Latest Posts

Vrij verticaal territorium

Tijdens de vorige confinement, toen de politie zo’n beetje achter elk bosje school en we als schimmen door de vallei slopen, nam Thibault een boor mee naar een verborgen stuk rots in de bergen en opende daar vier sportklimroutes. Hij noemde het geheime klimgebiedje ‘Wuhan’.

We spraken er niet al te veel over omdat het virus voor geen meter te vertrouwen viel, noch het beleid van de Franse regering, en profiteren nu dagelijks van ons vrije verticale territorium, waar we rustig kunnen blijven trainen zonder constant om ons heen te kijken of onze oren te spitsen uit angst voor de spontane opkomst van de politie (en de 135 euro boete maal twee).

Professionele sporters, en dus ook berggidsen en sportklimgidsen (in opleiding), hebben allemaal het recht behouden om te trainen, maar wij (examenkandidaten) zitten als vanouds gebonden aan de kilometerzone. Daarom hang ik zonder al te veel gewetensbezwaren aan onze verborgen rots. We hebben onze training misschien nog wel harder nodig dan zij die reeds professioneel zijn.

Jammer is echter dat Wuhan in de schaduw ligt en we steeds dieper in de herfst duiken, waardoor zowel mijn tenen als vingers dikwijls gevoelloos aan mijn lichaam bungelen. Daarbij gaf de rots geen grepen voor opwarmroutes en brokkelt er hier en daar nog weleens een greepje af. ‘Training’ in dagen van confinement geeft tevens steevast een mentale expeditie van een uur of drie, waarna ik me met een kop thee in een deken rol en mijn uiterste ledenmaten ritueel om vergeving vraag.

Interessant is het echter wél, dat kleine klimgebiedje daarboven. Niet alleen omdat de route soms spontaan veranderd (hier zat aanvankelijk toch een voettreetje?) maar ook omdat ik voor het eerst werkelijk ervaar dat al die sportklimroutes menselijke creaties zijn. Die van Thibault, dit keer. Het contact met de rots voelt daarom puur. Geen historie komt ertussen, geen waardering, geen lijn in de topo noch geblaat van andere klimmers. Er is slechts rots, en dan die enkele gek die erover naar boven probeert te kruipen.

Maar als straks de eerste sneeuw valt is het frisse feest van Wuhan over. Wat er vervolgens met ons gebeurd is aan het virus en Macron om te bepalen. Misschien moeten we in egaal witte pakken op zoek naar een geheime berg om ons voor te bereiden op een eventueel ski-examen, ons klimniveau dat integraal af zal hangen van een oefenbalkje in de slaapkamer.

We weten het echter niet. Zoals niemand niet.

Er was eens


De buurjongen zag er niet zo goed uit toen hij ons terras opliep, ruim een jaar geleden. De lente schoot overal uit de grond, maar het was net uit met zijn vriendin, hij was nog overtuigd van het feit dat ze de liefde van zijn leven was en Covid had de afstand tussen Wuhan en La Vachette vreemd genoeg overbrugd. Macron deed het land op slot en daarmee ook de herberg in het dorpscentrum, die onze buurjongen vlak voor de winter had overgenomen. Een sympathiek gebouwtje met een klein houten terras aan het water.

Ik had hem subtiel duidelijk gemaakt dat het interieur van zijn herberg misschien wat gedateerd was. Hij was echter kok en had niets met interieur, noch met booking.com, voicemailberichten of publiciteit. Waar hij warm voor liep, waren verse groenten, wilde knoflook en kastanjes, morieljes bij zijn risotto, melk van de koeien van Prorel en bier van brasserie Col de Lauteret, alcohol die hij zelf op smaak bracht met mélèze of besjes of wijn met citroen, aangeschoten klanten of vrienden en kaartspellen tot laat in de avond.

Het vale interieur veranderde niet gedurende die twee lege maanden in lockdown, zelfs de plastic kerstman bleef hangen. Tijd om het ding van het plafon te trekken was er genoeg, méér dan, maar hij wist niet wat komen zou en werd er moedeloos van.

De zomer die volgde bleek gek genoeg explosief. Stedelingen wilden allemaal naar de bergen. Naar de Vallée de la Clarée, waar een frisse bergbries woei en het virus gewoon even niet zo belangrijk meer was. De herberg zat vol, gasten hielden van zijn risotto, ik zag hem sprinten over de markt van Briançon met mondkapje en zijn rugzak vol prei. De kerstman hing nog steeds aan het dak, maar de buurjongen klaagde zowaar dat hij vrijwel geen tijd meer voor zichzelf had. Het ging dus goed. Hij kon de eerste klap van Covid financieel gezien opvangen en vond zelfs een leuk nieuw vriendinnetje.

