Latest Posts

Vrij verticaal territorium

Tijdens de vorige confinement, toen de politie zo’n beetje achter elk bosje school en we als schimmen door de vallei slopen, nam Thibault een boor mee naar een verborgen stuk rots in de bergen en opende daar vier sportklimroutes. Hij noemde het geheime klimgebiedje ‘Wuhan’.

We spraken er niet al te veel over omdat het virus voor geen meter te vertrouwen viel, noch het beleid van de Franse regering, en profiteren nu dagelijks van ons vrije verticale territorium, waar we rustig kunnen blijven trainen zonder constant om ons heen te kijken of onze oren te spitsen uit angst voor de spontane opkomst van de politie (en de 135 euro boete maal twee).

Professionele sporters, en dus ook berggidsen en sportklimgidsen (in opleiding), hebben allemaal het recht behouden om te trainen, maar wij (examenkandidaten) zitten als vanouds gebonden aan de kilometerzone. Daarom hang ik zonder al te veel gewetensbezwaren aan onze verborgen rots. We hebben onze training misschien nog wel harder nodig dan zij die reeds professioneel zijn.

Jammer is echter dat Wuhan in de schaduw ligt en we steeds dieper in de herfst duiken, waardoor zowel mijn tenen als vingers dikwijls gevoelloos aan mijn lichaam bungelen. Daarbij gaf de rots geen grepen voor opwarmroutes en brokkelt er hier en daar nog weleens een greepje af. ‘Training’ in dagen van confinement geeft tevens steevast een mentale expeditie van een uur of drie, waarna ik me met een kop thee in een deken rol en mijn uiterste ledenmaten ritueel om vergeving vraag.

Interessant is het echter wél, dat kleine klimgebiedje daarboven. Niet alleen omdat de route soms spontaan veranderd (hier zat aanvankelijk toch een voettreetje?) maar ook omdat ik voor het eerst werkelijk ervaar dat al die sportklimroutes menselijke creaties zijn. Die van Thibault, dit keer. Het contact met de rots voelt daarom puur. Geen historie komt ertussen, geen waardering, geen lijn in de topo noch geblaat van andere klimmers. Er is slechts rots, en dan die enkele gek die erover naar boven probeert te kruipen.

Maar als straks de eerste sneeuw valt is het frisse feest van Wuhan over. Wat er vervolgens met ons gebeurd is aan het virus en Macron om te bepalen. Misschien moeten we in egaal witte pakken op zoek naar een geheime berg om ons voor te bereiden op een eventueel ski-examen, ons klimniveau dat integraal af zal hangen van een oefenbalkje in de slaapkamer.

We weten het echter niet. Zoals niemand niet.

Namasté en dus: een bosje bloemen (of niet)



Toen het zo’n jaar geleden tot me doordrong dat bosjes bloemen op hetzelfde lijstje staan als vliegreizen, spuitdeo en bananen, voelde ik de drang om de wereld dan maar gewoon te laten exploderen. Bosjes bloemen wil ik eigenlijk niet opgeven (net als bananen overigens), ze maken de meest grimmige woonkamers immers fleurig en ik voel me zo’n tien graden gelukkiger als ik ’s ochtends de keuken inloop en er een gezond boeket op tafel staat. Wat overigens hier in La Vachette nog geen twee keer gebeurd is. Niemand koopt hier bloemen.

Tenzij er een goede reden voor is natuurlijk, zoals het klimmen van een 7A+, het volgende trapje op de ladder naar de 8A.

Vlak naast de weg tussen Briançon en Col de Lauteret ligt een klimgebied, pal tegenover Les Écrins, in zeer nabij gezelschap van de Les Agneaux (3600m). Zo vlak naast het asfalt van een grote weg lijkt Rocher Maubert geen uitnodigend gebied, maar de auto’s rijden net ver genoeg onder het uitzicht door, en de routes van zo’n veertig meter lang geven veel van mijn favoriete verticale wandelingen. De eerste acht meters hangen over, en de rest speelt zich vaak af op lange technische platen met net genoeg reliëf. De gradaties liggen grotendeels tussen de 6c en 7c en er zijn een hele hoop van (ik ben er voorlopig niet uitgeklommen).

