Latest Posts

Vrij verticaal territorium

Tijdens de vorige confinement, toen de politie zo’n beetje achter elk bosje school en we als schimmen door de vallei slopen, nam Thibault een boor mee naar een verborgen stuk rots in de bergen en opende daar vier sportklimroutes. Hij noemde het geheime klimgebiedje ‘Wuhan’.

We spraken er niet al te veel over omdat het virus voor geen meter te vertrouwen viel, noch het beleid van de Franse regering, en profiteren nu dagelijks van ons vrije verticale territorium, waar we rustig kunnen blijven trainen zonder constant om ons heen te kijken of onze oren te spitsen uit angst voor de spontane opkomst van de politie (en de 135 euro boete maal twee).

Professionele sporters, en dus ook berggidsen en sportklimgidsen (in opleiding), hebben allemaal het recht behouden om te trainen, maar wij (examenkandidaten) zitten als vanouds gebonden aan de kilometerzone. Daarom hang ik zonder al te veel gewetensbezwaren aan onze verborgen rots. We hebben onze training misschien nog wel harder nodig dan zij die reeds professioneel zijn.

Jammer is echter dat Wuhan in de schaduw ligt en we steeds dieper in de herfst duiken, waardoor zowel mijn tenen als vingers dikwijls gevoelloos aan mijn lichaam bungelen. Daarbij gaf de rots geen grepen voor opwarmroutes en brokkelt er hier en daar nog weleens een greepje af. ‘Training’ in dagen van confinement geeft tevens steevast een mentale expeditie van een uur of drie, waarna ik me met een kop thee in een deken rol en mijn uiterste ledenmaten ritueel om vergeving vraag.

Interessant is het echter wél, dat kleine klimgebiedje daarboven. Niet alleen omdat de route soms spontaan veranderd (hier zat aanvankelijk toch een voettreetje?) maar ook omdat ik voor het eerst werkelijk ervaar dat al die sportklimroutes menselijke creaties zijn. Die van Thibault, dit keer. Het contact met de rots voelt daarom puur. Geen historie komt ertussen, geen waardering, geen lijn in de topo noch geblaat van andere klimmers. Er is slechts rots, en dan die enkele gek die erover naar boven probeert te kruipen.

Maar als straks de eerste sneeuw valt is het frisse feest van Wuhan over. Wat er vervolgens met ons gebeurd is aan het virus en Macron om te bepalen. Misschien moeten we in egaal witte pakken op zoek naar een geheime berg om ons voor te bereiden op een eventueel ski-examen, ons klimniveau dat integraal af zal hangen van een oefenbalkje in de slaapkamer.

We weten het echter niet. Zoals niemand niet.

Vogeltjes

De migranten hadden een nestje gemaakt in mijn hoofd en vlogen in en uit. Tijdens mijn werk, na mijn werk, in mijn dromen en mijn weekenden. Soms waren het de twee peuters in de wasmand, soms de kwajongens met hun opgeschoren koppen, soms de zielen die op de grond sliepen, soms alle migranten bij elkaar, de onze, de anderen, zelfs zij die nog moesten migreren om het eventueel beter te krijgen.

In hun aanwezigheid leken veel andere dingen futiel. Zoals de dingen die ik deed voordat ik het tijdelijke contract ondertekende: klimmen, eten, muziek maken, luisteren naar verhalen van vrienden die niet in relatie stonden met verdwaalde migrantenfamilies in de bossen van Montgenèvre.

Ik kon er niets tegen doen en wilde er ook niets tegen doen, want dit was mìjn grote confrontatie met ongelijkheid.

Gisteren had ik voor het eerst die dag waarvan ik wist dat ‘ie zou komen: geen vogel vloog in of uit. Met een groep vrienden was ik gaan klimmen in Plampinet, op de gele rotsen boven ons favoriete dorpje, in de aangename warmte van de herfstzon, en plotseling ervaarde ik vrede met het feit dat ik iets deed wat niets met vluchtelingen te maken had, met de gedachten die ik niet aan hen besteedde, met mijn eigen plezier.

Mijn contract loopt over drie weken af. Het idee dat ik straks ga skiën en eventueel een contract teken bij een bar, waar ik als vanouds glazen bier voor dronken toeristen neer zal zetten, geld zal aannemen dat nog steeds wanhopig ontbreekt bij de Refuge, voelt vreemd. Het zal ongetwijfeld niet lang duren voordat ik terugval in mijn oude rolpatroon, en toch heb ik het gevoel dat ik nooit meer helemaal diegene kan worden die ik voorheen was.

Of dat ik nooit meer diegene wíl worden.

Misschien zit het nestje niet in mijn hoofd, maar in mijn hart.

Abel

To-Do lijst Abel
1. Reizen door Sterrenstelsel (check)
2. Groeien in een buik (check)
3. Geboren worden (check: 7 oktober 2021)
4. Een giraffe ontmoeten
5. Worteltaart bakken

Ps. Bravo Caméléon & Hippocampe

Roze stift




Kebba (onze hulpmigrant) legt de families die ’s nachts aankomen vaak in de ruimte voor mijn bureau, waarschijnlijk omdat hij daar zelf vaak slaapt of waakt en zodoende een oogje in het zeil kan houden. Daarom beginnen mijn dagen bijna altijd met gesluip tussen slapende kinderen door.

Die kinderen worden natuurlijk op een gegeven moment wakker en doen dan (gelukkig) precies waar ze goed in zijn: kind zijn. Op pad met het knuffelbeest, aandacht vragen van de ouders, met rollerskates door het couloir denderen, ruziemaken, huilen en dan toch weer in slaap vallen.

Omdat het afgelopen week iets rustiger was in het centrum (100 migranten in plaats van 160 vanwege een probleem met het openbaar vervoer in Italië) nodigde ik twee Afghaanse zusjes uit in mijn bureau om aan de andere kant van mijn werktafel te komen waterverven. Dat was erg gezellig. Na tien minuten begonnen ze zichzelf onder te verven en na twintig minuten voelden ze zich voldoende op hun gemak om van hun stoel af te komen en het bureau ‘te ontdekken’. Ik heb die avond moeten inhalen wat ik die ochtend niet aan administratie heb kunnen afronden (niets).


Desondanks nodigde ik de volgende dag wederom zo’n setje guppen uit in mijn bureau – ze zijn nu eenmaal zo leuk. Ditmaal een Afghaans drietal, waarvan de jongste zo’n anderhalf jaar. Ik dacht dat stiften misschien makkelijker in gebruik waren dan waterverf (water is nogal vloeibaar), maar kwam er al snel achter wat een felroze stift in de hand van een peuter kan aanrichten. Haar eigen kleding, onze muren, onze stoelen, onze grond: Niets ontkwam aan haar meedogenloze krasdrift. En telkens wanneer ik de stift uit haar knuistje probeerde te futselen, dreigde ze in huilen uit te barsten.

Die middag keek ik uit het raam en zag beide families buiten op het terras, de kinderen die achter elkaar aanrenden en de vaders in gesprek. De zon scheen, er leek bijna niets aan de hand.  

