maak ik uiteindelijk ommekeer, omdat ik geen zicht meer heb op de helling die zich boven me bevindt en al die gelukkige sneeuw niet graag in één keer op mijn kop krijg. Ik klik mijn ski’s vast en dein vervolgens naar beneden, heen en weer door de poedersneeuw, plons plons tussen de bomen door, voel me net als een dier in het doodstille wild.

Maar dan hoor ik stemmen. Verbaasd kijk ik om me heen, zie niemand. Voetstappen verschijnen echter in de sneeuw naast het pad, die vervolgens omhoog het bos in lopen. Twee meter later zie ik een drietal volwassen mannen achter een stel bomen. In het blauw. Het is de politie. Ik zeg ‘bonjour’, zij zeggen me ‘bonjour’ en ik glij door.

Geen moment heb ik erbij stilgestaan dat immigranten precies dit pad nemen om Frankrijk binnen te komen. Ik kan me er nauwelijks iets bij voorstellen. Niet bij de oversteek van de immigranten door de sneeuwstorm, niet bij de interventie van de politie die dan plotseling achter die bomen vandaan springt.

De rest van de afdaling tuur ik om me heen, enerzijds opzoek naar politie achter bomen, anderzijds opzoek naar immigranten achter bomen.

Met een wringend gevoel loop ik uiteindelijk tussen de boerenhuizen door naar het onze, klop mijn schoenen uit en zet mijn ski’s tegen de rand van het balkon. Een immigrant in skipak, met rode wangen en zeiknatte haren, is wat ik in de spiegel zie. Zo eentje uit het platte, lage Noorden die nogal eens vergeet om de vers gevallen sneeuw van de dorpspaden te schuiven.

*Het soort sneeuwval dat leuk zou zijn voor skiërs die zelf niet groter zijn dan twintig centimeter; ik zou een verhaal moeten schrijven over een bergdorp waarin de lengte van de bevolking zich ’s winters aanpast aan de hoeveelheid gevallen sneeuw (klimaatverandering voor hen zou rampzalig zijn).