Mijn 7A+ heet Namasté en ondanks het feit dat ze een klein beetje ‘bij elkaar geklust’ is (zo’n viertal greepjes werd niet helemaal gevormd door moeder natuur), vind ik haar altijd fantastisch om te klimmen. De bewegingen zijn soms best uitdagend, fysiek en dan weer technisch, vaak even zoeken, maar er zitten zulke goede rustmomenten in de route dat je er al snel twintig minuten in blijft rondhangen (en onderwijl kunt nadenken over vreemde zaken zoals de mogelijkheid om een pratende (roze) berggeit naast je standplaats te vinden). Tegen het einde wacht bovendien een aantal dynamische passen waarbij ’t voelt alsof je bouldert op vijfendertig meter hoogte (best indrukwekkend).

In alle eerlijkheid ligt Namasté net als Extazie Mysterious in het rijk der cadeautjes en heb ik eigenlijk niet zoveel noemenswaardigs geleerd tijdens mijn beklimming, maar iets verder op de weg naar 8A zal ik genoeg mentale en fysieke materie tegenkomen om een hele herfst uitgebreid op te kunnen kluiven.

Is de beklimming echter een bosje bloemen waard? Ik zou er natuurlijk een paar in ’t wild kunnen plukken, maar vanwege de droogte wil ik de overgebleven bloeiende krijgers liever niet uit de grond trekken. Bloemen kopen voelt daardoor eigenlijk nog vele malen kwalijker, dus neem ik als cadeau voor het klimmen van mijn 7A+ maar mijn door omstandigheden groeiende waardering voor wat er buiten alsnog groeit en bloeit. Dat geeft natuurlijk lang niet de vreugde van ’t bosje op de keukentafel, maar tussen alle concessies die ik duidelijk nog niet bereid ben om te maken voor een wereld die misschien wat minder opwarmt en uitdroogt, was dit eigenlijk wel een makkelijke.

Deze blog schreef ik ruim een maand geleden. Inmiddels heeft het vrij vaak geregend en ziet alles weer – halleluja – groen. Groen én een beetje geel en rood, want de herfst staat voor de deur!

Kapotte bergen




‘En dan zitten zij gewoon met hun bootje in ’t gesmolten gletsjerwater te spatteren!’ roept mijn buurman verontwaardigd uit. We komen elkaar tegen vanwege de honden, nog voor zeven uur ’s ochtends. De zon schijnt slechts op de toppen van de bergen aan de overkant, dagen zijn eindelijk wat korter. Het is bijna fris. Alhoewel ik nog steeds met tegenzin mijn bed uitstap zodra mijn pup ‘s morgens trappelt, letterlijk trappelt om naar buiten te mogen, is het toch mijn favoriete moment van de dag geworden. Daarom heb ik geprobeerd om aan een gesprek met de buurman te ontkomen door snel een bospaadje in te slaan, maar onze honden vonden elkaar toch. Sociale dieren.

Er is overigens niets mis met mijn buurman, maar de ochtend heb ik afgelopen maanden geleerd in stilte te delen met de natuur, het vroege licht tussen de bomen, de dauw boven de velden, mijn pup die in de rivier duikt en daarna een veel te grote stok naar huis probeert te slepen.

Aan de rivier als gesmolten gletsjerwater heb ik nooit gedacht. Als een mengsel tussen regenwater en gesmolten sneeuw misschien, maar wanneer alle sneeuw reeds gesmolten is (of nooit gevallen) en er nauwelijks een druppel vocht uit de lucht komt, zal ze wel uit gletsjerwater bestaan. Ik zie de rivier even vuurrood voor me, als het stromende bloed van bergen opengereten door de hitte van een veranderend klimaat, waar kajakkers en rafters met sadistisch plezier in rondvaren. En toch neem ik ze het niet kwalijk zoals mijn buurman. Hij is immers bergliefhebber en loopt zoals ik over de morenen van gletsjers die eens waren. We spelen allemaal met kapotte bergen.

Zijn hond is recent aangereden door een auto, dus heel ver lopen we niet samen op. Dan rits ik mijn vest wat hoger dicht en is mijn wandeling weer van mij. Omdat ik zo vroeg in de ochtend nog niet helemaal wakker ben, laat ik me gemakkelijk meeslepen tot bij de rivier. Even raak ik de gletsjers aan, koud, helderblauw, tot ze voorbijglijden en Squeeze me vragend aankijkt.

Of ik nu eindelijk een stok in het water wil gooien.