Schurft

Afgelopen zondag vroeg een collega me of ik wilde helpen met het leeghalen van een kamer. Er waren twee families met in totaal zes jonge kinderen die een kamer zochten, maar veel van onze kamers waren bezet met jonge mannen. Het kostte ons ruim twee uur om de mokkende mannen van hun bed te lichten en de puinhoop op te ruimen die ze achterlieten. Stapels afwas, afval en een hoeveelheid beddengoed die me boos maakte; er heerste immers al twee dagen een groot tekort aan dekens, waardoor veel vluchtelingen op de grond sliepen zonder ergens onder te kunnen kruipen. Deze jongens hadden op een viertal dekens geslapen om het veldbed comfortabeler te maken.

Nog voor ik de helft van de kamer gedweild had, bracht een wat paniekerige vrijwilliger me een jonge, verlegen man met schurft. Hij kwam net van de medische post en had medicatie gekregen. De vrijwilliger duwde een plastic zak in mijn hand en legde me uit dat de man direct geïsoleerd moest worden. De volgende morgen zou hij zijn huidige besmette kleding én schoenen in de zak moeten stoppen, die vier dagen lang dichtgeknoopt moeten houden en dan pas het geheel moeten wassen. Ik keek naar de man zijn kleding: een zwart lange-mouwenshirt, een zwarte skinnyjeans, twee zwarte gympen in goede staat en een zilveren ketting om de hals. De missie was bij voorbaat kansloos. Kledingstukken die wij in ruil voor zijn relatief modieuze outfit konden aanbieden waren hoogstwaarschijnlijk belachelijk, te groot of klein en het tijdelijk dragen ervan absoluut de genezing van schurft niet waard.

Terwijl ik met handen en voeten begon uit te leggen dat hij uit onze collectie een outfit moest kiezen om daar minstens vier dagen in rond te lopen, onderbrak een andere collega me. Noodgeval, vluchteling geblesseerd, ziekenhuis. Ik zei tegen haar dat ik die vluchteling best naar het ziekenhuis kon brengen, maar allereerst de man met schurft moest uitleggen dat hij zijn gehele outfit tot onderbroek aan toe de volgende morgen in een zak moest stoppen. De man had echter van de onderbreking gebruik gemaakt en was weggeglipt. Ik duwde de zak in de hand van mijn collega en liep naar mijn auto voor een rit naar het ziekenhuis.

Toen ik terugkwam, vluchteling opgenomen, besloten we nog een kamer leeg te halen. Ook daar had men geslapen op en onder talloze dekens, die ik in een grote woedende bundel naar het washok bracht. Onderweg werd ik resoluut tegengehouden door een andere vrijwilliger die me met grote ogen aankeek en zei: Ruby pas op, er is schurft in het gebouw. Daar stond ik dan, in een enorme knuffel met vuil beddengoed van god mocht weten wie. Snel liep ik naar het washok en gooide de bundel op een enorme stapel vuile was, die in mijn verbeelding vrij plotseling leek op een twee meter hoog fort van miljoenen inwonende beestjes. ‘Ik stop mijn kleding vier dagen lang in de vriezer, elke dag dat ik hier ben geweest’, vervolgde de vrijwilliger, die achter me aan was gelopen. ‘En dan was ik het pas. Dan zijn de bedwantsen ook gedood.’

Bedwantsen?

De rest van de dag had ik kriebel. Toen ik ’s avonds thuiskwam, sprong ik meteen onder de douche en legde voor het eerst van mijn leven mijn kleding in een zak in de vriezer. Google toonde me uitvergrootte bedwantsen en schurftmijten en met nog meer kriebel ging ik slapen.

De volgende morgen liep ik met een gave huid in schone kleding door de Refuge. Het duurde niet lang voordat ik mijn verlegen schurftman tegen het lijf liep. Hij droeg zijn zwarte skinnyjeans en T-shirt, ik onderdrukte acuut de neiging om hem eigenhandig van zijn kleding te ontdoen. Er viel niets aan te doen. Hij zou met schurft doorreizen en ik zou mezelf hullen in een vreemd blauw pak, de volgende keer dat ik een stel mannen uit een kamer zou verdrijven en met beddengoed in contact zou komen. En daaronder zou ik precies de kleding dragen die ik zelf die morgen met zorg had uitgekozen. 


Achterdeur

Drie kinderen liggen voor de deur van mijn bureau op de grond. Hun voetjes steken onder de dekens uit. Om mijn bureau binnen te komen, moet ik ze wakker maken, maar ze zijn nog te jong om te begrijpen dat ze ergens anders moeten gaan liggen zodat ik de deur kan openen. Hun vader wordt wakker van mijn gefluister en tilt ze naar een andere plek op de vloer.

De deur gaat echter niet open. Ik duw hard en voel dat iets de doorgang blokkeert. Op mijn tenen sluip ik weer naar buiten en klop zachtjes op het raam om mijn collega wakker te maken. Ze kijkt verdwaasd op en lijkt zich even niet meer te herinneren dat ze die nacht het centrum had moeten bewaken (nachtelijk brandalarm-dienst) en dus in mijn bureau sliep. Blijkbaar deed de sleutel het niet en had ze het bureau dus niet op slot kunnen draaien. Als meisje alleen in een opvang met wederom 143 vluchtelingen – zo tellen we later – waarvan het overgrote deel jonge mannen, had ze zich niet veilig gevoeld en dus de deur gebarricadeerd.

Terwijl mijn collega haar slaapspullen bij elkaar pakt en zich klaar maakt voor kerk (het is zondagochtend) maak ik een ronde door het gebouw en loop Bakka tegen het lijf, onze hulpmigrant, die blijkbaar eveneens de rol van bewaker op zich neemt en ‘s nachts ‘slaapt’ op de stoel bij de ingang. Daarom weet hij altijd precies te vertellen hoeveel migranten op welk tijdstip binnen zijn gekomen. Dit keer vertelt hij over gevechten met mes. Vijf migranten waren erbij betrokken, hij zou ze kunnen aanwijzen, dezelfde die al veel te lang in het centrum blijven hangen en regelmatig het rookalarm af laten gaan met hun joints. Ik kan zo één-twee-drie niets met de informatie en laat hem alleen achter.

Aan het einde van het couloir ben ik getuige van een wat lugubere scène, omdat het groepje van vijf eveneens een roze knuffelbeer aan de nek heeft opgehangen. Ze hebben haar buik opengesneden met twee messen die er nog steeds in vast zitten en rood sap door de vacht gesmeerd. Vlug haal ik het ding van het touw. Hoe durven die gekken, denk ik woedend, het wemelt hier van de getraumatiseerden. Wat ik daardoor niet zie, is het bloed op de plinten en de onderkant van de muur.

Een van mijn taken is om een goede band te creëren tussen de vrijwilligers in het chalet en de rest van de organisatie. Daarom klop ik bij ze aan – het gros slaapt nog – en praat eventjes met een jongen die sinds een paar maanden behoorlijk onmisbaar is geworden in de keuken.

