Latest Posts

Vrij verticaal territorium

Tijdens de vorige confinement, toen de politie zo’n beetje achter elk bosje school en we als schimmen door de vallei slopen, nam Thibault een boor mee naar een verborgen stuk rots in de bergen en opende daar vier sportklimroutes. Hij noemde het geheime klimgebiedje ‘Wuhan’.

We spraken er niet al te veel over omdat het virus voor geen meter te vertrouwen viel, noch het beleid van de Franse regering, en profiteren nu dagelijks van ons vrije verticale territorium, waar we rustig kunnen blijven trainen zonder constant om ons heen te kijken of onze oren te spitsen uit angst voor de spontane opkomst van de politie (en de 135 euro boete maal twee).

Professionele sporters, en dus ook berggidsen en sportklimgidsen (in opleiding), hebben allemaal het recht behouden om te trainen, maar wij (examenkandidaten) zitten als vanouds gebonden aan de kilometerzone. Daarom hang ik zonder al te veel gewetensbezwaren aan onze verborgen rots. We hebben onze training misschien nog wel harder nodig dan zij die reeds professioneel zijn.

Jammer is echter dat Wuhan in de schaduw ligt en we steeds dieper in de herfst duiken, waardoor zowel mijn tenen als vingers dikwijls gevoelloos aan mijn lichaam bungelen. Daarbij gaf de rots geen grepen voor opwarmroutes en brokkelt er hier en daar nog weleens een greepje af. ‘Training’ in dagen van confinement geeft tevens steevast een mentale expeditie van een uur of drie, waarna ik me met een kop thee in een deken rol en mijn uiterste ledenmaten ritueel om vergeving vraag.

Interessant is het echter wél, dat kleine klimgebiedje daarboven. Niet alleen omdat de route soms spontaan veranderd (hier zat aanvankelijk toch een voettreetje?) maar ook omdat ik voor het eerst werkelijk ervaar dat al die sportklimroutes menselijke creaties zijn. Die van Thibault, dit keer. Het contact met de rots voelt daarom puur. Geen historie komt ertussen, geen waardering, geen lijn in de topo noch geblaat van andere klimmers. Er is slechts rots, en dan die enkele gek die erover naar boven probeert te kruipen.

Maar als straks de eerste sneeuw valt is het frisse feest van Wuhan over. Wat er vervolgens met ons gebeurd is aan het virus en Macron om te bepalen. Misschien moeten we in egaal witte pakken op zoek naar een geheime berg om ons voor te bereiden op een eventueel ski-examen, ons klimniveau dat integraal af zal hangen van een oefenbalkje in de slaapkamer.

We weten het echter niet. Zoals niemand niet.

Mijn Sop

Ik heb een aantal blogs geschreven over ‘hoe het momenteel met me gaat’ of ‘mijn leven in huidige staat’ en ze allemaal vrij snel weer weggegooid. Het lukt niet om er een coherent verhaal van te maken. Het irritante is dat ik ondertussen ook niet over andere dingen kan schrijven, alsof ‘dat ene verhaal over mijzelf’ de schrijfmachine blokkeert; een flinke kiezel in een anders vrolijk ratelend mechanisme.

Dit verhaal is weer zo’n poging.

Ik geloof dat ik me niet in de meest fabuleuze gemoedstoestand van mijn leven bevind, maar ben me bewust van mijn privileges, mijn fysieke en mentale gezondheid, de kwaliteit van mijn (fysieke, economische, sociale etc.) omgeving en zo voort, waarvan niets mijn verdienste is en al het andere puur geluk. Mijn huidige problematiek (‘uitdaging’, moet ik natuurlijk zeggen) komt voort uit keuzes die ik zelf heb gemaakt en ik ben zodoende allesbehalve zielig. Ik kook gaar in mijn eigen sop, zal ik maar zeggen, maar wil het toch een keer over die sop hebben in de hoop dat ’t schrijven hierna weer gemakkelijker gaat. Wie weet zwemt er onverwacht een leuke badeend in rond.

Dus, mijn sop.