Extazic Mysterious en dus: bolletjes wol


Ik waarschuw: dit is een blog die afschuwelijk saai kan zijn voor niet-klimmers (misschien ook voor klimmers, in dat geval excuseer ik me voor mijn publicatie).  

Een tijdje geleden schreef ik over mijn enigszins waanzinnige doelstelling om een 8a uit te klimmen vóór de eerste sneeuwval, met behulp van een beloningssysteem vol bosjes bloemen en een bloemenjurk als hoofdprijs.

Vandaag wil ik het hebben over mijn eerste stapje in de richting van deze 8a: mijn beklimming van een 7a en de bolletjes wol die ik daarom mocht aanschaffen.

Vlakbij mijn huis ligt Rocher de l’Ombre, ‘de schaduwrots’, een klimgebied dat zo’n vier jaar geleden werd geopend door een lokale boomlange zestiger genaamd Fred, twee blauwe ogen fel als gletsjerlicht en schouders van zo’n meter breed. Zoals vaak bij de opening van nieuwe gebiedjes, waren de waarderingen van de routes aanvankelijk nog een beetje willekeurig; de 7b die bijvoorbeeld over een lange gele wand omhoog kroop, voelde meer als een vriendelijke 7a en zou ook als zodanig in het klimgidsje terecht komen.

Inmiddels denkt men eerder aan een 6c+. Maar over die gedachte doe ik verder niet moeilijk: mijn trouw aan waarderingen uit het klimgidsje is met de jaren gegroeid en vriendelijke 7a’s zijn voor mij nog steeds 7a. Er zijn nu eenmaal cadeautjes en er zijn routes die je een flinke klap op de billen geven. Deze route was een cadeautje. Ze heette Extazic Mysterious en ik had haar bovendien in het verleden al meerdere malen uitgeklommen.

En toch werd ik bijzonder blij van mijn prestatie toen ik begin deze lente het touw in het laatste setje van de route klipte, want op de een of andere manier was mijn ‘mentaal’ de winter ongeschonden doorgekomen. Ik was net zo bang geweest, en net zo niet-bang, als toen ik het klimseizoen begin december beëindigde. En dat heb ik nog nooit gehad.

Normaal gesproken verliest mijn hoofd ’s winters net zoveel kracht als mijn voorarmen, waardoor ik er misschien wel twee maanden over doe om weer de mentale flexibiliteit te ontwikkelen die me toestaat om gemakkelijk boven de laatste haak uit te klimmen en rustig te blijven als het echt een beetje spannend wordt. Natuurlijk is het ontzettend prettig om de draad zo gemakkelijk weer op te pakken, maar toch zou ik graag weten wat ertoe heeft bijgedragen dat mijn angst-regulatiecentrum begin dit seizoen al naar verlangen functioneerde (met betrekking tot voorklimmen en tradklimmen, dat moet ik er wel bijzeggen, want in de bergen ben ik vooralsnog zo bang als een kip in confrontatie met een slapende wolf die al twee weken niet gegeten heeft. Ik denk niet dat dat nog goedkomt, tenzij iemand de wolf aan een ketting legt, maar dat gun ik de wolf eigenlijk ook weer niet).

En in alle eerlijkheid: het voelt voltrekt willekeurig. Ik ben groot voorstander van mentale training in de context van klimmen en denk dat je er mijlenver mee komt, maar in mijn geval moet ik, of moet mijn brein, blijkbaar soms ook gewoon een beetje geluk hebben. In elk geval werkt ‘t ontnuchterend: mijn mentale sterkte of zwakte heb ik niet (slechts) aan mijn mentale training te danken, noch aan mijzelf als sterk of zwak mens, maar ondertussen ook gewoon aan de wind, het seizoen, de manier waarop ik ’s ochtends wakker word. Dat moet ik mezelf ook maar wijsmaken als ik straks weer in een mentaal mindere periode zit, zodat ik mezelf geen geweld aan doe wat betreft langdurige trilsessies boven de haak (jezelf geweld aan doen is overigens zelden een goed idee).

Over de bolletjes wol die ik vanwege mijn prestatie heb mogen inslaan, die zijn lichtroze en lichtblauw van kleur, zacht als de buik van een babyalpaca (alhoewel er gelukkig geen babyalpaca aan te pas is gekomen) en bestemd voor mijn eerste kabeltrui. Ik heb nog niet het breiniveau voor een kabeltrui, de temperatuur moet er bovendien nog significant voor dalen, maar ik zal de bolletjes op mijn nachtkastje leggen en ze af en toe aaien met mijn ruwe klimmershanden.