Hij is het zat, zegt hij: niet alleen was er weer gevochten die nacht en werd hij deze morgen geconfronteerd met bloed op de muur (had ik zelf dus even over het hoofd gezien), maar ook was er stiekem een feest georganiseerd ergens op de bovenste verdieping van het gebouw, veel lawaai gemaakt en verf op de muren geklodderd. Blijkbaar waren de pubers teruggekomen met een monsterlijk anti- plan (anti-wat-dan-ook plan) waar bovendien drie vrijwilligers van het chalet betrokken bij waren geweest. Gek genoeg luister ik niet goed naar hem, misschien omdat ik nog in gedachten bij het opengereten knuffelbeest zit. Een beetje lawaai en wat verf lijkt me geen prioriteit.

Op de terugweg naar mijn bureau grijpt een kleine dame me bij de pols en zegt met grote, waterige ogen dat al hun geld is gestolen die nacht. 700 euro, alles dat ze hebben. Moeder van twee kinderen die om haar heen dreinen. Ze was wakker geworden van geritsel in de kamer en had alleen Arabisch gehoord en een arm van iemand gezien.

Even later zit het hele gezin voor het bureau van mijn collega in de receptie. Niemand van ons heeft een idee hoe we dit moeten oplossen; we kunnen de politie niet bellen, niemand fouilleren en het geld ook niet terugstorten. Tant pis, is het eindoordeel.

Terwijl ik in gedachten toch nog zoek naar oplossingen, loop ik naar de eetzaal om te checken of het ontbijt inmiddels van start is gegaan. Daar kom ik net als veel anderen in een plas water terecht. Met een gloednieuwe vrijwilliger die ik meteen dreig te verliezen, volg ik de stroom en kom uit bij de toiletten, waar zowel water als een hoeveelheid drijvende poep de ruimte vult. WC verstopt. We draaien de deur op slot en besluiten het probleem aan iemand over te dragen – wie dan ook die vandaag niet aanwezig is.

Dan is het eindelijk tijd voor een klein succes, want een collega ontdekt een aantal lege bedden in een kamer waar we de kinderen, die nog steeds voor mijn bureau liggen, eventjes kunnen huisvesten. Ik laat hem de kamer schoonmaken en de familie helpen bij hun verhuizing, sluit mezelf op in mijn bureau en probeer me te concentreren op mijn taak: communicatie tussen en het coördineren van vrijwilligers. Maar ik word al vrij snel onderbroken:

– We mogen een enorme tent van een andere vereniging lenen om tijdelijk vluchtelingen in onder te brengen, maar er is niemand om het ding te halen of op te zetten. Benodigdheden: Vier man en een aanhangwagen. Kan ik dat even organiseren?
– De buurt klaagt want er zijn twee vrijwilligers die parkeren op privéterrein, een grote bek tegen bewoners opzetten en de lokale supermarkt leegjatten. Dat zijn mijn pubers en die zijn godzijdank gistermorgen vertrokken, alhoewel ze blijkbaar deze nacht nog een illegaal afscheidsfeest hebben gevierd.
– Een kwade, gefrustreerde lokale vrijwilliger maakt ieders leven zuur met haar harde commentaren op de groeps-Whatsapp van het centrum, kritisch op onze huidige organisatie (die in haar ogen absent is, wat niet ver van de realiteit ligt). Kan ik haar niet uit de groep gooien?

Nadat ik slechts naar mijn oorspronkelijke To-Do lijst heb gekeken, besluit ik wat te gaan eten en sluit aan in de rij voor een bord rijst met best een lekkere saus (iets met gember). Mijn keukenheldin nodigt me na afloop uit om toch maar even naar de slogans te gaan kijken die participanten van het illegale feest die nacht op een muur hebben geverfd, en samen gaan we op weg naar de bovenste verdieping van het gebouw.

Het slot van de buitendeur is geforceerd. Wanneer ik de ruimte binnenloop, valt mijn bek open. De grond, de muren en het dak zijn volledig onder gekalkt. Een ruimte van zo’n 100 vierkante meter helemaal onder de verf, slogans in allerlei talen en tekeningen die nauwelijks tot me doordringen.

Binnen een drietal secondes word ik bozer dan ik denk ik ooit in mijn leven geweest ben, en ik denk oprecht niet – terwijl ik nu schrijf – dat ik overdrijf. Mijn handen trillen. Ik negeer het advies van mijn keukenheldin en ga direct op zoek naar de vrijwilligers van wie ik heb gehoord dat ze eveneens aanwezig waren. Tegen de eerste die ik tref val ik dusdanig uit dat ik meteen iets rustiger word. Het meisje loopt rood aan, komt niet uit haar woorden en schaamt zich zichtbaar diep. Ze legt me uit hoe de pubers het meesterbrein achter de actie waren geweest en zij erin was meegesleept. Ze hadden de deur opengebroken, eten en drinken (alcohol! In een vluchtelingencentrum waar regelmatig gevechten uitbreken!) en verf meegenomen, migranten uitgenodigd en tot vier uur ’s nachts gekladderd en gefeest.

De andere twee participanten die ik weet op te sporen lijken niet zo van hun daden onder de indruk. Het meisje dat ik die ochtend had wakker gemaakt en vervolgens naar de kerk was gegaan, zegt me dat ze ‘niet had geweten wat ze had moeten doen’ toen ze gedurende haar nachtshift op het tafereel was gestuit. Ik geef haar een suggestie voor de volgende keer: mij bellen.

Ik ben niet eens meer boos, maar zo verdrietig dat ik in huilen uit barst als ik even later Thibault aan de telefoon heb. Met rode ogen bel ik vervolgens de verantwoordelijke van het gebouw, Thomas met de baard, en breng hem wederom slecht nieuws.

Terwijl Thomas vlug naar de Refuge rijdt en in gesprek gaat met de feestgangers, heb ik een afspraak met het schoonmaakteam, die dag bestaande uit één oude vrouw. We concluderen al snel dat urgent een rooster nodig is om degradatie van het gebouw te voorkomen (elke ochtend schoonmaken van de kamers en gangen, enzovoort) maar we niet genoeg vrijwilligers hebben om dat rooster op te vullen. Halverwege zegt ze dat ik er nogal moe uit zie en misschien een einde aan de dag moet breien. Maar ik heb nog niets significants voor elkaar gekregen.

Na het gesprek hoop ik vlug mijn bureau te bereiken om daar met de deur op slot weg te kwijnen, mijn To-Do lijst en ik, maar loop daarentegen rechtstreeks in het web van de boze vrijwilliger van de Whatsapp groep. Ze spreekt over ‘het veranderen van het democratisch leven van de Refuge’ en ‘drie witte, oude mannen die alle beslissingen maken’. Mijn harde schijf heeft op dat moment geen ruimte meer voor drie witte, oude mannen. Ik zeg dat ik erover na zal denken.

Als ik dan toch door het couloir richting mijn bureau loop, inmiddels tegen zessen, nagenoeg klaar om naar huis te gaan en de immense zooi achter me te laten, word ik aangesproken door een vluchteling. Hij wil graag zijn was uit de machine halen. Ik reageer bits met een ‘nu niet’ maar hij geeft niet op. Even later staar ik ongeduldig naar het opengeslagen deurtje van de wasmachine en de natte klodders kleding die in een mand terecht komen. ‘Dit is alles wat hij heeft’, schiet er door me heen. En ik sta hier vol zelfmedelijden. Hij bedankt me vriendelijk, ik glimlach en voel mijn buik samenkrimpen van schaamte wanneer ik het washok op slot draai.

