Latest Posts

Vrij verticaal territorium

Tijdens de vorige confinement, toen de politie zo’n beetje achter elk bosje school en we als schimmen door de vallei slopen, nam Thibault een boor mee naar een verborgen stuk rots in de bergen en opende daar vier sportklimroutes. Hij noemde het geheime klimgebiedje ‘Wuhan’.

We spraken er niet al te veel over omdat het virus voor geen meter te vertrouwen viel, noch het beleid van de Franse regering, en profiteren nu dagelijks van ons vrije verticale territorium, waar we rustig kunnen blijven trainen zonder constant om ons heen te kijken of onze oren te spitsen uit angst voor de spontane opkomst van de politie (en de 135 euro boete maal twee).

Professionele sporters, en dus ook berggidsen en sportklimgidsen (in opleiding), hebben allemaal het recht behouden om te trainen, maar wij (examenkandidaten) zitten als vanouds gebonden aan de kilometerzone. Daarom hang ik zonder al te veel gewetensbezwaren aan onze verborgen rots. We hebben onze training misschien nog wel harder nodig dan zij die reeds professioneel zijn.

Jammer is echter dat Wuhan in de schaduw ligt en we steeds dieper in de herfst duiken, waardoor zowel mijn tenen als vingers dikwijls gevoelloos aan mijn lichaam bungelen. Daarbij gaf de rots geen grepen voor opwarmroutes en brokkelt er hier en daar nog weleens een greepje af. ‘Training’ in dagen van confinement geeft tevens steevast een mentale expeditie van een uur of drie, waarna ik me met een kop thee in een deken rol en mijn uiterste ledenmaten ritueel om vergeving vraag.

Interessant is het echter wél, dat kleine klimgebiedje daarboven. Niet alleen omdat de route soms spontaan veranderd (hier zat aanvankelijk toch een voettreetje?) maar ook omdat ik voor het eerst werkelijk ervaar dat al die sportklimroutes menselijke creaties zijn. Die van Thibault, dit keer. Het contact met de rots voelt daarom puur. Geen historie komt ertussen, geen waardering, geen lijn in de topo noch geblaat van andere klimmers. Er is slechts rots, en dan die enkele gek die erover naar boven probeert te kruipen.

Maar als straks de eerste sneeuw valt is het frisse feest van Wuhan over. Wat er vervolgens met ons gebeurd is aan het virus en Macron om te bepalen. Misschien moeten we in egaal witte pakken op zoek naar een geheime berg om ons voor te bereiden op een eventueel ski-examen, ons klimniveau dat integraal af zal hangen van een oefenbalkje in de slaapkamer.

We weten het echter niet. Zoals niemand niet.

Alpenjongen

Dit is het voorlaatste verhaal over iemand die er niet meer is.

Ik vraag me af of ik misschien over Lele, Marie, Kevin en de overleden man in het station moest schrijven voor ik door kon met andere, luchtige verhalen. Alles gaat goed, hier in La Vachette, maar het afgelopen jaar liep de dood meermaals in en uit. We hebben allemaal denk ik zulk soort jaren, met van die zware thema’s die zich ongevraagd opdringen en waar je het dan maar mee moet doen. Hoe dankbaar ben ik dan dat ik kan schrijven. Al is het maanden later.

Kevin ontmoette ik tijdens mijn tweede jaar CRET, de opleiding hier in Briançon ter voorbereiding op de toelatingsexamens voor de ENSA. Hij had donkere ogen, dik, kortgewiekt zwart haar en een paar flinke tatoeages op zijn arm, maar niet van Lele’s soort. Uitgedachte, moderne tatoeages op een gezonde, bruine huid. Hij was gespierd op de manier waarop Alpenjongens dat zijn: mager en atletisch. In die tijd werd er veel gesproken over lichamen omdat we verklaringen zochten voor ieders capaciteiten in een bepaalde discipline. Skiërs hadden grote onderstellen die niet ideaal waren voor het klimmen. Klimmers, met hun dunne beentjes, konden het moeilijk krijgen op lange afdalingen. Een paar pondjes te veel werd in vele grapjes aangekaart – dat kon allemaal. Maar Kevin had die pondjes niet.

Hij was een machine. Goed in alles, zowel mentaal als fysiek. Militair in zijn organisatie en tot op de nok gevuld met zelfvertrouwen. Mensen konden hem in eerste instantie niet zo aardig vinden, want door een wat on-Franse directheid kon je je afvragen of hij jouw aanwezigheid wel op prijs stelde. Maar vaak moet je mensen gewoon leren kennen.