Ik ben dertig jaar oud en kan professioneel gezien voorlopig alleen in een bar terecht, heb geen rode cent en ben door het stoppen van het berggidstraject mijn grote droom en directie in het leven verloren. Ik probeer terug te krabbelen door een sportklimopleiding binnen te komen en heb daar inmiddels hard voor getraind, maar ben in vijf maanden tijd twee keer afgewezen om redenen die weinig met mijn klimmen te maken hebben. Mijn ingezonden manuscripten zijn afgewezen. Ik ben gedesillusioneerd, heb weinig vertrouwen meer in mijn eigen kunnen en mijn veerkracht is op. Het ongeluk koekeloert constant om een hoekje, sleurt me systematisch mee in momenten van zwakte. Vanwege klimaatverandering wordt mijn blik op de wereld, de toekomst en de mensheid steeds zwarter. Geobsedeerd door mijn eigen poging om een professionele toekomst te verwerven die me aanstaat, doe ik ondertussen weinig om de koers richting een hete aardbol te stoppen. Ik draag nergens aan bij, niet aan de samenleving (op dat bier na), niet aan gelijkheid, niet aan het welzijn van anderen, weet ook eigenlijk niet of ik nog geloof in een goede afloop of de potentiële zinvolheid van mijn eigen bijdrage. En dan nog een willekeurige frustratie: ik wil al jaren kinderen maar krijg mezelf niet in de financiële positie om daaraan te beginnen (vanwege het achtervolgen van achteraf gebleken kansloze dromen) en weet überhaupt niet meer zeker of ik kinderen deze wereld wel aan mag doen. Bovendien heb ik het gevoel dat zo’n kind zou dienen als ‘oplossing voor mijn leven’ (misschien wil ik ze daarom zo graag, levensdoel gegarandeert) en dat wil ik niet.

Wat ik wel wil? Een droom. Weer dromen. Maar telkens wanneer flarden van een mooi toekomstscenario langskomen, denk ik meteen: dat lukt je toch niet, dat hebben we immers wel gemerkt. Ik durf niet eens meer, geloof niet dat ik nog meer falen of teleurstelling kan of wil verteren.

Voilà, mijn sop.

Het omschrijven ervan helpt me eigenlijk wel. Ik zie de negatieve bril waar vanachter ik schrijf haast rondom mijn computerscherm. Bij het nalezen heb ik zin om mijn situatie te relativeren, schaam me toch ook wel voor mijn zelfbeklag, maar telkens weer bedenken dat het allemaal veel erger kan zet me niet persé af op het juiste paadje. Mijn gevoel enigszins verloren te zijn beperkt zich bovendien niet alleen tot deze ene schrijfsessie. Ik heb ongetwijfeld tijd nodig, kleine positieve ervaringen die mijn eigenwaarde weer wat boosten en me vertrouwen geven in mijn capaciteit om wat moois van mijn leven te maken, vertrouwen in het leven zelf misschien ook. Ik twijfel er niet over dat ’t allemaal goed komt (maar kijk daar wel naar uit).

Nu hopen dat mijn schrijfmachine weer op gang komt.

Er zwemmen trouwens veel badeenden in mijn sop, hele mooie zelfs: Squeeze en Tigrou, mijn familie en mijn vrienden, mijn vriendje.

En schitterende bergen

Hij kwam mee als vriend van een jongen die ik ook nog beter moest leren kennen. Blond haar, blauwe ogen, mager en razendsnel. Het was midden winter en de berg die we zouden beklimmen lag vlak achter ons. Ik voelde me wat onzeker, beide jongens waren sterke jonge bergfanaten die het beter en sneller zouden doen dan een Hollands meisje. Ik wilde ze niet tot last zijn, sterker nog, ik wilde net als de blonde jongen in opleiding tot berggids en geen flater slaan naast mijn ambities.

We moesten sporen die dag, wat hij in hoog tempo deed. Pratend, lachend, nam zichzelf niet serieus. Ik nam het op een gegeven over, het tempo ging ongetwijfeld iets omlaag maar ik bracht het er nog goed vanaf. De zon scheen en de sneeuw glinsterde, van de gesprekken die we hadden kan ik me flarden herinneren. Hij leefde het grootste gedeelte van het jaar in een bus, voor de bergen, in de bergen. Ik had toen juist de relatie met Marcel verbroken en was blij het busleven achter me te laten.   

We overbrugden een col, waar de jongen al snel uit het zicht gleed als kleurrijk ongeleid projectiel op ski’s. Recht naar beneden, om zijn techniek had hij de toelatingsexamens niet gehaald, zo luidde de grap. Aan de andere kant van de berg wachtte hij ons glimlachend op met een brede band om zijn blonde haren, zonder zich te realiseren, zo leek of geloofde ik, dat hij, in elk geval in mijn ogen, bijzonder aantrekkelijk was. Zijn aandacht was gericht op de bergen.

De vrienden hadden tijdens de aanloop een couloir gezien dat ze graag naar beneden wilden skiën. Of dat überhaupt zou kunnen wisten ze niet. Ik had nog nooit in het wilde weg een couloir geskied en vond het spannend. Het leek me erg steil, daarom durfde ik hoog bovenin geen bochten te maken en deed kleine stapjes naar beneden. Na aanmoedigingen liet ik het los en skiede in grote bochten naar beneden. Het werd een mooie dag.