Tien minuten later stop ik mijn To-Do lijst terug in mijn rugzak, trek mijn jas aan, sluit de deur van mijn bureau en loop richting de uitgang, waar op hetzelfde moment een familie met twee kleine meisjes binnenloopt. Ik slik mijn diepe zucht in, begeleid ze naar de zaal en zoek vergeefs naar vrije bedden. Gelukkig komt een van de vrijwilligers die aan het nachtelijke vandalisme heeft geparticipeerd met een oplossing: er is nog plek voor één familie in de kerk, hij zal ze er na het eten afzetten. Ik laat het gezin bij hem achter en loop wederom naar de uitgang. Als ik daar een oude man met een stok zie binnenlopen, maak ik rechtsommekeer en loop via de achterdeur naar buiten.

Gezellig meereismeisje


Op feestjes ben ik zelden een leuke gesprekspartner. Ik kan me moeilijk op het gesprek concentreren vanwege het lawaai en de drukte, weet geen gezellige balans te vinden tussen oppervlakkig gepraat (smalltalk) en de diepte (waar ik nu eenmaal onaangepast door word aangetrokken), denk altijd dat de ander stiekem op zoek is naar een leukere gesprekspartner dan hij of zij nu voor zich heeft en vrees al na een enkele zin het moment waarop het gesprek doodvalt, waardoor ik het geforceerd op gang probeer te houden, wat sowieso opgemerkt wordt, met als hoogtepunt het moment waarop ik voel dat de gesprekspartner hetzelfde doet en we allebei hopen op een onderbreking van buitenaf – iemand die spontaan ons gesprek “verstoord” of natuurlijk het brandalarm.

In autogesprekken ben ik een stuk beter. En dan doel ik specifiek op Bla Bla Car. Afgelopen jaren heb ik veel gebruik gemaakt van hun website voor korte reisjes door de alpen. Gebruikers komen uit alle lagen van de samenleving en lijken steevast vriendelijk, gemotiveerd en bij voorbaat op zoek naar het soort gesprek waar ik zelf wat beter mee uit de voeten kan. Ik hoef geen enkele moeite te doen om me op de ander te concentreren, want er gebeurt weinig rondom de passagiersstoel, en zolang er onder die stoel geen gezelliger iemand verstopt zit, ben ik zelf de allergezelligste om mee te praten.

Mijn Bla Bla Car account is me daarom vrij dierbaar, vol met leuke ontmoetingen uit het verleden, positieve commentaren op gedeelde ritten (die ik maar even door moet lezen de volgende keer als ik weer eens vol nijpend ongemak terugkom van een feestje) en potentiële ontmoetingen voor de toekomst.

Afgelopen weekend vroeg een vrijwilliger van de receptie van het centrum of ik zo’n Bla Bla Car account had. Ze kon niet meer inloggen op haar eigen en had twee vluchtelingen tegenover haar die naar Lyon moesten. Omdat een reis met de trein over het algemeen te veel risico met zich meebrengt (daar vragen ze nog wel eens om een paspoort) en de bussen vol zaten, bleef alleen Bla Bla Car over als vervoersmiddel.

Hoe dan? – vroeg ik. Mijn Bla Bla Car account is immers gekoppeld aan mijn foto en paspoort, wat het tevens onmogelijk maakt voor de vluchtelingen om een eigen account aan te maken (geen paspoort). Het idee was dat ik mijzelf zou inschrijven op een rit naar Lyon en aan de bestuurder zou uitleggen dat het ging om twee ‘familievrienden’ die in plaats van mijzelf zouden meereizen, betaald natuurlijk. Met tegenzin opende ik mijn account op mijn telefoon, vond inderdaad een rit naar Lyon en aarzelde.

Moest ik tegen de bestuurder zeggen dat mijn twee ‘familievrienden’ alleen Perzisch spraken, uit Afghanistan gevlucht waren en door hem illegaal naar Lyon gebracht zouden worden? Moest ik het eventueel dramatische familieverhaal er dan meteen maar bij vertellen, wat ik overigens niet kende omdat ik geen Perzisch spreek? Of zou ik het gewoon maar houden bij ‘twee familievrienden’, zodat de bestuurder er ter plekke wel achter zou komen dat zijn passagiers niet erg Frans of Nederlands zijn? Wat als mijn bestuurder uit de rechtse hoek van de samenleving zou komen? Wat als mijn bestuurder uit de linkse hoek zou komen, maar het toch wel heftig zou vinden om deze twee zonder paspoort te transporteren? En wat als de bestuurder zou instemmen en de auto gestopt zou worden door de politie?

Tot zo ver mijn bereidheid om vluchtelingen te helpen.

Mijn protest kwam nogal ongegeneerd voort uit angst om mijn Bla Bla Car account met deze rit om zeep te helpen. Ik wilde niet dat mensen erop zouden schrijven dat ik eventueel gepaard ging met een set vluchtelingen en zodoende mijn eigen mogelijkheid vergooien om er zo fijn mee rond te reizen. Het beeld van het correcte, gezellige meereismeisje Ruby hield ik liever in stand. Daarom zei ik tegen de vrijwilliger dat het mij ook niet lukte om in mijn account te komen en liet ik haar alleen achter bij de receptie, de twee vluchtelingen nog steeds aan haar bureau.

Even later bedacht ik me dat ik de bestuurder van de Bla Bla Car toch ook wel écht in een lastig parket had kunnen brengen.

Nog wat later bedacht ik me dat het belangrijk was dat Bla Bla Car goed zou blijven functioneren en gebruikers niet voor het soort verassingen zouden moeten komen te staan waarvoor ik die morgen was weggelopen.

Maar ik ging me er niet echt beter over voelen.

Het probleem van het werk in een vluchtelingencentrum is dat je nooit voldoende kan geven, of eigenlijk, dat je altijd op een gegeven moment gewoon naar huis gaat en kiest voor het eigen comfort. Na een paar dagen raakte ik gewend aan de transitie tussen hun ellende en mijn eigen luxe, maar nog steeds word ik soms bij verassing geconfronteerd met mijn gebrek aan bereidheid om dingen op te geven voor mensen die niets hebben en de hele dag vlak voor mijn neus staan. Mijn Bla Bla Car account bijvoorbeeld; een nogal futiel geheel aan goede herinneringen, zelfverheerlijking en reismogelijkheden. Ik zal er relatief weinig onder lijden wanneer ik het account in de toekomst niet meer zal kunnen gebruiken (behalve dat ik misschien beter in feestjespraat moet worden om mijn zelfbeeld op peil te houden), en toch houd ik het bij hen weg.