Over het begin van onze vriendschap heb ik eigenlijk al een keer geschreven. Toen ik net aankwam in Briançon maakten Kevin en zijn beste vriend Fabian deel uit van mijn potentieel nieuwe vriendengroep. Fabian overleed een aantal jaar terug, en hoewel ik toen al lang het contact met hem was verloren, voelde ik de behoefte om te schrijven. Nogmaals: godzijdank kan ik schrijven.

In die beginperiode in Briançon had ik immens geluk en ongeluk. Ongeluk in de zin van ‘het grote ongeluk’ waarbij Elise en Céline zouden vertrekken, maar geluk in de zin dat ik een plekje in een huis aangeboden kreeg vol met dermate lieve, ondersteunende mensen dat het leek alsof God direct een vangnetje voor me spon. Het was ’t soort huis waar plantenstekjes in de vensterbank stonden en genoeg meel, bakpoeder en vanillesuiker in de voorraadkast om spontaan taarten te bakken. Bij de koffie kwam een groot blik tevoorschijn afgevuld met verschillende tabletten chocolade. Ik leerde toen van karamel zeezout.

Een maand later kwam ook Kevin met zijn toenmalige vriendin in het huis wonen. Ik had zelf de ski-examens van de opleiding gefaald en volgde dus niet meer de CRET, maar Kevin zat er middenin. De hele groep jongens van de opleiding kwam wekenlang over de vloer en het was hectisch. Ook zij: Alpenmannen met zelfvertrouwen. Tevens met sterke verhalen, bier, BBQ’s en het goede idee om ’s avonds laat bij iedereen een hanenkam uit te scheren.

Kevin was natuurlijk het type om de examens in één klap te halen, dus was hij plotseling in opleiding tot berggids. Ik vertrok uit het huis om in mijn huidige nest in La Vachette te gaan wonen en Kevin vertrok ook; hij kwam niet veel later terecht in het huis naast ons oude huis. Vijf leuke huisgenoten, een gigantische woonkamer met ski’s bij de ingang, een houten klimmuur hangend aan de trap en een houtkachel waarnaast de hele tijd spelletjes gespeeld moesten worden. Bang, Catan en 30 Minutes. Ik heb nooit zoveel spelletjes gespeeld.

Tijdens Covid openden mijn vriend Thibault en Kevin het verborgen klimgebiedje Wuhan, toevallig hetzelfde gebiedje waar ik Lele ontmoette. Veel hoger in de bergen lag een gigantische rotswand met nog veel meer potentieel, maar daarvoor moest je eerst twee uur aanlopen. Dus verborgen de jongens een drilboor in de bossen en liepen meerdere keren stiekem de bergen in, om ver weg van de beschaving routes te openen op een wand die na Covid ook meteen weer vergeten was. Dit was het type avontuur van Kevin.

Als we samen gingen klimmen, dan was ik altijd een beetje bang niet sterk of stoer genoeg voor hem te zijn, maar ik denk niet dat het hem werkelijk iets kon schelen. Onze karakters hadden niet sterker kunnen contrasteren. En toch hechtte hij zich aan mensen, ook aan mij. Het valt me nu op dat zijn entourage niet altijd helemaal was zoals hij. Hij had wel degelijk een groep vrienden die alleen maar over bergen kon praten, van rotsen afsprong en gevaarlijke dingen beklom; hij sprong zelf ook veel van rotsen. Op een gegeven moment zelfs met wingsuit: gevaarlijker kun je het niet krijgen. Maar er circuleerde een gezonde dosis chaotische, poëtische of zweverige mensen om hem heen. Ruwe bolster, zachte pit.

Op een dag kwam er een nieuw huisgenootje bij hen wonen, een chirurg. Belle. Ze klom slechts een beetje, af en toe, was direct en hilarisch en fan van feministische podcasts. Lang, blond en mooi, maar ook chaotisch en dromerig. Ik was meteen een beetje verliefd op haar. En ik was niet de enige.

Een paar jaar later verhuisden ze samen naar Les Vigneaux om daar opnieuw met veel huisgenoten samen te wonen.

Ik zag het koppel toen een stuk minder omdat er toch een flinke afstand tussen beide dorpen ligt, en vanwege alle drukke maar irreguliere schema’s was het lastig om afspraken te maken. Ik hoop dat het me niet meer overkomt, want daar kan ik nog wel spijt van hebben.

In de vroege lente van 2025 kreeg ik in totaal vijf keer de vrolijke aankondiging dat er een kindje op komst was, waaronder die van Kevin en Belle.

19 juni 2025 zag ik hem voor het eerst, bij toeval, sinds we allemaal wisten dat hij vader zou worden. We parkeerden onze auto’s op dezelfde parkeerplaats. Ik had zin om hem door elkaar te schudden van blijdschap; hij werd bijna een beetje timide van mijn enthousiasme. Toen was hij, even, evenveel stoere bergman als overrompelde jonge jongen. Na afloop zouden we ’t erover hebben, Thibault en ik, dat hij er zo gelukkig uit had gezien.