Gratis reclame voor We Are Knitters. Hun bolletjes zijn duur maar heel zacht en heel mooi (wat is dat toch met bolletjes wol?) en duurzaam geproduceerd (in zoverre ik de moeite heb genomen om dat na te gaan: de sustainability pagina van hun eigen site). De schapen zijn echter Frans noch Europees en hun wol is via de post bij me binnengekomen. Wol gedumpt bij de tweedehandswinkel voor 1 euro per zak (van overleden betovergrootouders, kan ik me zo voorstellen) blijft natuurlijk de meest duurzame optie en is ook echt leuk om mee te werken, maar soms… wil je gewoon vijf bolletjes zachte Skylovers wol. Geen excuus.

Doe maar kort


Ik heb wel eens horen zeggen dat, als iemand eindelijk over de break-up met een ex heen is, men dit kan zien aan het feit dat de gedumpte in kwestie naar de kapper is geweest. Vlak na mijn scheiding met mijn berggidsfantasie, vroeg ik me af of je met een radicaal nieuw kapsel ook het voltooien van het verwerkingsproces kon afdwingen. Dat je zeg maar direct naar de kapper sprint nadat je vriendje lief gepassioneerd zag zoenen met de buurvrouw in het halletje, en daarna kort gewiekt en koeltjes doorgaat met je leven.

Om dit te testen zat ik nog geen week na de examens bij de kapper en zei ik tegen haar: doe maar kort. Ze pakte de tondeuse, hield mijn paardenstaart op spanning en bewoog er zo doorheen. ‘Wil je hem hebben?’ vroeg ze terwijl ze het troosteloze ding boven mijn gezicht liet bungelen.
‘Nee, houd hem maar’, antwoordde ik.

Even later voelde ik onwennig aan mijn haarpunten, die vlak onder mijn oren wapperend mijn nieuwe ‘ik’ aankondigden, en zocht naar mijn reflectie in de vitrines van het winkelcentrum om te bedenken wat ik er eigenlijk van vond.

‘Je lijkt op een bezem’, zei Thibault de volgende morgen, nadat ik mijn korte coupe had uitgekamd en mijn haar nogal was uitgezet. Ik vond het zelf meer op een plumeau lijken, maar het was anders en het voelde anders en daar ging het om.

Nu, heeft het gewerkt?

Het is lastig om de impact van de plumeau te onderscheiden van de impact van tijd, maar drie weken na mijn keuze om te stoppen bij de ENSA voel ik me eigenlijk, op wat flinke ups en downs na, best wel goed. Ik begin langzaam nieuwe ideeën te vormen over mijn toekomst en kan ook vrede sluiten met het toekomstscenario dat ik aan de kant heb gezet. Het ging gewoon niet langer, dat zie ik ook wel in. Bovendien reageerde een vriendin van me nogal verbaasd op de dramatische aankondiging van mijn beslissing, die zei: maar Ruby, die opleiding loopt toch niet weg? En daar had ze gelijk in. Als uiteindelijk blijkt dat ik niet zonder een bestaan als berggids kan en ook ’t risico weer voor lief wil én kan nemen, dan weet ik waar ik moet zijn.

Natuurlijk blijft het een beetje lastig om vrienden in opleiding te zien gaan, terwijl ik zelf weer voor baantjes in de kroeg moet solliciteren, maar ik probeer mijn oog op mijn nieuwe plannen gericht te houden en in alle eerlijkheid, uiteindelijk ben ik toch wel een vis, en de kroeg is toch wel mijn water.  

Daarbij behoud ik altijd een gezonde dosis aan malle ambities waarin ik me ten volste kan verliezen, dus wil ik nog steeds schrijfster worden, en zelfs zangeres van eigen nummers, al ben ik als de dood om daadwerkelijk ergens op te treden en heb ik mijn eerste nummer nog niet geschreven.

Als ik overigens mijn haar niet kam, dan lijk ik al een beetje op een rockster. Als ik er een stijltang langs haal, op een schooljuf. Misschien knip ik er de volgende keer nog meer vanaf en ga ik voor een jongenskapsel. Ik twijfel nu al of ik ’t niet integraal hoogblond moet verven, of vuurrood. De opties zijn eindeloos.