Waar een aantal van de vrijwilligers zich minder aantrekken van de regels van de samenleving en hoe ons werk op anderen zou kunnen overkomen (bijvoorbeeld de bestuurder van Bla Bla Car), vind ik het daarbij spannend om die regels aan mijn laars te lappen voor een vluchteling. Ik loop graag binnen de lijntjes en geef ook dát niet graag voor ze op, wat overigens niet betekend dat ik het overal mee eens ben. Maar ik ben nu eenmaal niet zo activistisch, vermijd confrontaties en zou het liefst niemand willen generen met de kansarmen uit het centrum of daarbuiten, wat ik absoluut niet voor me vind spreken.

Want de manier waarop deze vluchtelingen aan hun lot worden overgelaten is mensonterend en mijn wens is ontegenzeggelijk dat ze allemaal zo snel mogelijk op hun pootjes terecht komen. Het zal me niet verbazen als mijn limieten deze herfst wat komen te verschuiven, want zo’n hoge dagelijkse dosis uitgeputte mannen, vrouwen en kinderen op veldbedjes of de grond zorgt voor onrust in mijn hart. Ik ben benieuwd.

Mijn eerste weekend



Mijn werkgever vroeg me, nog voor ik een dag gewerkt had, of ik het vervelend vond als ik het weekend zou doorwerken en dinsdag en woensdag vrij zou nemen. De weekenden waren tot dan toe onderbezet geweest. ’Natuurlijk, prima, waarom niet’, antwoordde ik.

Zaterdagavond begreep ik pas dat mijn werkgever me bijzonder tactisch had ingezet oftewel met veel goede wil een loer had gedraaid. Want in het weekend was ik de enige in heel het gebouw met verantwoordelijkheid. En ik wist niets. Mensen kwamen binnenlopen in groepjes, wilden zeep, dekens, een coronatest en tickets naar Lyon of Parijs, ze moesten geregistreerd worden, gevoed, vooral niet met elkaar gaan matten en ook nog eens ergens slapen.

Dat eerste weekend waren alle kamers, bedden én hoeken van het gebouw bezet. Vanwege al die uitgestrekte mensen kon je niet van de ene naar de andere kant van de eetzaal lopen, tenzij je voetje van de vloer zou spelen, wat erg onethisch zou zijn geweest.

Natuurlijk waren er vrijwilligers, maar het gros van hen was net als ik zojuist binnen komen wandelen. Eveneens aanwezig waren: de pubers. Misschien net twintig jaar oud, sinds een week geïnstalleerd in het vrijwilligerschalet, niet van plan om mij serieus te nemen (al moet ik toegeven dat er nog niet veel aan me serieus te nemen viel) en wel van plan om te doen waar ze zelf zin in hadden.

Zondag, tegen het eind van mijn werkdag en al bijzonder moe, verliet ik het gebouw voor een afspraak in Briançon en zou bij de start van het avondeten terugkomen, alleen om even te kijken of alles wel goed ging. Wat ik aantrof was nogal verbazingwekkend. Omdat er zoveel migranten waren en het korte verblijf in de Refuge als gevolg “niet erg prettig kon zijn”, hadden de pubers een “feestmaal” georganiseerd om het gebrek aan ruimte en middelen te compenseren. Plakken kaas, vlees en chocolade lagen op zilveren plateau’s, boter en brood op tafel. De saus bij de rijst oogde dik en anders dan normaal.

Ik rook onraad, maar wist nog niet goed hoe het avondeten er precies uit had moeten zien. Toen de pubers tegen me zeiden dat ze “ter gelegenheid” de voorraad van de Refuge hadden geplunderd en ik met spoed een oproep voor eten op social media moest plaatsen, wist ik dat ze een erg grote grap hadden uitgehaald en mijn collega’s de volgende dag met 140 vluchtelingen zonder ontbijt zouden zitten.

Ik belde mijn collega, die zei me dat ik me geen zorgen hoefde te maken.

Dat bleek echter niet het grootste evenement van de avond. Tien minuten later kwam een mondige vrijwilliger naar me toe met de volgende mededeling: ‘We hebben niet genoeg plek om iedereen in dit gebouw te laten slapen, en we gaan ze niet buiten leggen. Ofwel je vraagt aan de CA (raad van vereniging) naar de sleutel van de bovenverdiepingen, ofwel we forceren de deur. Maar we gaan hoe dan ook daarboven naar binnen.”

Het gebouw heeft inderdaad een drietal enorme bovenverdiepingen, maar die zijn alle drie nog in verbouwing en voldoen niet aan de veiligheidsnorm. We mogen er dus niet komen, laat staan vluchtelingen laten overnachten.

Overrompeld door de wijze waarop deze vrijwilliger me voor het blok zette, belde ik meneer A van de raad en legde hem de keuze voor. ‘Vooruit dan maar, geef ze de sleutel’, zei hij. ‘Maar spreek er verder met niemand over.’ Die voorwaarde was achteraf gezien belachelijk, want ik was de enige die toegang had tot de sleutelkast. Als ik zijn naam er niet aan mocht verbinden, zouden eventuele gevolgen dus op mijn bord terecht komen. Ik dacht daarom geen twee seconde meer aan zijn voorwaarde; toen ik ze de sleutels van de bovenverdieping overhandigde, zei ik tegen de vrijwilligers dat ik toestemming had gekregen van meneer A (of althans, ik had meneer A op zijn beurt voor het blok gezet en daaruit was deze beslissing voortgekomen).

De nacht van zondag op maandag sliep ik niet goed. ’s Morgens kwam ik op werk aan en bleek het boodschappenteam de gaten in onze voorraad al te hebben aangevuld. Maar Thomas met de baard (manager en eindverantwoordelijke voor wat er gebeurt in ons gebouw) was in alle staten sinds hij had vernomen dat migranten op de bovenverdiepingen hadden geslapen. Die werd vervolgens zo boos op meneer A dat deze uit de raad opstapte en niet meer op de Refuge zou verschijnen.

Het was niet mijn schuld, zei ik tegen mezelf.

Die avond hadden we een spoedbijeenkomst met alle vrijwilligers waarin Thomas met de baard, twee vermoeide, verdrietige ogen en trillende handen, aan ons uitlegde hoe belangrijk het was voor Refuge Solidaire om zich aan de norm te houden. Dat we alles riskeerden. Daarmee doelde hij zowel op het absoluut nooit meer betreden van de bovenverdieping voordat deze gerenoveerd was (voor die renovatie ontbrak het geld) als op het aantal personen dat we mochten opvangen. De absolute limiet was tachtig migranten, en we waren nog geen dag sinds de opening onder de honderdtwintig gekomen.

Wat was de oplossing? (Suggestie van de pubers: die norm slaat nergens op, open gewoon de bovenverdiepingen).  

Niemand had een oplossing.

Na de vergadering liep het vriendinnetje van Thomas met de baard, eveneens betrokken bij de Refuge en van vrij sterk karakter, naar me toe. Ik kon inmiddels mijn ogen nauwelijks meer openhouden en had moeite haar te volgen. Gelukkig was haar boodschap duidelijk: ‘Jouw vrijwilligers hebben vanmorgen grote hoeveelheden eten uit de supermarkt gejat om het avondmaal voor de migranten op te leuken. Dat is niet de eerste keer; ze beginnen een naam voor zichzelf te creëren in Briançon en iedereen weet dat ze bij ons horen. Je moet hier iets aan doen. Je moet ze eruit gooien.’