Die herfst ging alles weer op slot.

Omdat hij van de overheid een substantiële financiële bijdrage kreeg kon hij zijn herberg aanhouden, maar de stoelen in de salon stonden op hun kop op de lange houten tafels en de lelijke cd-speler in de hoek haperde slechts voor ons. Hij maakte zoveel crème de marron en confiture de coing dat we na elke borrel, waarvoor we een viertal stoelen van de tafels hadden gehaald die we erna weer terugzetten, een glazen pot van hem meekregen.

Begin november leende hij zijn herberg uit aan een groep vrijwilligers en médecins du monde die hielpen bij de veilige oversteek van immigranten. Daar waren sommigen van het dorp niet persé heel blij mee; het kon hem niets schelen. Hij voelde zich op zijn minst nuttig. Maar toen zijn gasten hun verblijfplaats voor lief begonnen te nemen en het gebouwtje aan het water dikwijls smerig achterlieten, sloot hij de deur voor hen.

Die deur zou niet meer echt opengaan. Er was nog even sprake van een tweede financiële bijdrage van de overheid, maar daar kwam de buurjongen niet voor in aanmerking.

Het is begin mei 2021 en hij heeft het niet gered. Zijn relatie gelukkig wel, maar het duo vertrekt tot ons verdriet uit de vallei. Een groot afscheidsfeest waarin gezamenlijk het fiasco wordt verdronken zit er uiteraard niet in, maar misschien nodigt hij een schamel gezelschap uit waarmee we van zijn overdadige voorraad citroenwijn kunnen profiteren voordat een nieuwe, onzekere etappe begint.

Ik wens de nieuwe eigenaren van de herberg veel, veel succes toe.

Poëet



Je was om vijf uur ’s nachts vertrokken. Ik zette mezelf die namiddag achter de keukentafel, half vier, met koffie en een studieboek, mijn handen nog onder het pof van het klimmen. De bomen onderaan de rotsen hadden vol bloesem gezeten, een gordijn van roze bloesem waarachter mijn vriendinnetje omhoog had geprobeerd te klimmen. Het kwartsiet was oranje en geel geweest, de lucht strakblauw. Toen ik haar had laten zakken had ik gezegd dat ik wist wat ik wilde worden: poëet. ‘In dat geval word ik ‘de vreugde’, had ze geantwoord.

Ik las drie woorden over chromosomen en dacht toen aan jou. Als je om vijf uur was vertrokken hadden jullie, Jon en jij, uiterlijk om tien uur bovenaan het couloir gestaan. Hoogstens om elf uur. Over het couloir zelf hadden jullie nooit langer dan een uur gedaan. Na een siësta in de lentezon had je vast bedacht mij even een berichtje te sturen, een berichtje dat ik niet in mijn telefoon had staan. Ik belde je maar je nam niet op, las weer over chromosomen maar de woorden kwamen niet meer binnen.

Vier uur. Ik belde Jon, die had zijn telefoon uitstaan. Er was geen groene auto die kwam aanrijden, of ik nou door het raam keek of vanaf het balkon, geen getril van mijn telefoon. Ik stuurde een berichtje waarop geen antwoord kwam en kon mijn gedachten niet meer in het gareel houden. Wat was er gebeurd? Een losgeschoten rappel? Een blessure? De één op de ander gevallen? Een lawine? Ik zag je dood, ik zag je gewond, maar ik zag jullie ook met biertjes in de hand op het terras bij een vriend, je telefoon zachtjes trillend in de groene auto.

Lea nam niet op. Ik had haar niet bezorgd willen maken maar was zelf te bezorgd.

Half vijf. Ik keek op het internet of er geen reddingsacties in de Écrins waren uitgevoerd en las over een dag in maart toen de CRS maar liefst vijf keer de helikopter van stal had moeten halen. Een gebroken enkel, een knie, een uitputting etc. Je nam nog steeds niet op. Het boek van de chromosomen lag open op tafel en ik liep rondjes door het huis.