‘Nee’, zei ik



Toen ik de afgelopen week met mijn touwgroep voor een berg stond, en mijn examinator vroeg of ik met hen meeging in de route, zei ik ‘nee’.

Die ‘nee’ was natuurlijk al drie jaar in de maak, wat op dit moment behoorlijk moeilijk is om in te zien. Het voelt alsof ik naar het raam ben gelopen, mijn hand heb geopend, mijn allergrootste droom eruit heb laten glijden en daarna simpelweg heb toegekeken hoe het ding in slow motion naar beneden viel.

Ik kan hem eigenlijk nog steeds zien vallen.

Weer eens wens ik de afgelopen dagen gewoon niet beleefd te hebben, zoals ik dat ook wenste na het ongeluk. Of ik niet gewoon wakker kan worden, drie dagen terug?

Het was waarschijnlijk precies hetzelfde gelopen.

Ik ben nu eenmaal al drie jaar lang bang. De aap, ben ik die angst afgelopen weken gaan noemen, en die zat zowel in mijn hoofd als in mijn maag.

Uiteindelijk heb ik denk ik nooit begrepen waarom Céline en Elise werden meegezeuld en ik niet, het ging om een fout die spoedig zou worden hersteld, zo stond het vastgelegd in heel mijn wezen. Zodra ik een stap op een flank zette, bood ik de gelegenheid aan vallende rotsen om mij, Ruby, dat derde meisje, nu eindelijk ook eens naar de diepte mee te sleuren. En als ze mij niet konden hebben, dan zouden ze voor mijn tochtenpartners gaan, of voor mijn klimmende geliefden.

Mijn god, hoe ik heb geprobeerd ‘t allemaal te overwinnen.

Het is niet gelukt.

Nu zit ik hier met een nijpend besef van hoe dichtbij ik was, hoe sterk en vrij ik me daarboven eens voelde, hoe mooi het beroep zou zijn geweest. Ik merk bovendien dat de aap na zijn geslaagde sabotagepoging meteen op vakantie is gegaan. Ik, bang in de bergen? Waarvoor eigenlijk? Mijn armen zijn gespierd en mijn longen gigantisch, en ik heb geen idee wat ik er nog mee moet. Verkopen, misschien. Ik heb bovendien bergervaring en nu de aap weg is, kan ik de rest van mijn mentaal voor een goede prijs op de markt zetten. Die deed het verdomde goed dit jaar.

Het doet pijn. Oh, wat doet het pijn.

Ik geef mezelf nog tot het einde van deze week om te zwelgen in zelfmedelijden, pas maandag dwing ik me tot het opbrengen van begrip voor de keuze die ik afgelopen dinsdag maakte, en het relativeren van mijn ongelukkigheden. Tot die tijd hoop ik intens dat iemand met een flinke bulldozer over de bergen heen walst zodat ik in de toekomst nooit meer met mijn oude droom geconfronteerd hoef te worden.

Hulpjes in de ijssalon

Ze zeggen dat de rivier nu al zo laag staat dat professionele kajakkers zenuwachtig beginnen te worden. Hun klanten zullen komend zomerseizoen de boot zelf over het droge rivierbed moeten slepen. Misschien dat er dan ergens nog een plasje ligt zodat ze er toch even in kunnen zitten, in die kajak, voor de foto.

Een winter die het vrij volledig aflaat om een dikke witte laag over de bergen heen te leggen, heeft een droge zomer tot gevolg. Wie voedt immers de rivieren? Niet de hitte die momenteel aan de bergen en dalen plakt, aan onze armen en benen. Bergtoeristen moeten zeer binnenkort hun favoriete hoge bergen beklimmen, want in het hoogseizoen is het beetje sneeuw daarboven reeds gesmolten. Dan lopen de normaalwegen langs blauw ijs of stapels wankele stenen.

Misschien kunnen professionele kajakkers en berggidsen deze zomer terecht als hulpjes in de ijssalon van Briançon. Ik vermoed dat er heel wat ijsjes zullen worden verkocht.

Ik neem natuulijk elke kans waar om foto’s van de pup te publiceren. Hij is namelijk zo schattig, en daar ben ik dan weer trots op, hoewel zijn schattigheid natuurlijk op geen enkele manier mijn verdienste is. Hoe dan ook, om toch de link naar het verhaal te leggen, Squeeze springt momenteel elke dag weer dankbaar in het water van La Clarée. Nu ‘t relatief laag staat, loopt íe minder risico om meegesleurd te worden. Das dan wel weer handig. (Ik ben me er overigens van bewust dat Squeeze zelf een opwarmertje is. Hij is één van de drie grote opwarmers die ik mezelf nog (een soort van) vergeef: bergbeklimmen, één (zelfgeproduceert) kind (in de toekomst) en één pup.)