Ik zei geloof ik iets van ‘ja ja’ en kwam die avond voor het eerst huilend thuis van mijn werk. Godzijdank was het mijn weekend.

Een tekening van mijn Afghaanse Migrantenkindje Asana, om deze blog wat vrolijker af te sluiten. Over haar zal ik nog schrijven!

Het vluchtelingenpak

Een jongen met geblondeerde haren zegt me dat hij schoenen nodig heeft (Shoes! Shoes!). Ik kijk naar zijn voeten en zie daar twee schoenen in prima staat. Regelmatig lopen ze op blote voeten, slippers of te-kleine-schoenen-als-slippers (wat sommige mensen wel eens doen als ze even naar de brievenbus gaan en te lui zijn om de veters van een willekeurig paar schoenen los te maken). Maar ik spreek zijn taal niet en hij zou zomaar schoenen kunnen zoeken voor zijn moeder.

We lopen naar het kledinghok. Zodra ik de deur open, glipt een vriend van hem mee naar binnen. Die gaat de kledingrekken af en trekt af en toe een jasje aan, terwijl de jongen kritisch naar het schoenenrek kijkt. ‘No, madame, no, no, no….’ De schoenen worden met ernst afgekeurd – duidelijk niet zijn stijl. Ook zijn vriend vindt geen leuk jasje, en ik sluit vlug de deur achter hen zodat ik weer aan het werk kan.

Die middag heb ik een kledingverzoek van een vrouw. Ze wil helpen schoonmaken (het centrum stinkt naar een sociëteit, ik dacht dat daar bier voor nodig was maar blijkbaar is het genoeg om honderd mensen op elkaars lip te laten leven en slechts een half keer per dag te dweilen), maar ze heeft er de juiste kleding niet voor. Haar joggingsbroek en capuchontrui lijken me perfect voor een schoonmaaksessie, en daarom denk ik dat het misschien gaat om een vervangend set voor later.

In het kledinghok begrijp ik het pas. Haar broer of man vergezelt haar en samen zoeken ze naar een kledingstuk dat tot haar knieën reikt. Ik zie ze mannenvest na mannenvest in enorme maten uit de rekken trekken, maar telkens blijken de kledingstukken niet lang genoeg. Bedekkende kleding voor vrouwen hebben we niet. Uiteindelijk vindt ze een jas, best een leuk exemplaar, felrood met houten knopen, die tot haar vreugde precies over haar knieën valt. De pijpen van haar joggingsbroek steken eronder uit. Even later zie ik haar de gang dweilen.

In de dagen die volgen ben ik me veel bewuster van de absurde kledingcombinaties die sommige tentoonstellen. Een enorme man op waterschoenen met glitters, een zwangere vrouw in een Hello Kitty trui, dikke wollen vesten boven dunne sportbroekjes, onze afdankertjes op alle mogelijke manieren bij elkaar gecombineerd. Hoewel de bezoekjes aan het kledinghok soms iets lichts hebben (toch maar even iets leuks zoeken nu we toch een trui nodig hebben) dienen ze voornamelijk om mensen warm te houden en voeten te beschermen. Een vluchtelingenpak waarvan sommige het beste proberen te maken.


Refuge Solidaire: een uitleg

Het vluchtelingencentrum Refuge Solidaire werd opgericht in 2017, omdat er via de bergen aan Italiaanse zijde grote aantallen migranten Briançon binnenkwamen – en nog steeds komen. Briançon is een kleine stad waar een aanvraag voor asiel niets uithaalt, dus reizen asielzoekers door naar grote steden als Parijs en Lyon, of verder richting het noorden.

De tocht door de bergen naar Frankrijk is echter fysiek zwaar en vluchtelingen die hier aankomen (waaronder ouderen, geblesseerden, zwangere vrouwen en jonge kinderen) hebben behoefte aan eten, drinken en onderdak voordat ze hun reis doorzetten. Refuge Solidaire geeft ze even rust, voordat ze in een grote stad terug op straat belanden.

Het statuut voor de Franstaligen:

« Considérant qu’il est indigne de laisser dans la rue des migrants arrivant dans le Pays du grand Briançonnais par la montagne, qu’ il est nécessaire de leur donner un temps de repos et d’écoute afin qu’ils retrouvent leur dignité et fassent valoir leurs droits, il est décidé de créer une association afin de gérer au quotidien des lieux d’accueils en partenariat avec les collectivités locales, les associations locales, des ONG.
                La finalité est de permettre aux migrants de dormir, de manger, de se laver, d’avoir accès aux soins, à leurs droits et toutes autres nécessités, grâce à un premier accueil d’urgence de quelques jours dans des conditions décentes. »


Een grote groep vrijwilligers uit Briançon en vrijwilligers uit andere steden of landen zijn direct betrokken bij het (min of meer) laten functioneren van het dagelijks leven binnen het centrum, zoals het voeden van soms honderdzestig mensen per avond, het wassen van evenveel lakens en een te klein aantal vaak smerige wc’s, het geven van medische hulp en het ondersteunen van mirganten bij het plannen van hun vervolgreis. Hoeveel en hoe vaak sommige van hen zich investeren is indrukwekkend: er zijn er meerderen van een jaar of zeventig die ruim veertig uur per week onder het dak van de Refuge doorbrengen, en dat al jaren achtereen.

Organisaties zoals het Rode Kruis, Emmaüs en Secours Catholique bieden noodzakelijke ondersteuning, de rest wordt overeind gehouden door persoonlijke giften en donaties van kleding, medicatie en eten. Refuge Solidaire is daarom in staat twee mensen fulltime uit te betalen, waarvan één receptioniste en één coördinatrice van vrijwilligers. Maar er zijn een hoop meer werknemers nodig om de huidige toestroom aan vluchtelingen op te kunnen vangen onder correcte omstandigheden zonder de huidige werknemers en vrijwilligers op korte termijn een burn-out in te jagen.

De vereniging kijkt daarom momenteel naar het aannemen van een bewaker, een schoonmaker/klusjesman of -vrouw, een kok en iemand die alles bij elkaar coördineert, alhoewel het te besteden budget voorlopig niet toereikend lijkt te zijn. En in alle eerlijkheid draait zo’n tent alleen correct op basis van minstens twintig werknemers, maar ik ben inmiddels genoeg thuis in de humanitaire wereld om te vermoeden dat we altijd achter de feiten aan zullen blijven lopen (hollen, sprinten).

De verhuizing

Ik ben zelf binnengekomen nét na de verhuizing, middenin een bijzonder moeilijke periode die ik nog steeds leer begrijpen.

Het oude vluchtelingencentrum lag vlak naast het station in het midden van een woonwijk (toevallig naast mijn oude muziekschool). Het gebouw was veel te klein voor de toestroom aan migranten en de gemeente wilde ze er weg hebben. Drie mensen kochten toen een enorm gebouw (een oud bejaardentehuis) wat hoger in de vallei, dat uiteindelijk door meerdere verenigingen gehuurd zou worden, waaronder Refuge Solidaire.