Vijf uur. Ik wilde maar één ding en dat was lachen over mijn eigen stomme zorgen, je in mijn armen sluiten en zeggen dat je een grote debiel was. Ik wilde je kussen op je gezicht en je blauwe ogen en je rusteloze tengere lichaam samenknijpen uit woede en opluchting, ik wilde op zijn minst drie rusteloze, tengere kinderen van je en gelijk maar een nieuwe koelkast uitzoeken waar we alle zes in zouden passen, inclusief Tigrou. Ik wilde je vertellen over mijn eigen stomme bloesem van die dag en als ik dat niet zou kunnen, dan zou alles instorten. Ik zou niet stoer zijn. Je zat in mijn toekomst, ik wilde je in mijn toekomst, jíj, ik hield van je.

En daar stonden jullie plotseling. Jon en jij, grijnzend op het balkon, jouw voorhoofd verbrand. ‘Hij was zijn pickel verloren op de heenweg’, zei Jon lachend. ‘Jouw pickel, trouwens, die hij had geleend. We hebben die dus lopen zoeken nadat we terugkwamen uit het couloir. Of nou ja, híj heeft die lopen zoeken, gedurende een uur of twee in de sneeuw. Ik heb zelf ondertussen schaakspelletjes gespeeld op mijn telefoon. Daarom was de batterij leeg. Hij hing trouwens in een boom, je pickel.’

Die avond in bed zei ik tegen je dat ik poëet wilde worden en toen zei je ‘dat is een mooi beroep maar dan moet je wel gedichten schrijven’ en toen zei ik ‘nou dat ga ik dan maar doen’ en toen vielen we in slaap.


Dit is dus sportklimmen

Tenen in rubberschoentjes op heel kleine treetjes, het lichaam vastgeplakt aan de rots, diezelfde rots soms op slechts een centimeter van de neus, salamanders die geschrokken wegschieten voor het gevaarte dat omhoogklimt, vingers gesloten om grepen, voeten die losschieten, armen van de Hulk, magnesiumpoeder op het gezicht en dan die fameuze vlucht naar beneden: Sportklimmen. Het seizoen is weer begonnen.

Voor de niet-klimmer-lezers van mijn blog geef ik vandaag een heel korte uitleg van het sportklimmen (ik dacht, daar is het misschien tijd voor).

Het idee achter sportklimmen is dat je op eigen kracht een rotswand omhoogklimt. In zo’n rotswand zit een route (door iemand bedacht) die is uitgestippeld met haken (ijzeren ringen die voor altijd in de rots zitten). Je neemt een touw mee, een zekerpartner en setjes (zie hieronder) en volgt de route in de rots tot je valt (of niet).




Als je valt, zit je gelukkig aan het touw. Hoe ver je valt, hangt af van je afstand tot de laatste haak. Dit kan bijna niets zijn (als je precies op de hoogte van je laatste haak bent) of iets meer dan het dubbele van de afstand die je boven je haak uitklimt (zie Voorklimmen op Eier Schaal). Als je een dynamische zekeraar hebt die ook nog eens goed oplet (populaire wezens onderaan een rots) is een verre val helemaal niet erg: je komt gewoon wat lager terecht. Maar spannend kan het soms wel worden.




Om een beter idee van sportklimmen te krijgen, zouden jullie op YouTube kunnen kijken naar een van deze grote klimsterren (inclusief hippe muziekjes, dat is belangrijk):

Margo Hayes : https://www.youtube.com/watch?v=49hU8qns6WY (deze is lekker kort)
Julia Chanourdie : https://www.youtube.com/watch?v=muDT1CW6PEc&t=211s
Adam Ondra : https://www.youtube.com/watch?v=f55Rm0wDy5k
Seb Bouin : https://www.youtube.com/watch?v=to-JaZjx3GA&t=513s

(Dit zijn overigens topatleten in héél moeilijke routes. Sportklimmen kan ook lijken op de beklimming van oma’s keukentrapje.)

Wat is nu zo leuk aan het sportklimmen?

Dat je op heel mooie plekken komt, de hele dag dicht bij de natuur blijft (geplakt tegen de rots) en in moeilijke routes zowel fysiek als mentaal alles uit de kast moet halen om boven te komen. Een passage in een route presenteert zich vaak als een puzzel. Los je die op via je intuïtie? Op basis van je kracht en souplesse? Of via je ervaring? Hoe meer je klimt, hoe sneller je zulke puzzels leert oplossen. En hoe sterker je bent, hoe langer je erover kan doen (al die tijd hang je immers aan de rots en dat vraagt nogal wat van je vingers en armen). Soms probeer je een route wel twintig keer voordat je eindelijk bedacht hebt hoe je het ding het beste uit kan klimmen, of voordat je lichaam de bewegingen eindelijk correct integreert. 