Mijn herinneringen daarna kan ik niet in juiste volgorde terughalen. Ik denk aan een café in de binnenstad van Briançon waar we, in hetzelfde gezelschap, alle bergavonturen oprakelden die ons bijna de kop hadden gekost. Ik was zelf na een abseilfout en een lange val in een randspleet gekukeld, hij was na een abseilfout in een boompje blijven hangen, op honderd meter afstand van de bodem van de Verdon.

Ik denk aan een spelletjesavond waar we, wederom in hetzelfde gezelschap, over onze families spraken, relaties, het leven. Ik was net als hen nieuw in Briançon en voelde de energie van – en hoop op – een nieuwe vriendengroep. Tevens werd ik omringt door basejumpers en ambitieuze alpinisten. Wat hun families vonden van het risico dat ze namen? Ik herinner me het antwoord niet meer.

Ik denk aan die paar keer dat ik ging hardlopen in de bergen waar hij zijn bus had geparkeerd. Ik hoopte hem niet en wel aan te treffen, wist niet zo goed wat ik wilde.

Ik denk aan een skitocht door het bos van Monetier, in de richting van een fameus couloir dat volledig aper bleek. Weer een stralende dag, hij als een raket omhoog. Een dier was het. Op de terugweg viel ik in een gat dat me mijn knie kostte. Het was de tweede blessure die ik zes weken later meenam naar het tweede examen van de ENSA, dat ik voor een tweede keer niet zou halen, deels omdat ik volledig in de war was geweest. Het vond plaats drie weken na het ongeluk dat ’t leven van Céline en Elise had gekost.

De laatste keer dat ik met hem op pad ging was in diezelfde tijd. Ik herinner me een paniekaanval op de flank van een berg in Cervières. Toen schaamde ik me daar nog voor, omdat ik ervan overtuigd was geweest dat ik als alpiniste het gebeurde gemakkelijk achter me moest en zou kunnen laten. Toch heb ik overwegend kalme herinneringen aan die dag.

Nog lang daarna negeerde ik uitnodigen van hem en anderen om de hort op te gaan. Twee jaar later kwam ik hem tegen in de dorpskroeg en excuseerde ik me voor mijn radiostilte. Ik was toen al lang met Thibault en hij met zijn vriendinnetje, we leefden in verschillende vriendengroepen. Het was nog steeds een mooie, en bijzonder vriendelijke en vrolijke, jongen.

Ze hadden misschien geen fout gemaakt, maar journalisten zeiden in het nieuwsbericht dat het ging om een gids van negenentwintig jaar uit Val-des-Près, het buurdorp. Wij kenden alle jonge klimmers uit al die dorpen goed, dus werd er kriskras in de rondte gebeld. Niemand was dood.

De opluchting duurde een middag. Hij had er slechts een paar maanden gewoond. Hij was vierhonderd meter naar beneden gevallen, vrijdagochtend.

Ik kan het alpinisme vervloeken en oprecht spijt hebben dat ik me er ooit mee heb ingelaten. Doden voelen zo nutteloos dat ik niet altijd meer kan invoelen hoezeer alpinisten leven. Het fysieke aspect van de alpine dood vind ik zo walgelijk dat gedachtes eraan me zelf verscheuren vanbinnen, zo’n jong gezond lichaam aan gort, ik word furieus van de agressiviteit van de diepte, van het onherstelbare, van dat ene moment waarop alles achteloos inbeukt en misgaat en nabestaanden op berichten wachten, ik haat het allemaal bij elkaar.

Toch zie ik het, bij hem. In mijn herinneren, wat zijn familie en vrienden op zijn begrafenis ongetwijfeld over hem zullen zeggen. Dat ’t toch niet anders had gekund, dat risiconemen, die avonturen. Hij hoorde daarboven. Hij straalde. Zo simpel is het dan toch ook weer.

Ik grabbel door naar herinneringen en vind er telkens iets minder. We waren slechts enkele briesjes in elkaars bestaan maar toch waait hij even stevig in het mijne. Dan zal de wind gaan liggen en kom ik hem daarboven weer tegen, waar sneeuw is, en schitterende bergen. Dat is nu zeker.

La Forteresse en dus: een tatoeage (of… later)


Fred met de gletsjerblauwe ogen heeft een nieuw gebiedje geopend, middenin Briançon. Als je van de oude brug springt (meter of vijftig in een poeltje helderblauw water van geen halve meter diep, zeer af te raden) en even opwaarts door de rivier waadt, sta je al snel aan de voet van de rots. Dat is gelukkig niet de officiële toegangsweg, er loopt netjes een pad naartoe. Waar dat pad precies begint houd ik echter nog even geheim, want blijkbaar wil Fred ’t gebiedje verstoppen voor het grote publiek (het wemelt er inmiddels van de locals).