Bluesy Billie

Billie




Het is eind lente en ik vind mezelf terug in mijn dorp, waar struiken onder het gewicht van rode rozen over de paden buigen en jonge vogels elkaar het nest uit duwen. Of misschien dacht Billie dat ‘ie al kon vliegen en haperden zijn jonge vleugeltjes hoog in de lucht, waardoor hij luttele seconden later voor mijn voeten neerstortte.

Ik dacht dat Billie poten en vleugels gebroken had, hij zag eruit alsof Tigrou hem reeds elk van zijn sadistische kanten getoond had. Dus liep ik er voorbij. En toen liep ik weer terug, want ik kon de natuur zijn gang niet laten gaan, dat was dan weer tegen mijn natuur in.

In de palm van mijn hand klopte het hart van Billie zachtjes. Zijn dons piepte hier en daar nog onder zijn verendek vandaan. Gekke geluiden maakte hij, een soort enthousiast gerasp, bluesy Billie. Toen hij zijn bekje open de lucht in stak, vroeg ik me voor het eerst sinds tijden af wat vogeltjes eigenlijk aten. Insecten, zaden? Het bekje was feloranje aan de binnenkant en leek er diep van overtuigd dat ik wist wat ik erin moest stoppen.

Op het internet suggereerden ze dat ik het lokale noodnummer voor wilde dieren moest bellen. Daar hadden ze meer aan het hoofd dan Billie. Ze zeiden dat mijn vogel beter af was dichtbij zijn moeder, en daar hadden ze natuurlijk gelijk in, wie dacht ik eigenlijk wel dat ik was? Een vogel?

Ik hing hem in een doos aan een boom en keek urenlang of iemand hem kwam voeden. Het zong overal hoog in de bomen, er klonken wel honderd moeders en vaders van Billie in het bos en Billie zelf tjilpte krakend de longen uit het lijf. Maar niemand leek hem te horen. Ik ging toch maar even langs de boswachter voor advies. ‘Nee joh, zodra zo’n vogeltje uit ’t nest valt, trekt moeder haar pootjes ervan af. Voed hem tot hij wegvliegt.’

Dat klonk wel te doen.

‘Het is een zanglijster’, zei een vriendinnetje op basis van een foto die ik stuurde via whatsapp. En, zo herhaalde de buurman, het belangrijkste was dat ‘ie genoeg dronk. Vaak stierven zulke vogeltjes aan uitdroging.

Met een pipetje waarmee ik Tigrou eens medicijnen had gegeven, gaf ik Billie toen te drinken. De dierenhandel verkocht me insectenprut dat ik met een pincet in zijn oranje bekje liet vallen. Het werd de meest intieme ontmoeting met moeder natuur die ik ooit had gehad, Billie en zijn oranje bekje, de geur van gras in een doos en onhandig getjilp dat door de gaten naar buiten kwam. Goedemorgen, Billie. Slaap lekker, Billie.

Hij dronk en at gulzig en maakte een hoop lawaai, ‘oefende met zingen’, zei mijn moeder, die op hem paste wanneer wij de deur uit waren.

Toen ik met Thibault ging klimmen in Italië liet ik haar vijf dagen achter met een pup, een kat én een babyvogel.

Billie probeerde toen al zo nu en dan een soort van te vliegen, maar hij kon op geen enkele poot staan en zijn vleugels klapten hard tegen de bodem van de doos. Hij leek behoorlijk onhandig. Zoals elke babyvogel, misschien.

Op de derde dag van mijn trip, toen ik vroeg hoe het ging thuis, kreeg ik het volgende berichtje van mijn moeder:

Ja hoor prima. Billie is wel naar de vogelhemel. Zelf gegaan gelukkig, maandag al. Hij bleef motorisch een ramp, viel steeds om, was dus vast niet goed gekomen. Waarschijnlijk daarom ook uit het nestje gevallen. Heb hem samen met Squeeze een plekje bij zijn vrienden in het bos gegeven. Hoop dat jullie het fijn hebben.