En dan plotseling: Wat zit je ver boven je laatste haak! Beheers je de angst en durf je door te klimmen? Zit je zo in de route dat je überhaupt geen angst voelt? Of laat je jezelf vroegtijdig vallen?  

In welke mate je klimmen spannend vindt hangt een beetje af van je aanleg (google Alex Honnold, iemand met een bijzonder brein) en opvoeding/omgeving (neem ik aan… interessant… volgens mij worden meisjes hier nog wel eens door achternagezeten…), je manier van omgaan met angst en gedachten (google Hazel Findlay, héél interessant), je ervaring (hoe meer je valt, hoe minder spannend het blijkt) en toch ook wel een beetje je entourage (hoe meer tijd je spendeert met vallers, hoe makkelijker het wordt om zelf ook de val te accepteren). Het leerproces is in elk geval interessant en levert daarbij buitengewoon bruikbaar gereedschap op voor het normale leven.

Mocht je een keer langs een land met rotsen komen en verleidt worden door deze (vreemde maar coole?) verticale uitdaging, ga dan eens op stap met een klimgids. Die hangt het touw voor je bovenin de rots waardoor er van vallen nauwelijks sprake is (zie toprope in Klimmen op Eier Schaal) en je gewoon kunt genieten van de beweging van het klimmen zelf. Het is leuk. Geloof me.




Fieke in een route in Rodellar
Klimei in Chamonix (fotocredits Matt Groom). Tegenwoordig klimmen we overigens mét plastic modeverschijnsel. Minder sexy maar goed voor het hoofd in geval van nood.

Roddelgeneratie


De hangjongeren van La Vachette zijn per stuk zo’n zeventig jaar oud. Tijdens de donkerste maanden van de winter ontmoeten ze elkaar voor het systematisch wegvegen van elke sneeuwvlok die het aandurft om hun oprit te vervuilen. Tip van de overbuurman: neem binnen vast even een flinke slok cognac, daar krijg je het warm van.

Nu de lente aanbreekt loopt het hele dorp van huis naar huis niet voor de sneeuw, maar voor de gezelligheid. Om de boormachine van de ene te lenen of de printer van de andere, om even te helpen met het sjouwen van een zak aarde of de laatste roddels op de rails te zetten. Vooral dat laatste neemt tijd in beslag.

Omdat ze er allen sinds decennia wonen, is de niet zo heel geheime kist vol interessante weetjes oneindig diep. Na een korte warming-up van luchtig gebabbel over het weer of corona, komt de buurman aan bod, de skileraar die een zoon heeft die aan zijn derde vrouw is begonnen en die hij net als zijn eerste twee al dreigt te verliezen omdat, nou ja, hij is er nooit en hij is ook niet aardig. De huisbazin van het appartement aan het dorpsplein komt misschien zelf weer in het dorp wonen maar hopelijk toch niet want haar hond poept alle dorpspaden vol, en de bejaarde op de hoek is nogal een vrek. Haar hele familie trouwens. Het gebouw aan de overkant is overigens van de kleine boer aan de weg naar Val-des-Près (niet te vertrouwen) maar de kerel die er momenteel woont, betaalt al zeven maanden zijn huur niet. En de knappe oude berggids aan het water neemt zo nu en dan een gast van de gîte mee naar bed.

La Vachette is een prachtdorp. De oude generatie is springlevend en heeft de ballen van petanque al afgestoft voor de eerste ronde van het jaar.

Veel van de dorpen in de omgeving lopen daarentegen leeg zodra een tussenseizoen zich aandient. Ze hebben hun ziel definitief verloren: enorme boerenhuizen met gesloten luiken, geen hond die op het pad poept. Stedelingen met glimmende auto’s komen slechts nu en dan een week hun vakantiestekje warmhouden of stoppen het vol met Airbnb in het hoogseizoen. Zelfs de meest bouwvallige barakken worden voor hoge prijzen opgekocht, soms eventjes via het internet. Leeftijdsgenoten die denken aan het kopen van een huis kunnen in onze vallei niet meer terecht, daar is het allemaal te duur voor geworden.

Als de roddelgeneratie La Vachette verlaat voor een plekje daarboven, hoop ik dat hun kinderen of kleinkinderen terug naar het dorp trekken, of dat hun huizen op de één of andere manier in handen vallen van gezinnetjes die over elkaars problemen praten met de buren. Het is ongelofelijk leuk om een paar jaar in een Frans bergdorp te wonen waar Franse bergbewoners dag in dag uit aanwezig zijn.