Mijn 7b begint als een 6b over een plaat en loopt dan door naar een overhangende scheur die, bezien vanuit de juiste hoek, richting de hemel kruipt met precies de 300 jaar oude brug op de achtergrond. Omdat de route vooral om vingerkracht vraagt, en nauwelijks om techniek, tactiek of mentale reserve, was het uitklimmen ervan vooral een getuigenis van een (voor mij) goede fysieke vorm voor ’t begin van het seizoen.

Alhoewel het klimmen op zichzelf leuk was, ging mijn hart er na afloop niet veel sneller van kloppen. Daarvoor had er toch een flinke sexy draak op die brug moeten staan. Als ik eraan terugdenk, heb ik geen speciaal gevoel, geen fantastische herinnering, geen neiging om spontaan te gaan dansen.

Zo blijkt het niveau van een route in deze race naar 8a soms toch haast betekenisloos. Er moet achter ’t cijfer een mooie persoonlijke uitdaging naar boven lopen, anders beklijft ‘t niet.

Ik begin te vermoeden dat het streven naar een hoger klimniveau vooral leuk is als een soort enthousiaste richtingaanwijzer. Vanwege mijn 8a-doelstelling durf ik vaker routes in te stappen die ik anders te moeilijk voor mezelf zou achten, wat natuurlijk uitdagend en leerzaam is, maar in alle eerlijkheid… tussen 7a en 8a zitten komende jaren nog honderden, duizenden routes waar ik met veel plezier mijn scherpste tanden in zal kunnen zetten. En er zitten ook routes bij die… ach… een draak nodig hebben.

Niets aan dit alles is heel verbazingwekkend. Ik dacht misschien dat de prestatie op zichzelf genoeg lading zou geven om elke stap op ’t trappetje van waarderingen te vieren. Misschien ben ik minder prestatiegericht dan vroeger en begin ik klimmen op een andere manier te waarderen. Daarover schrijf ik graag nog eens (dit klinkt bijna zen, zo zen ben ik heus niet).

Maar als ik de prestatie even isoleer, dan kan ik daar twee dingen over zeggen: allereerst, mijn god, wat zijn de waarderingen soms toch willekeurig en subjectief. Wat bestaan er toch makkelijke 7a’s en verschrikkelijk moeilijke 6c’s. Een route die mij bovendien goed ligt (continue, randjes etc.) kan voor iemand anders een monsterlijk probleem vormen en vice versa. Gedurende dit project doe ik niet moeilijk over ‘cadeautjes’, neem ze zelfs met plezier aan, maar soms moet ik toch wel lachen om een prestatie waarvan ik weet dat de route in kwestie ergens anders een volle graad lager gewaardeerd zou zijn geweest.

Ten tweede, niet veel mensen in mijn omgeving meten iemands klimniveau aan zijn of haar maximale prestatie. Die zijn meer onder de indruk van on-sight, techniek, souplesse, ontspannenheid, mentale en fysieke kracht, oftewel: dat moment waarop die ene fameuze kennis al kwebbelend door jouw wanhopige project wandelt als op een zondagavond door het park.

Dat neemt niet weg dat ik heel trots zal zijn op mijn 8a, maar ik weet dat mijn sociale klimomgeving me vervolgens niet plotseling anders zal inschalen (die zullen hoogstens denken: wat leuk, ze heeft zich losgelaten op een 8a; zal vast niet de moeilijkste 8a uit de omgeving zijn geweest).

Het voordeel van beide constateringen is dat ik gedurende mijn uitdaging minder op de perikelen van mijn Ego hoef te letten dan voorheen gedacht. Die staat immers redelijk vaak buiten spel (alhoewel, ‘t Ego vindt altijd wel haar stille weggetje door een onzeker hart, ik zal een oogje in het zeil moeten blijven houden).

Wat betreft de tatoeage: alle beloningen die ik mezelf zou geven, werken voor geen meter. Ik heb er ’t geld niet voor, en over die leuke maar stomme bosjes bloemen heb ik al geschreven. De intrinsieke motivatie om beter te klimmen is bovendien zo sterk dat er geen beloning tegenover hoeft te staan (het weeïge gevoel na klimmen is genoeg). Maar ik ben tot nu toe dermate ontrouw aan mijn eigen voornemens op mijn blog geweest dat ik mezelf al die beloningen gewoon te goed hou.

Voor de vorm teken ik zo dadelijk wel even een enorme draak op mijn bovenarm (met viltstift).

Namasté en dus: een bosje bloemen (of niet)



Toen het zo’n jaar geleden tot me doordrong dat bosjes bloemen op hetzelfde lijstje staan als vliegreizen, spuitdeo en bananen, voelde ik de drang om de wereld dan maar gewoon te laten exploderen. Bosjes bloemen wil ik eigenlijk niet opgeven (net als bananen overigens), ze maken de meest grimmige woonkamers immers fleurig en ik voel me zo’n tien graden gelukkiger als ik ’s ochtends de keuken inloop en er een gezond boeket op tafel staat. Wat overigens hier in La Vachette nog geen twee keer gebeurd is. Niemand koopt hier bloemen.