Toen het lijfje niet kon vliegen, vloog zijn zieltje er vandoor. Nu hoor ik hem overal in het bos. Hij zingt inmiddels behoorlijk goed. 



Dit was Billie’s doos. Misschien niet de beste keuze. Toch ook wel weer grappig.

Aarden



De paden tussen de huizen van mijn bergdorp staan vol met paardenbloemen. Pissenlit heten die dingen, zo heeft mijn zojuist geïmmigreerde moeder inmiddels geleerd.

De fanatieke buurman met de maaimachine zit tijdelijk in Bretagne, waardoor het gras inmiddels halverwege de kuiten komt. Ik zou het zelf ongegeneerd tot een jungle laten uitgroeien, al is het maar omdat onze pup er zo blij van wordt. Maar wanneer je even de moeite neemt om langs de vergroeide schuren en golvende dakplaten te kijken, de loshangende goten en de rommel van hoe-heet-hij-ook-alweer, en een blik werpt op de kleine maar met zorg onderhouden groentetuinen en bloemenperkjes, merk je dat er toch geciviliseerde kanten aan het dorp zitten. Ze maken er werk van, mijn dorpsgenoten, al weet ik nooit precies wie van welk tuintje, want de verdeling van grond is nogal onduidelijk.

Het gras van Squeeze gaat er hoe dan ook van af.

Zowel mijn moeder als de pup zijn echter met enthousiasme door het dorp ontvangen. Squeeze kwam aan als schattige bol dons op vier onhandige poten en slingerde zich zodoende zelfs een weg naar het hart van de teruggetrokken overbuurvrouw, die een uitgesproken hekel heeft aan hondenpoep (ik neem uit voorzorg altijd een voor poeptransport bestemde pollepel mee).

Mijn moeder wordt ondertussen zoveel mee uit wandelen gevraagd dat ze nauwelijks de tijd heeft om zich als Hollandse tussen de Fransen een klein beetje fatsoenlijk verloren te voelen. Ik weet niet hoe bergbewoners zich doorgaans tot gepensioneerde Hollandse dames verhouden, maar mijn dorp lijkt zo blij met haar komst als Squeeze met zijn nieuwe piepende groene bal uit de Carrefour. De ene neemt haar mee omhoog naar verre flanken en bossen en leert haar geduldig nieuwe woorden, zoals coclico of mélèze, de ander sleept haar langs de rivier en roddelt honderduit, zonder zich ook maar een moment te generen voor het feit dat mijn moeder steeds glaziger kijkt en al na een kwart van de wandeling zichtbaar afhaakt. Op taalgebied dan, want haar Hollandse benen kunnen de bergen makkelijk aan.

Een van de vele leuke kanten van haar komst is dat ik weer even met Hollandse ogen naar mijn eigen dorp kijk, en me opnieuw bewust word van de nabijheid van de bergen en de natuur, de rustieke Franse chaos en ook zeker de exotische gewoontes van mijn buren, mijn ‘eigen’ Fransman en inmiddels zelfs een beetje van mijzelf. Het is nu eenmaal behoorlijk Frans hier. Hoe Frans precies, dat laat ik mijn moeder in een eigen verhaal uitleggen, want hoe druk ze het ook met wandelen heeft, ik wacht met ongeduld op haar beschrijving en beleving van het leven in La Vachette.

Maar om toch vast een tipje van de sluier te lichten: ’s middags eet men hier warm (inkoppertje), brood komt van de bakker en vlees van de slager en wijn uit de cave (niet de supermarkt), bij de ratatouille gooi je geen wortel (hoe durf je!), gepasteuriseerde kaas is geen kaas en mocht je je afvragen waarom het alleen maar over eten gaat, dan zou ik zeggen: welkom in Frankrijk.

Natuurlijk zijn mijn moeder en ik ook een tuintje begonnen, zo ergens tussen al het gras en de paardenbloemen in, en graaft Squeeze er meteen uit wat wij erin stoppen. Hij doet dat zo passievol dat het toch moeilijk is om hem te corrigeren. Af en toe komen de dorpsbewoners langs en geven ze ons tips, over de opvoeding van de pup (geef hem eens een goede klap) of over de groentetuin, waardoor we onze zaadjes netjes na de 15e van mei in de grond hebben gestopt en binnenkort naar de vlooienmarkt gaan voor zware stenen bloempotten, omdat plastic potten in La Vachette om schijnen te waaien.