Maar we moeten wel een klein beetje oppassen met de persoonlijke details die we na zo’n cognac met de buurman delen, want binnen een half uur zijn ze allemaal op de hoogte.

Die middag in het zonnetje


Ruim vijf jaar geleden zat ik op een terras in het zomerse centrum van Chamonix met een Nederlandse jongeman die me gedurende drie jaar had opgeleid bij de Amsterdamse Studenten Alpen Club: Jeroen Boomsma. Hij was op visite in het bergdorp, ik woonde er net. Mijn leven ging van bar naar berg en weer terug naar de bar en ik had een hele stiekeme, absurde, onrealistische droom die ik absoluut met niemand deelde omdat ‘ie te belachelijk was om hardop uit te spreken. Maar toen, die middag, in het zonnetje, zei ik toch tegen Jeroen dat ik eigenlijk wel berggids wilde worden. En hij zei toen: ‘je kan het’.

De dag van het examen

Het probleem was, zoals jullie inmiddels wel weten, dat ik nog nooit had geskied en dat je onder andere een groot ski-examen moet halen om in de opleiding te kunnen komen. Uiteraard heb ik alles onderschat, anders begin je er niet aan. Mijn leven was op zijn zachtst gezegd nogal uitdagend, de afgelopen vijf jaar. Ik voelde me geregeld hopeloos verloren tussen de vele jongens die opgegroeid waren met ski’s aan hun voeten, zo niet op klim- of bergschoenen.

Maar vooruit, het was ook fantastisch.

Het examen afgelopen woensdag vond plaats in bakken met verse sneeuw. Zoveel sneeuw hadden we in Briançon de hele winter lang niet gezien. Tijdens de beklimming vroeg ik me logischerwijs af of ik dat wel kon, skiën in zoveel sneeuw. Ik was nummer 136.

Mijn eerste genoteerde afdaling begon goed, maar op nog geen twee meter van de jury viel ik. Poef.

Wat er tijdens de tweede genoteerde afdaling gebeurde, weet ik niet zo goed. Ik was doodzenuwachtig want ik wist dat ik niet alleen geen enkele fout meer kon maken, maar ook nog eens héél goed moest skiën om mijn val te compenseren. Er zaten veel grote hobbels in het terrein en elk van hen zou me katapulteren. Maar het leek wel alsof de bergen het terrein vlak voor mijn ski’s gladstreken. Ik maakte grote bochten en was zo beneden.

En toen stond mijn naam die avond op de lijst en had ik alle technische examens van de ENSA gehaald.

De Droom

Als Jeroen me die zomerse dag op het terras in Chamonix iets anders had gezegd dat ‘je kan het’, had ik waarschijnlijk nooit dit pad in durven slaan. Als ik de steun niet had gehad van hem en mijn allerlievelingssuperfamilie (die arme ouders van me, ik heb jullie er wel wat mee aangedaan), Fieke en familie, Kim (en zo leuke vriend), Marcel, Thibault (L), mijn lieve Briançon- en CRET-vriendjes en vriendinnetjes en de Vier Magische Opleiders (!!), Willemijn en Jan, Dick (zo vaak spookten je woorden door mijn hoofd), de bloglezers, het legaatfonds van de NKBV en Tigrou, dan had ik het nooit volgehouden.

De toekomst ziet er nu als volgt uit: In juni vindt de ‘bergweek’ van de ENSA plaats. Daarin gaan we op pad met gidsen die ons beoordelen op onze voortgang in de bergen. In principe vallen hier nauwelijks kandidaten meer bij af, en mocht het nou allemaal niet zo lekker gaan, dan behoud je in elk geval de resultaten van de technische examens. In september volgt de eerste zomerstage als aspirant gids, in december een winterstage en mocht ik die nou allebei afronden, dan mag ik al aan het werk als klimgids en wandelgids. De hele opleiding duurt drie jaar.

Er is echter een kleine uitdaging, een parallelle reis die ik moet ondernemen, een vraagstuk dat ik moet oplossen. Het ongeluk heeft me flink getraumatiseerd en de bergen hebben een inmiddels zichtbare donkere kant die ik nog steeds moet leren accepteren. Mijn liefde voor hen is onveranderlijk groot, maar het objectieve gevaar accepteer ik maar moeilijk. Ik weet nog niet waar mijn grenzen liggen en zeker niet of die corresponderen met de ENSA. Ik moet dus bedenken wat ik precies wil, kan, ik moet keuzes leren maken en nee leren zeggen (eventueel onder groepsdruk).