Tenzij er een goede reden voor is natuurlijk, zoals het klimmen van een 7A+, het volgende trapje op de ladder naar de 8A.

Vlak naast de weg tussen Briançon en Col de Lauteret ligt een klimgebied, pal tegenover Les Écrins, in zeer nabij gezelschap van de Les Agneaux (3600m). Zo vlak naast het asfalt van een grote weg lijkt Rocher Maubert geen uitnodigend gebied, maar de auto’s rijden net ver genoeg onder het uitzicht door, en de routes van zo’n veertig meter lang geven veel van mijn favoriete verticale wandelingen. De eerste acht meters hangen over, en de rest speelt zich vaak af op lange technische platen met net genoeg reliëf. De gradaties liggen grotendeels tussen de 6c en 7c en er zijn een hele hoop van (ik ben er voorlopig niet uitgeklommen).

Mijn 7A+ heet Namasté en ondanks het feit dat ze een klein beetje ‘bij elkaar geklust’ is (zo’n viertal greepjes werd niet helemaal gevormd door moeder natuur), vind ik haar altijd fantastisch om te klimmen. De bewegingen zijn soms best uitdagend, fysiek en dan weer technisch, vaak even zoeken, maar er zitten zulke goede rustmomenten in de route dat je er al snel twintig minuten in blijft rondhangen (en onderwijl kunt nadenken over vreemde zaken zoals de mogelijkheid om een pratende (roze) berggeit naast je standplaats te vinden). Tegen het einde wacht bovendien een aantal dynamische passen waarbij ’t voelt alsof je bouldert op vijfendertig meter hoogte (best indrukwekkend).

In alle eerlijkheid ligt Namasté net als Extazie Mysterious in het rijk der cadeautjes en heb ik eigenlijk niet zoveel noemenswaardigs geleerd tijdens mijn beklimming, maar iets verder op de weg naar 8A zal ik genoeg mentale en fysieke materie tegenkomen om een hele herfst uitgebreid op te kunnen kluiven.

Is de beklimming echter een bosje bloemen waard? Ik zou er natuurlijk een paar in ’t wild kunnen plukken, maar vanwege de droogte wil ik de overgebleven bloeiende krijgers liever niet uit de grond trekken. Bloemen kopen voelt daardoor eigenlijk nog vele malen kwalijker, dus neem ik als cadeau voor het klimmen van mijn 7A+ maar mijn door omstandigheden groeiende waardering voor wat er buiten alsnog groeit en bloeit. Dat geeft natuurlijk lang niet de vreugde van ’t bosje op de keukentafel, maar tussen alle concessies die ik duidelijk nog niet bereid ben om te maken voor een wereld die misschien wat minder opwarmt en uitdroogt, was dit eigenlijk wel een makkelijke.

Deze blog schreef ik ruim een maand geleden. Inmiddels heeft het vrij vaak geregend en ziet alles weer – halleluja – groen. Groen én een beetje geel en rood, want de herfst staat voor de deur!

Kapotte bergen




‘En dan zitten zij gewoon met hun bootje in ’t gesmolten gletsjerwater te spatteren!’ roept mijn buurman verontwaardigd uit. We komen elkaar tegen vanwege de honden, nog voor zeven uur ’s ochtends. De zon schijnt slechts op de toppen van de bergen aan de overkant, dagen zijn eindelijk wat korter. Het is bijna fris. Alhoewel ik nog steeds met tegenzin mijn bed uitstap zodra mijn pup ‘s morgens trappelt, letterlijk trappelt om naar buiten te mogen, is het toch mijn favoriete moment van de dag geworden. Daarom heb ik geprobeerd om aan een gesprek met de buurman te ontkomen door snel een bospaadje in te slaan, maar onze honden vonden elkaar toch. Sociale dieren.

Er is overigens niets mis met mijn buurman, maar de ochtend heb ik afgelopen maanden geleerd in stilte te delen met de natuur, het vroege licht tussen de bomen, de dauw boven de velden, mijn pup die in de rivier duikt en daarna een veel te grote stok naar huis probeert te slepen.

Aan de rivier als gesmolten gletsjerwater heb ik nooit gedacht. Als een mengsel tussen regenwater en gesmolten sneeuw misschien, maar wanneer alle sneeuw reeds gesmolten is (of nooit gevallen) en er nauwelijks een druppel vocht uit de lucht komt, zal ze wel uit gletsjerwater bestaan. Ik zie de rivier even vuurrood voor me, als het stromende bloed van bergen opengereten door de hitte van een veranderend klimaat, waar kajakkers en rafters met sadistisch plezier in rondvaren. En toch neem ik ze het niet kwalijk zoals mijn buurman. Hij is immers bergliefhebber en loopt zoals ik over de morenen van gletsjers die eens waren. We spelen allemaal met kapotte bergen.