Ik ben heel benieuwd hoe ’t hier allemaal zal aarden. Vrij goed, is mijn vermoeden. 

Ik heb veel te weinig foto’s gemaakt van mijn moeder en de pup samen. Een fotoserie die dus nog zal komen. Voor nu: DE PUP

Het kleine huis is enorm    

 

Hoe is het mogelijk?

Samen met Fieke en mijn moeder zit ik in de auto op weg naar de Drôme, Fieke terug naar huis, wij op bezoek.

Soms lijk ik het leven niet helemaal bij te kunnen benen. Alsof Fieke en ik gisteren nog toevallig zij aan zij op een tafel in de klimhal van Amsterdam zaten en in gesprek raakten, een van de meest fortuinlijke momenten uit mijn leven.

En die moeder dan?

Gepensioneerde juf test (wederom) het leven in Frankrijk, huurt het appartement onder het mijne en stapt nu, onverschrokken en enthousiast, bij ons in de auto. Die auto is klein en rood en heeft een gele kentekenplaat, daarmee rijden we kakelend door de bergen, en dan langs velden, bomen en struiken in bloei.

Tussen Briançon en de Drôme hebben ze ’t laten glooien, met het felste groen dat in de lente beschikbaar was. ‘Kijk, hier veranderen de huizen’, zegt Fieke. We rijden langs La Beaume en Luc-en-Diois en Die, om zo tegen de avond in Crest de auto te parkeren. Want daar woont Fieke tegenwoordig.

Mijn moeder en ik lopen gedwee achter Fieke aan, want zonder haar zouden we verdwalen in het labyrint van het dorpscentrum. Smalle, steile straatjes, stenen huizen op en aan elkaar geplakt, rozenstruiken en katten, de rustige ademhaling van een oud maar springlevend dorp. Ik zie mijn moeder kijken. Voor Fieke is het al normaal. We vallen binnen bij haar huisgenoten die toevallig net een traditioneel recept uit de Drôme voorbereiden, de ingewanden van een beest in een saus met aardappelen. Weer zie ik mijn moeder kijken. Hoeveel kost zo’n huis hier eigenlijk?

De volgende morgen is het markt in Crest en we zijn ’t met mijn moeder eens: ’t lijkt wel alsof ze een film opnemen en iedereen die we tegenkomen zorgvuldig is gecast. De grijnzende man met de bos bloemen, het oude vrouwtje met de aardbeien, de kinderen in ogenschijnlijk zelfgemaakte kleding, het gelach boven de kazen, de discussie boven de lavendelzeep, de enorme loslopende hond. We trekken haar aan de mouw het dorp uit.

Want waar het eigenlijk om gaat, is het kleine huis dat Fieke aan het bouwen is. Dat staat in een loods vlakbij, en ik kom er met verbazing achter dat een klein huis net zoiets is als een kleine reus: nog steeds vrij groot (of zeg maar enorm). Voor me staat een solide houten constructie op een zeer lange aanhangwagen, oftewel het geraamte van haar toekomstige woning. Misschien had ik toch een soort poppenkast voor me gezien waar Fieke na voltooiing gestaag in was gekrompen.

Ze lijkt zelf allerminst onder de indruk van de grote en ernst van het gevaarte dat ze tijdens haar korte absentie op poten (wielen) heeft gezet. Sinds wanneer kan Fieke eigenlijk huizen bouwen? Heb ik niet opgelet?

‘Maar ik heb hulp gehad!’ zegt ze. Naar mijn mening ook een enorme bak met durf.

Ze legt ons wat dingen uit (huizenbouwdingen waar alleen huizenbouwmensen verstand van hebben), laat ons kiezen tussen een paar tinten rood voor de buitenkant en wanneer ik foto’s van haar in de loods maak, met de grote gestalte van haar kleine huis op de achtergrond, realiseer ik me hoe goed ze binnen het plaatje past.

Even later rij ik het rode autootje weer weg van de loods, mijn moeder op de stoel naast me en gelukkig maar, want de Drôme had haar zomaar van me kunnen afpakken. Met de loods nog in mijn achteruitkijkspiegel doe ik een verzoek aan het leven: of dat enorme gevaarte, straks blakend en stralend het moderne kleine grote wonder van Fieke, mét Fieke erin, over niet al te lange tijd gewoon weer terug naar de bergen kan rollen?


Kleine huis van de buurman