Komende drie maanden zal ik veel door de bergen trekken en tegelijkertijd professionele hulp zoeken om mezelf zo goed mogelijk voor te bereiden op wat eventueel komen gaat. Mocht het interessant genoeg blijken, dan zal ik jullie op de hoogte houden. Wie weet heeft iemand er iets aan. Daarnaast moet ik toch ook weer een beetje geld verdienen (kan iemand Covid in een dikke doos op een stoffige plank in een verschrikkelijk labyrint zetten?), mijn studie weer oppakken en Thibault ondersteunen in zijn voorbereiding op de zomerexamens. Het wordt nog eens wat.

Maar nu eerst weer met een ijsje op de plastic opblaaskrokodil in een zwembad, want ik heb de examens gehaald en hoef ze dus nooit, nooit, nooit meer over te doen.



Eventjes geen oordeel van de ENSA meer.

Nestelen


Mijn eerste keer mediteren deed ik samen met mijn ex-vriendje, die ene die vier uur lang stil kon zitten en zich niet liet afleiden door een vlieg op zijn neus. Ik voelde me clownesk, weet ik nog goed, zo met gekruiste benen en gesloten ogen. Alsof ik een parodie op mediterende mensen deed.

Het heeft lang geduurd voordat ik me op mijn gemak voelde in de meditatiepositie. Nog veel langer deed ik erover om een houding te vinden die me relatief goed afging. Ik kreeg namelijk steevast na vijf minuten pijn in mijn rug en kon me moeilijk nog op iets anders concentreren dan die pijn zelf.

In de hoek van mijn kamer ligt tegenwoordig een soort dik matje (het best te vergelijken met een kussen voor de hond) met daarop een ‘zafu’, een meditatiekussen dat wat harder en hoger is dan andere kussens, waardoor ik geen zes kussens meer hoef op te stapelen om daar heel kunstig in juiste positie bovenop te belanden.

‘De juiste positie’ laat ik omschrijven door Gunaratana (ja ja, daar is hij weer):

“The most essential thing is to sit with your back straight. The spine should be erect with the spinal vertebrae held like a stack of coins, one on top of the other. Your head should be in line with the rest of the spine. All of this is done in a relaxed manner. No stiffness. You are not a wooden soldier, and there is no drill sergeant. There should be no muscular tension involved in keeping the back straight. Sit light and easy. The spine should be like a firm young tree growing out of soft ground. The rest of the body just hangs from it in a loose, relaxed manner. This is going to require a bit of experimentation on your part.”   Mindfulness in Plain English, Bhante Gunaratana, pagina 57.

Na een hoop experimenteren weet ik inmiddels dat ik de spieren bovenin mijn rug onbewust aanspan om in rechte positie te blijven. Zodra ik echter mijn bekken genoeg naar voren kantel door maar voldoende kussen onder mijn billen te proppen en mijn buikspieren licht aan te spannen, kan ik mijn bovenrug ontspannen en mijn ruggengraat toch recht houden (kortom: mijn schouders en armen die hangen aan de jonge boom die uit de zachte grond piept). Als ik echter niet oplet speelt mijn rugpijn direct op. Het is nogal subtiel: een kleine inzakking leidt direct tot spanning bovenin mijn rug.

Voor elke sessie neem ik een paar minuten om te nestelen (een beetje zoals Tigrou die een drietal rondjes draait voordat hij plaatsneemt). Tijdens mijn meditatie blijf ik daarna in de gaten houden wat er zoal met mijn positie gebeurt en corrigeer ik mezelf constant. Het goede nieuws is dat ik telkens iets minder tijd aan mijn houding hoef te besteden en steeds meer aandacht overhoud voor andere dingen die me dwars zitten, zoals mijn gedachten (hehe).

Wat ik vooral in deze blog wil benadrukken is niet de intensiteit noch de lengte of kleur van mijn almachtige rugpijn of mijn spectaculaire oplossing daarvoor, maar simpelweg het gegeven dat er oplossingen zijn. Dat een duurzame meditatiehouding, op de stoel of een stel kussens, eventueel om tijd, aandacht en een constante reeks aanpassingen vraagt (nestelen), maar dat het goed kan komen. Met een hoop geduld, maar het kan goedkomen. Voor een dergelijke getuigenis had ik afgelopen drie jaar een moord gedaan.

(De Zafu was een cadeautje voor mijn 29ste verjaardag en handgemaakt, met een berichtje van de maker zelf. Is dus mijn allerlievelingskussen).