Zijn hond is recent aangereden door een auto, dus heel ver lopen we niet samen op. Dan rits ik mijn vest wat hoger dicht en is mijn wandeling weer van mij. Omdat ik zo vroeg in de ochtend nog niet helemaal wakker ben, laat ik me gemakkelijk meeslepen tot bij de rivier. Even raak ik de gletsjers aan, koud, helderblauw, tot ze voorbijglijden en Squeeze me vragend aankijkt.

Of ik nu eindelijk een stok in het water wil gooien.

Extazic Mysterious en dus: bolletjes wol


Ik waarschuw: dit is een blog die afschuwelijk saai kan zijn voor niet-klimmers (misschien ook voor klimmers, in dat geval excuseer ik me voor mijn publicatie).  

Een tijdje geleden schreef ik over mijn enigszins waanzinnige doelstelling om een 8a uit te klimmen vóór de eerste sneeuwval, met behulp van een beloningssysteem vol bosjes bloemen en een bloemenjurk als hoofdprijs.

Vandaag wil ik het hebben over mijn eerste stapje in de richting van deze 8a: mijn beklimming van een 7a en de bolletjes wol die ik daarom mocht aanschaffen.

Vlakbij mijn huis ligt Rocher de l’Ombre, ‘de schaduwrots’, een klimgebied dat zo’n vier jaar geleden werd geopend door een lokale boomlange zestiger genaamd Fred, twee blauwe ogen fel als gletsjerlicht en schouders van zo’n meter breed. Zoals vaak bij de opening van nieuwe gebiedjes, waren de waarderingen van de routes aanvankelijk nog een beetje willekeurig; de 7b die bijvoorbeeld over een lange gele wand omhoog kroop, voelde meer als een vriendelijke 7a en zou ook als zodanig in het klimgidsje terecht komen.

Inmiddels denkt men eerder aan een 6c+. Maar over die gedachte doe ik verder niet moeilijk: mijn trouw aan waarderingen uit het klimgidsje is met de jaren gegroeid en vriendelijke 7a’s zijn voor mij nog steeds 7a. Er zijn nu eenmaal cadeautjes en er zijn routes die je een flinke klap op de billen geven. Deze route was een cadeautje. Ze heette Extazic Mysterious en ik had haar bovendien in het verleden al meerdere malen uitgeklommen.

En toch werd ik bijzonder blij van mijn prestatie toen ik begin deze lente het touw in het laatste setje van de route klipte, want op de een of andere manier was mijn ‘mentaal’ de winter ongeschonden doorgekomen. Ik was net zo bang geweest, en net zo niet-bang, als toen ik het klimseizoen begin december beëindigde. En dat heb ik nog nooit gehad.

Normaal gesproken verliest mijn hoofd ’s winters net zoveel kracht als mijn voorarmen, waardoor ik er misschien wel twee maanden over doe om weer de mentale flexibiliteit te ontwikkelen die me toestaat om gemakkelijk boven de laatste haak uit te klimmen en rustig te blijven als het echt een beetje spannend wordt. Natuurlijk is het ontzettend prettig om de draad zo gemakkelijk weer op te pakken, maar toch zou ik graag weten wat ertoe heeft bijgedragen dat mijn angst-regulatiecentrum begin dit seizoen al naar verlangen functioneerde (met betrekking tot voorklimmen en tradklimmen, dat moet ik er wel bijzeggen, want in de bergen ben ik vooralsnog zo bang als een kip in confrontatie met een slapende wolf die al twee weken niet gegeten heeft. Ik denk niet dat dat nog goedkomt, tenzij iemand de wolf aan een ketting legt, maar dat gun ik de wolf eigenlijk ook weer niet).

En in alle eerlijkheid: het voelt voltrekt willekeurig. Ik ben groot voorstander van mentale training in de context van klimmen en denk dat je er mijlenver mee komt, maar in mijn geval moet ik, of moet mijn brein, blijkbaar soms ook gewoon een beetje geluk hebben. In elk geval werkt ‘t ontnuchterend: mijn mentale sterkte of zwakte heb ik niet (slechts) aan mijn mentale training te danken, noch aan mijzelf als sterk of zwak mens, maar ondertussen ook gewoon aan de wind, het seizoen, de manier waarop ik ’s ochtends wakker word. Dat moet ik mezelf ook maar wijsmaken als ik straks weer in een mentaal mindere periode zit, zodat ik mezelf geen geweld aan doe wat betreft langdurige trilsessies boven de haak (jezelf geweld aan doen is overigens zelden een goed idee).