Dit gebouw moest echter gerenoveerd worden om te corresponderen met de veiligheidsnorm, waardoor een deel van de raad van de vereniging (de beslissing-makers) ging klussen (héél hard ging klussen) en even wat minder aandacht besteedde aan het dagelijks leven in het oude gebouw. Ondertussen werd de stroom vluchtelingen zo groot dat de aanwezigen in het oude gebouw het niet meer aankonden, brak Covid uit, kon niemand weg omdat de Pass Sanitair werd ingevoerd (waardoor ongevaccineerden/niet-geteste vluchtelingen geen bus of trein meer konden pakken) en ontstonden er gevechten. De situatie was onhoudbaar en dus besloot de raad om Refuge Solidaire tijdelijk te sluiten, de boel de boel te laten in het zicht van anderen, met onder andere als argument dat de overheid deze problematiek eindelijk eens onder ogen moest komen en verantwoordelijkheid moest nemen (de overheid kijkt nog steeds de andere kant op). 

Het gevolg van dat besluit was dat een groot aantal vrijwilligers geen steun meer had van de organisatie en tegenover een groep van meer dan honderd migranten stond. Hoe dit er in de praktijk uitzag weet ik niet, maar er zijn in elk geval een hoop centrale personen verdwenen. De enige twee werknemers kwamen met een burn-out op de bank terecht en de rest is nog steeds heel boos.

Een week later verhuisde de hele bedoeling met veel haast, technisch en organisatorisch te vroeg, en toen kwam ik binnenlopen.

Overbezetting

Het nieuwe gebouw heet Les Terrasses en huisvest dus meerdere verenigingen, waarvan Refuge Solidaire verreweg het grootst: wij nemen twee etages in beslag, de andere hebben elk een kamertje. Manager en verantwoordelijke van Les Terrasses (het gebouw) is Thomas met de baard. Als er brand uit breekt of dingen instorten, dan komen ze bij hem aankloppen.

Het maximale en ideale aantal vluchtelingen dat we in een tiental kamers kunnen opvangen, is vijftig. Legaal mogen we tot tachtig vluchtelingen huisvesten, waarvoor we klapbedden uit de kast halen die in de eetzaal en op de gang terecht komen. Als we een nachtwaker inhuren, kunnen we dat getal oprekken tot 96 man. Komen we daarboven en vliegt de boel in de fik, dan hebben we een héél groot probleem.

Nu zijn er twee dingen gaande: sommige vluchtelingen roken – als het even kan in hun slaapzak – en er zijn er doorgaans tussen de 130 en 160 van. Thomas met de baart slaapt daarom niet meer ’s nachts.

Wat nu? Zelfs al zouden we willen, een selectie aan de deur is niet mogelijk. We hebben al een chronisch gebrek aan vrijwilligers (er zijn er immers nogal wat vertrokken) en de weg terug naar binnen is gauw gevonden. Veel mensen vinden het daarbij ethisch onverantwoord om wie dan ook naar buiten te gooien. De nachten vallen nu nog wel mee, maar Briançon is een bergstad waar de temperatuur binnenkort flink zal dalen. Als we ons echter niet aan de limiet houden, riskeren we opdoeking van het hele centrum (en daarmee de verspilde moeite van veel mensen die zich jarenlang heel hard hebben ingezet en bovendien honderden migranten die acuut op straat terecht komen) of in het ergste geval, een brand waarbij veel doden kunnen vallen. En een brand is echt niet zo ondenkbaar als we allemaal zouden willen.

Het lastige aan deze situatie is onder andere dat betrokkenen lijnrecht tegenover elkaar komen te staan. Thomas met de baard, eindverantwoordelijke, zich zéér bewust van de risico’s, weet en voelt hoe wankel het allemaal nog steeds staat. Hij stelt een harde grens bij tachtig en heeft vrijwel alle oudere vrijwilligers aan zijn kant. Een deel van de jongere generatie wil echter geen concessies doen en lapt graag de regels (de norm) aan de laars voor onderdak van iedereen die anders op straat zou komen te staan.

Een ander probleem van de huidige bezetting is dat het gebouw nu al degradeert. Overdag hebben we zo’n tiental vrijwilligers (soms een stuk minder, soms een stuk meer) verdeeld over het koken, de receptie, de was en de schoonmaak voor honderd plus mensen. Natuurlijk helpen de migranten vaak mee, maar de taak is simpelweg te groot, de grond altijd vies, de toiletten altijd verstopt, te veel wasgoed om te wassen en te veel gebouw om te redden van geleidelijke ondergang.

Daarbij zitten mensen uit veel verschillende landen met veel verschillende religieuze achtergronden, vaak met een miserabel verleden en een miserabel toekomstperspectief, dikwijls getraumatiseerd, hutjemutje op elkaar. Dat er soms gevechten uitbreken, is niet heel verbazingwekkend. Dat er joints worden gerookt en alcohol wordt geconsumeerd, evenmin.

Ook wil een klein deel van de vluchtelingen simpelweg niet graag weg. Waar ze bij ons kunnen eten, drinken en slapen, zij het in chaos, hebben ze buiten onze muren geen enkele mogelijkheid en kijken ze aan tegen een leven op straat, met name wanneer hun asielaanvraag kansloos lijkt. Er zijn een aantal die systematisch problemen veroorzaken en heel moeilijk gedrag vertonen (die me uitlachen waar ik bij sta) maar eruit gooien kan je ze nauwelijks (niet op grond van ons statuut en ook niet in de praktijk). En zolang we zelf achter de feiten aanhollen, kunnen we ze het leven ook niet moeilijk(-er) maken, noch ze helpen zoeken naar een aantrekkelijker alternatief.

Vaak breken baby’s en kinderen mijn hart wanneer ik ze in een hoek zie liggen, maar van deze jongens weet ik vrijwel zeker dat het leven ze niets meer zal geven en zijzelf de weg omhoog niet zullen vinden. Daarom denk ik ’s avonds vaak aan hén, wanneer ik in mijn eigen veilige bed lig.

Covid

Vanwege het virus komt het Rode Kruis drie keer per week vluchtelingen testen. Zij met een negatieve uitslag krijgen een Pass Sanitair en kunnen doorreizen. Zij met een positieve uitslag kunnen niet weg. Voor hen hebben we een geïmproviseerde Covid-kamer (ook wel: een kamer vol covid), maar covid houdt zich soms rustig en besmette vluchtelingen voelen niet altijd de urgentie van een quarantaine. Hoe snel zo’n virus zich door ons gebouw verspreid, is niet heel lastig om te bedenken (hutjemutje + massaal ongevaccineerd + weinig mondkapjes). Gek genoeg valt het tot nu toe wel mee, maar een grote uitbraak ligt ongetwijfeld in de nabije toekomst.