Olieverf


Een enorme kist met olieverf komt aan in La Vachette. Ik open de kist, ruik de donkerhouten binnenkant en zie vierentwintig tubes met verschillende kleuren, potjes met doorzichtige formules, kwasten, een mes, een doek, een pallet. Allemaal emoties om te mengen, wereldmakers, fantasie-instrumenten.

Omdat ik nog nooit met olieverf heb gewerkt, kijk ik alvorens in willekeurige tubes te knijpen naar reeksen YouTube filmpjes waar ik onverwacht maar direct doodsbang van word. Zo bang dat ik de kist geschrokken sluit en twee weken lang in een donkere hoek leg. Want olieverfschilderijen riskeren te verpulveren of nooit meer op te drogen, de media zijn giftig en dan is er ook nog iets met lagen, waarden, compositie, lichtval, kleurgebruik, perspectief en stijl – een eigen welteverstaan.

Wanneer ik eindelijk een beetje blauw uit een tube durf te knijpen, en een beetje rood en oranje en toch ook groen, en dat zo een beetje meng met wit of elkaar, ben ik echter niet zo bang meer. De kleuren zijn veel te aantrekkelijk. Ik wil ze allemaal zien en aanraken en door elkaar heen smeren.

Het gaat meteen helemaal mis en toch ook helemaal goed; ik heb geen idee waar ik mee bezig ben maar merk dat de verf zelf al het een en ander aangeeft en schilder een sneeuwluipaard met een te klein oog, de buurman onder een lucht die wat misselijk lijkt en twee katten (Sjaak en Sjef) in een bos of boven gras of wie zal het zeggen. 

Wat ik leer: de kohl van potloodstrepen mengt zich genadeloos met de verf en als je ergens niet blij mee bent kun je het gewoon van het doek vegen. Maak een paar schilderijen tegelijkertijd want anders moet je de hele tijd wachten op de laatste verflaag om te drogen en sommige kleuren zijn niet wat je denkt.
Wat ik nog moet leren: al het andere.

Soms luister ik naar Bob Ross of blader ik op aanraden van mijn artistieke zus door David Hockney, A Chronology. Tigrou blijkt een topmodel en Thibault eveneens wanneer hij onderuitgezakt schaakt op zijn telefoon en met een ernstige blik naar zijn schermpje staart. Ook de besneeuwde bergdorpen doen het goed. Mijn kist vol avontuur staat wijd open op de kamervloer en zolang ze daar de passage blokkeert, valt de hele wereld eventueel te schilderen.

Met eindeloos veel dank aan de bron van de olieverf.

p.s. Tips zijn errrrggg welkom.

De veel te lange buurman en zijn AX.
Oké, haar hoofd was niet zo groot en haar billen eigenlijk ook niet. Of misschien haar middel niet zo klein. Tsja. Is dus nog niet af.
Schaken in Refuge Adele Planchard. Mijn eerste live-schets ooit. Snapte niets van het perspectief en die vent bleef maar bewegen.
Met mijn zus aan de telefoon. Parfum verdwaald.
Ruby op een Sneeuwluipaard (allez, on engage)
Werkplek en nieuwe plant.
Kim & Eric. In de maak.
Miauw.
Sjaak en Sjef
Jurk van Reformation, veel te mooi maar veel te duur. Dan maar als schilderoefening gebruiken.
Madame Adele Planchard zelf. Ze keek in het echt veel pittiger. Was denk ik een pittige dame.
Gezellige man uit een verjaard tijdschrift en pan met gesmolten sneeuw.

Taart

Een van de jongens van de CRET wordt midden in de week vader van een tweede dochtertje. Ik mag zijn plek overnemen en ski voor twee laatste dagen mee met de groep. Het is zo’n buitenkans dat ik alleen maar kan genieten. Zelfs mijn ski’s voelen zich bevrijd. Twee dagen lang klopt elk detail binnen mijn leven. De bewegingen, het wit. De examens verdwijnen ver naar de achtergrond en het enige wat ik eventueel nog wil, is laten zien aan mijn opleiders dat ik goed kan skiën. Zij hebben me immers onder hun vleugels gehad sinds ik kwam aanglijden in pizzapunt, geen woord Frans dat uit mijn mond kwam.

Nu voel ik me een skiër, een van hen. Niet zo snel, niet zo technisch, maar op mijn plek.