Over de bolletjes wol die ik vanwege mijn prestatie heb mogen inslaan, die zijn lichtroze en lichtblauw van kleur, zacht als de buik van een babyalpaca (alhoewel er gelukkig geen babyalpaca aan te pas is gekomen) en bestemd voor mijn eerste kabeltrui. Ik heb nog niet het breiniveau voor een kabeltrui, de temperatuur moet er bovendien nog significant voor dalen, maar ik zal de bolletjes op mijn nachtkastje leggen en ze af en toe aaien met mijn ruwe klimmershanden.

Gratis reclame voor We Are Knitters. Hun bolletjes zijn duur maar heel zacht en heel mooi (wat is dat toch met bolletjes wol?) en duurzaam geproduceerd (in zoverre ik de moeite heb genomen om dat na te gaan: de sustainability pagina van hun eigen site). De schapen zijn echter Frans noch Europees en hun wol is via de post bij me binnengekomen. Wol gedumpt bij de tweedehandswinkel voor 1 euro per zak (van overleden betovergrootouders, kan ik me zo voorstellen) blijft natuurlijk de meest duurzame optie en is ook echt leuk om mee te werken, maar soms… wil je gewoon vijf bolletjes zachte Skylovers wol. Geen excuus.

Doe maar kort


Ik heb wel eens horen zeggen dat, als iemand eindelijk over de break-up met een ex heen is, men dit kan zien aan het feit dat de gedumpte in kwestie naar de kapper is geweest. Vlak na mijn scheiding met mijn berggidsfantasie, vroeg ik me af of je met een radicaal nieuw kapsel ook het voltooien van het verwerkingsproces kon afdwingen. Dat je zeg maar direct naar de kapper sprint nadat je vriendje lief gepassioneerd zag zoenen met de buurvrouw in het halletje, en daarna kort gewiekt en koeltjes doorgaat met je leven.

Om dit te testen zat ik nog geen week na de examens bij de kapper en zei ik tegen haar: doe maar kort. Ze pakte de tondeuse, hield mijn paardenstaart op spanning en bewoog er zo doorheen. ‘Wil je hem hebben?’ vroeg ze terwijl ze het troosteloze ding boven mijn gezicht liet bungelen.
‘Nee, houd hem maar’, antwoordde ik.

Even later voelde ik onwennig aan mijn haarpunten, die vlak onder mijn oren wapperend mijn nieuwe ‘ik’ aankondigden, en zocht naar mijn reflectie in de vitrines van het winkelcentrum om te bedenken wat ik er eigenlijk van vond.

‘Je lijkt op een bezem’, zei Thibault de volgende morgen, nadat ik mijn korte coupe had uitgekamd en mijn haar nogal was uitgezet. Ik vond het zelf meer op een plumeau lijken, maar het was anders en het voelde anders en daar ging het om.

Nu, heeft het gewerkt?

Het is lastig om de impact van de plumeau te onderscheiden van de impact van tijd, maar drie weken na mijn keuze om te stoppen bij de ENSA voel ik me eigenlijk, op wat flinke ups en downs na, best wel goed. Ik begin langzaam nieuwe ideeën te vormen over mijn toekomst en kan ook vrede sluiten met het toekomstscenario dat ik aan de kant heb gezet. Het ging gewoon niet langer, dat zie ik ook wel in. Bovendien reageerde een vriendin van me nogal verbaasd op de dramatische aankondiging van mijn beslissing, die zei: maar Ruby, die opleiding loopt toch niet weg? En daar had ze gelijk in. Als uiteindelijk blijkt dat ik niet zonder een bestaan als berggids kan en ook ’t risico weer voor lief wil én kan nemen, dan weet ik waar ik moet zijn.

Natuurlijk blijft het een beetje lastig om vrienden in opleiding te zien gaan, terwijl ik zelf weer voor baantjes in de kroeg moet solliciteren, maar ik probeer mijn oog op mijn nieuwe plannen gericht te houden en in alle eerlijkheid, uiteindelijk ben ik toch wel een vis, en de kroeg is toch wel mijn water.  

Daarbij behoud ik altijd een gezonde dosis aan malle ambities waarin ik me ten volste kan verliezen, dus wil ik nog steeds schrijfster worden, en zelfs zangeres van eigen nummers, al ben ik als de dood om daadwerkelijk ergens op te treden en heb ik mijn eerste nummer nog niet geschreven.

Als ik overigens mijn haar niet kam, dan lijk ik al een beetje op een rockster. Als ik er een stijltang langs haal, op een schooljuf. Misschien knip ik er de volgende keer nog meer vanaf en ga ik voor een jongenskapsel. Ik twijfel nu al of ik ’t niet integraal hoogblond moet verven, of vuurrood. De opties zijn eindeloos.