Hoop

De omvang van het gebouw en de hoeveelheid betrokkenen bij Refuge Solidaire, vragen om een professionele aanpak van het dagelijks leven, een solide planning en personeel dat verstand van zaken heeft. Maar de organisatie wordt overeind gehouden door een flinke handvol (inmiddels oude of vermoeide) vrijwilligers die het vaak niet met elkaar eens zijn, vrijwilligers die even een weekje komen helpen en slechts twee werknemers waarvan ik momenteel één ben (en mijn professionele ervaring met dit soort organisaties is letterlijk nul). Geld voor verdere professionalisering ontbreekt. Een nieuwe bron aan gemotiveerde lokale vrijwilligers zou een deel van de problemen kunnen oplossen, maar de kleine stad van Briançon is uitgeput. Daarbij is het dagelijks leven binnen het centrum momenteel zo uitdagend (ze vergelijken het met een War Zone, realiteit is dat je met beperkte middelen en mankracht van de ene in de andere crisissituatie schiet en tegelijkertijd blootgesteld wordt aan een flinke doses humanitaire misère) dat vrijwilligers moeilijk te overtuigen of aan te houden zijn.

Wat geeft me hoop?

Mensen zoals Marie de keukenkoningin. Ze loopt tegen de zeventig, komt tot aan mijn schouders en werkt vijf dagen per week, van acht uur ’s ochtends tot vier uur ’s middags, in onze keuken. Waarom? Omdat Marie wil dat alle honderdzestig te eten krijgen. Sylvette wil dat iedereen een schoon bed heeft om in te slapen, al is het maar voor drie dagen, Emma wil dat ze op weg kunnen naar de stad om daar asiel aan te vragen, Constance wil dat de kinderen iets hebben om mee te spelen, Jawad wil dat ze een kans krijgen op een beter leven zoals zijn ouders dat ook hebben gehad en ga zo maar door. Het wemelt er van de mensen die een groot deel van hun vrije tijd opofferen om anderen met grote problemen, loodzware bagage en een onzekere toekomst heel even rust te geven. Nog nooit ben ik getuige geweest van zoveel goede wil. En dat geeft me hoop.

En dan staat er opeens een Afghaans kind voor je


Mijn therapeut vraagt me wanneer ik tijd heb voor een volgende afspraak. Ik antwoord dat het afhankelijk is van de baan die ik zal vinden. Hij blijft me eventjes aanstaren. In dat moment maakt hij, denk ik achteraf, een afweging: mijn patiënt zoekt een baan en ik heb zelf een zéér urgente vacature bij de noodopvang voor vluchtelingen, mag ik haar echter een baan aanbieden waarin ze nauw met mijzelf zal samenwerken? Is dit goed voor mijn patiënt, voor mijzelf of voor beiden?

De patiënt blijkt verbaasd maar geïnteresseerd. Even later zit ik op de fiets naar Refuge Solidaire, het vluchtelingencentrum dat sinds een week van locatie is veranderd en nu uitzicht biedt over de hele stad. Ik hoef niet lang te zoeken naar het juiste gebouw, want nergens in Briançon zitten zoveel gekleurde mensen buiten op een trap. Ik twijfel waar ik mijn fiets neer zet, want ik heb geen slot maar zie evenmin bosjes waarin ik hem kan verstoppen. Zouden vluchtelingen er iets aan hebben, mijn fiets? Voor een rondje Briançon, in die drie dagen dat ze hier mogen blijven? Even langs het park, het oude centrum, het zwembad? Ik zet hem tegen een hek, loop de trap op en ga, net als veel anderen, zitten op een muurtje. Daar bedenk ik vast maar op welke honderd manieren ik hier niet thuishoor en hoezeer iedereen dat door zal hebben, zowel de andere vrijwilligers als de vluchtelingen.  

Mijn therapeut neemt me mee op een rondje door het gebouw. Hij begroet alle vluchtelingen (ik dus ook maar) en gaat een ernstig gesprek aan met elke vrijwilliger die hij tegenkomt. Hoe gaat het, neem je wel genoeg rust, laat het allemaal van je afglijden. De vloer plakt, in hoeken liggen stapels kleding, prullenbakken puilen uit, iemand rookt en wordt naar buiten gestuurd, vreemde talen klinken door de gang en overal slapen mensen. Op veldbedjes of op de grond.

Ik leer dat het gros van de vluchtelingen momenteel uit Afghanistan komt en word er meteen met één geconfronteerd, twee bruine ogen op kniehoogte van zijn moeder, handjes vastgeklemd aan haar broek.

Terwijl we door het gebouw circuleren geeft mijn therapeut me kleine beetjes informatie over de gang van zaken in het centrum. Refuge Solidaire voorziet in eerste plaats van noodopvang. Mensen verblijven er zo’n twee of drie dagen om van hun reis door de bergen bij te komen, te eten, drinken, douchen en zich voor te bereiden op het vervolg van hun reis. De receptie helpt hen vervolgens met het boeken van tickets naar de grote steden. Soms hebben ze geld, soms niet. Er zijn gelukkig veel donaties, zowel eten en kleding als geld, maar het budget blijft krap en ondersteuning van de staat is uitgesloten. Hoe het verloopt met mensen die vertrekken is zelden duidelijk, want de stroom vluchtelingen is enorm en hun verblijf in het centrum maar kort. 

Zodra we via de achterkant weer naar buiten lopen, en ondertussen zo’n 150 vluchtelingen zijn gepasseerd, besef ik me dat ik er nog steeds niet veel van begrijp. Wie zijn het, waarom en hoe zijn ze gevlucht, wie en wat laten ze achter, waar gaan ze heen? Hoe kan zo’n immense structuur zichzelf financieren op basis van donaties? Wie zijn al die vrijwilligers en hoe belanden ze in het kleine bergstadje van Briançon? En hoe functioneert een dergelijk dagelijks leven op deze enorme schaal? Functioneert het eigenlijk wel?

Er spelen blijkbaar een aantal complexe zaken die slechts mondjesmaat aan me worden uitgelegd. De verhuizing verliep allesbehalve soepel, veel mensen zijn boos op elkaar en een significant aantal vrijwilligers heeft zich recentelijk teruggetrokken. De toestroom van vluchtelingen is daarbij driemaal zo groot als het aantal beschikbare bedden en Covid heerst. Mijn voorganger zit thuis met een burn-out.

De voorgestelde tijdelijke functie (twee maanden) luidt als volgt: coördinatrice van vrijwilligers van Refuge Solidaire. Ik heb nog nooit iets gecoördineerd en ken zowel vluchtelingen als vrijwilligers alleen uit het journaal en de zojuist gelopen ronde door het centrum, en toch zeg ik ja, een beslissing waar ik al een paar dagen later spijt van heb.

Ik groet mijn therapeut en vind mijn fiets op dezelfde plek waar ik haar heb achtergelaten. Terwijl ik naar huis rijd, voel ik me alsof ik terugkom van een spontane reis naar een moeilijk stuk wereld. Totaal overrompeld. In elk geval zal ik me voorlopig niet alleen maar op mezelf concentreren, is mijn gedachte. Zal ik mijn ogen niet meer kunnen sluiten voor het onheil naast de deur, zal ik mijn geld verdienen met iets ‘goeds’. Het feit dat ik er zo middenin val voelt daarbij alsof het op de een of andere manier voorzien is. De bedoeling. Mijn beurt om een steentje bij te dragen.

Het zal een erg groot steentje worden.