Voor het eerst wil ik niet dat het over is. Ik zou alles weer opnieuw doen. Bij het afscheid weet ik niet zo goed wat ik tegen mijn opleiders moet zeggen om mijn dankbaarheid te uiten. Wat ze me gegeven hebben is veel groter dan een eventueel ticket naar de ENSA. Ze hebben geen idee, ik bevat het zelf nauwelijks. Ik voel me in betoverde harmonie met de wereld die ik vijf jaar geleden voor het eerst binnenliep, die witte wereld waar ik op de een of andere manier vandaan leek te komen. Ik ben eindelijk thuis. Maar tegenover me staat een stel bergmannen waartegen ik dit soort geromantiseerde taal niet durf uit te slaan. Ik neem het grootste deel van mijn dankbaarheid daarom mee terug naar Briançon, waar ik moe en zielsgelukkig op de bank neerplof en dit verhaal schrijf. 

Misschien moet ik maar een taart voor ze bakken.


‘Mittenwald’ door Jaap de Witte

Mittenwald, 1 augustus 2020. Het is één van die paradoxale, bevreemdende dagen. De temperatuur tikt net de 32 graden aan, de lucht is strakblauw met één bijdehand, voorbijdrijvend schapenwolkje en in de verte hoor je het zachte getik en gekletter van wandelstokken in de hoofdstraat. Het Karwendelgebergte torent, vastgeketend in de tijd, boven het Beierse bergdorp uit. Geraniums hangen in bonte kleuren over balkons en Maria’s waken trouw over straathoeken. Er is niets aan de hand. De toeristen zijn toeristen, de bewoners zijn de bewoners en Bertha nr. 36 staat in de dorpsweide, waar ze al vijf jaar staat – zo blij als een ei. Alles is zoals het was en zoals het is. Maar het is niet zoals het is. In Mittenwald hangt de sfeer van een groot geheim. Een verstikkend, duister geheim, waar niemand het over heeft. Een omertà dat ieders leven beheerst. Soms prikt dat geheim door alle sereniteit. Dan beukt het geheim met alle macht door het zomergevoel en slaat het de zomerdroom aan gort. Je grijpt in je broekzak om je pinpas te pakken en je voelt met je vingertoppen een in elkaar gefrommeld mondkapje. Het valt opeens op dat het kindje Jezus naast de kerk wordt vergezeld door een literverpakking Dettol. Je ziet de kasseien van de hoofdstraat beplakt met allerlei strepen en slierten tape. Als een soort moderne archeoloog kan je plots aan de slijtage van de strepen zien wanneer er werd versoepeld en wanneer er werd verstrengd. Maatregelen, lockdowns, pandemie, corona. Mittenwald schreeuwt de pandemie opeens uit. Je denkt aan een vleermuis, Wuhan, Bergamo, Valencia, New York en Manaus. Hartverscheurende ellende en onmenselijk drama. Onheilspellende grafieken en depressieve tabellen. Die ietwat te amicale kroeg in Hillegom die je eigen veiligheidsregio in lockdown leek te zetten, nét voordat je de ICE instapte naar dit Beierse dorp. Je eigen veiligheidsregio, die plotsklaps ook een soort derde identiteit van je werd. Jij als Hollands-Middenaar, met die malle kroeg in Hillegom. Maar dan, dan komt plots het zomergevoel weer over je heen. Je haalt je hand uit je broekzak, je geeft mini-Jezus een ontsmet groetje en je slaat een lieflijk zijstraatje in. Geen borden, geen strepen, geen afrasteringen en geen Dettol. Je wandelt het dorp uit en komt een ruziënd Brabants gezin tegen met twee verveelde pubers en een moeder die alles wel héél erg hoog vindt. Een wat ouder heerschap heeft oorlog met z’n afritsbroek. Iemand probeert verwoed Bertha nr. 37 te instagrammen. Almen, dennenbomen. Je wandelt verder en passeert trailrunners en allerlei ander grut in sportieve uitdossingen. Je ademt de zomer in en glundert. De berghut komt in zicht. Wanden van kwarts, bergmarmotten, bergbeekjes en gentianen. De Zugspitze doemt op. De Tiroler Alpen openen zich. Nog één bocht en dan kan je genieten van een teug skiwasser. Daar is de hut. Verweerde luiken, wapperende lakens en die typische geur; het plaatje is compleet. Je ziet een bordje – handgeschreven. Je kijkt wat scherper en leest: “Maskenpflicht auf der Terrasse!”

Mijn broer schrijft momenteel aan een boek waarin hij de lezer mee zal nemen op een historische reis langs twaalf ooit (!) kleine bergdorpjes (Chamonix, Ischgl, Sankt Moritz etc.). Voor het boek zelf moeten we nog even geduld hebben, maar hopelijk lekt er nu en dan een verhaal uit naar mijn blog