‘Nee’, zei ik



Toen ik de afgelopen week met mijn touwgroep voor een berg stond, en mijn examinator vroeg of ik met hen meeging in de route, zei ik ‘nee’.

Die ‘nee’ was natuurlijk al drie jaar in de maak, wat op dit moment behoorlijk moeilijk is om in te zien. Het voelt alsof ik naar het raam ben gelopen, mijn hand heb geopend, mijn allergrootste droom eruit heb laten glijden en daarna simpelweg heb toegekeken hoe het ding in slow motion naar beneden viel.

Ik kan hem eigenlijk nog steeds zien vallen.

Weer eens wens ik de afgelopen dagen gewoon niet beleefd te hebben, zoals ik dat ook wenste na het ongeluk. Of ik niet gewoon wakker kan worden, drie dagen terug?

Het was waarschijnlijk precies hetzelfde gelopen.

Ik ben nu eenmaal al drie jaar lang bang. De aap, ben ik die angst afgelopen weken gaan noemen, en die zat zowel in mijn hoofd als in mijn maag.

Uiteindelijk heb ik denk ik nooit begrepen waarom Céline en Elise werden meegezeuld en ik niet, het ging om een fout die spoedig zou worden hersteld, zo stond het vastgelegd in heel mijn wezen. Zodra ik een stap op een flank zette, bood ik de gelegenheid aan vallende rotsen om mij, Ruby, dat derde meisje, nu eindelijk ook eens naar de diepte mee te sleuren. En als ze mij niet konden hebben, dan zouden ze voor mijn tochtenpartners gaan, of voor mijn klimmende geliefden.

Mijn god, hoe ik heb geprobeerd ‘t allemaal te overwinnen.

Het is niet gelukt.

Nu zit ik hier met een nijpend besef van hoe dichtbij ik was, hoe sterk en vrij ik me daarboven eens voelde, hoe mooi het beroep zou zijn geweest. Ik merk bovendien dat de aap na zijn geslaagde sabotagepoging meteen op vakantie is gegaan. Ik, bang in de bergen? Waarvoor eigenlijk? Mijn armen zijn gespierd en mijn longen gigantisch, en ik heb geen idee wat ik er nog mee moet. Verkopen, misschien. Ik heb bovendien bergervaring en nu de aap weg is, kan ik de rest van mijn mentaal voor een goede prijs op de markt zetten. Die deed het verdomde goed dit jaar.

Het doet pijn. Oh, wat doet het pijn.

Ik geef mezelf nog tot het einde van deze week om te zwelgen in zelfmedelijden, pas maandag dwing ik me tot het opbrengen van begrip voor de keuze die ik afgelopen dinsdag maakte, en het relativeren van mijn ongelukkigheden. Tot die tijd hoop ik intens dat iemand met een flinke bulldozer over de bergen heen walst zodat ik in de toekomst nooit meer met mijn oude droom geconfronteerd hoef te worden.

Hulpjes in de ijssalon

Ze zeggen dat de rivier nu al zo laag staat dat professionele kajakkers zenuwachtig beginnen te worden. Hun klanten zullen komend zomerseizoen de boot zelf over het droge rivierbed moeten slepen. Misschien dat er dan ergens nog een plasje ligt zodat ze er toch even in kunnen zitten, in die kajak, voor de foto.

Een winter die het vrij volledig aflaat om een dikke witte laag over de bergen heen te leggen, heeft een droge zomer tot gevolg. Wie voedt immers de rivieren? Niet de hitte die momenteel aan de bergen en dalen plakt, aan onze armen en benen. Bergtoeristen moeten zeer binnenkort hun favoriete hoge bergen beklimmen, want in het hoogseizoen is het beetje sneeuw daarboven reeds gesmolten. Dan lopen de normaalwegen langs blauw ijs of stapels wankele stenen.

Misschien kunnen professionele kajakkers en berggidsen deze zomer terecht als hulpjes in de ijssalon van Briançon. Ik vermoed dat er heel wat ijsjes zullen worden verkocht.

Ik neem natuulijk elke kans waar om foto’s van de pup te publiceren. Hij is namelijk zo schattig, en daar ben ik dan weer trots op, hoewel zijn schattigheid natuurlijk op geen enkele manier mijn verdienste is. Hoe dan ook, om toch de link naar het verhaal te leggen, Squeeze springt momenteel elke dag weer dankbaar in het water van La Clarée. Nu ‘t relatief laag staat, loopt íe minder risico om meegesleurd te worden. Das dan wel weer handig. (Ik ben me er overigens van bewust dat Squeeze zelf een opwarmertje is. Hij is één van de drie grote opwarmers die ik mezelf nog (een soort van) vergeef: bergbeklimmen, één (zelfgeproduceert) kind (in de toekomst) en één pup.)