We beklommen die dag allemaal dezelfde graat, Kevin met een klant, ik met Thibault en een neppe klant. Zijn zelfverzekerde pas was niet veranderd. Ik zag hem verschijnen en verdwijnen op de graat voor ons, zijn okergele broek door het oranje landschap van La Bruyère en de felblauwe hemel boven ons.

Het was interessant om hem als berggids aan de slag te zien; een transformatie voltooid. Omdat Thibault en ik bijna examen hadden voor de alpine module van de Italiaanse gidsenopleiding (ook bij ons had de tijd niet stilgestaan), vroeg ik hem eenmaal op de top om wat advies over kort touw, een techniek die centraal staat binnen het werk als berggids. Hij sprong op en liep de hele top over, beeldde uit wat hij bedoelde. Mijn neppe klant keek hem met grote ogen aan, omdat hij duidelijk niet bang was voor de afgrond. Wat een berggeit, dacht ik toen. Zou ik zelf ook zo worden?

Ik ben dankbaar voor het moment dat we met zijn allen op de top doorbrachten.

Zijn klant was net als hij een basejumper en wilde leren alpineren, zodat hij van hogere bergen af kon springen. De volgende dag planden ze een sprong van een bergpunt vlak naast La Meije. Met de komst van zijn kind nam ik aan dat het basejumpen op een lager pitje was komen te staan. Hij zal het wel onder controle hebben, dacht ik toen. Zoals alles wat hij deed. Een eetafspraak stond eindelijk gepland, en zo zag ik hem de berg aflopen.

De sprong van de volgende morgen zou hij niet overleven.

Ik weet in alle eerlijkheid niet hoe ik over die periode die volgde, moet schrijven. Want hij liet zijn verloofde en kind achter. Een meisje dat de weg naar de wereld nog moest vinden, en daar haar vader, onze Kevin verdomd nog aan toe, nooit zou tegenkomen.

Het huis in Vigneaux liep vol met mensen. Zowel Kevin als Belle hadden veel vrienden. Het was juni en warm en Thibault en ik moesten door met de voorbereiding voor onze examens. We liepen in en uit de bergen en het volle huis, waar veel werd gegeten en zachtjes gelachen. Thibault had zelf zijn vriendin verloren en kon, mede door zijn eigen directheid, snel de weg vinden naar ouders in rouw. Belle stortte zich op de organisatie van de begrafenis en bleek uit ijzer gemaakt. Ze huilde, natuurlijk, maar ze bleef toch echt overeind, creëerde vanuit een soort bovennatuurlijke kracht iets waardevols voor haarzelf en alle anderen, in de dagen die volgden.

De ceremonie van Kevin zou in Ailefroide plaatsvinden, precies waar Thibault en ik ook rondhingen voor onze training. Belle hechtte veel waarde aan de speech die ze zou geven tijdens de ceremonie en wilde dat die perfect verliep; dat ze niet halverwege in huilen zou uitbarsten. Het werd inmiddels duidelijk dat de begrafenis midden in onze examens zou vallen. Zodoende werden we proefkonijnen voor haar toespraak, die ze voor ons hield in de tuin van het hotel waar ze een paar dagen later Kevin zouden vieren. Ik zal het nooit vergeten.

Ze zeiden dat Kevin er mooi uitzag, maar toen we een paar dagen later uit de bergen kwamen, was het net te snel met hem gegaan. Ik had graag afscheid willen nemen.

Op de dag van zijn begrafenis liep ik uren te laat over een losse graat met een opleider die tegen me schreeuwde. Na afloop was ik zo boos dat ik bijna met de opleiding stopte.

Vier maanden later werd Mimi geboren.

Ze heeft de donkere ogen van haar vader, hoe kan het ook anders.

Ik weet nog steeds niet hoe ik mijn gevoelens moet indelen, ten opzichte van Kevin en alles wat hij achterlaat. Laatst stond er iemand in de klimhal die zoveel op hem leek dat ik een milliseconde vergat dat hij dood was, zodat ik even mijn ouderwetse blijheid voelde om hem weer te zien. Met Mimi gaat het gewoon goed, ’t is een gezonde baby met een lieve, intelligente moeder die geschapen lijkt om zulke tegenslag te dragen. We kijken allemaal met verbazing toe. Ze rouwt, ze werkt, ze moedert, ze doet alles en ’t lukt haar zelfs nog om er voor anderen te zijn. Want dat heeft ze nodig, naar eigen zeggen.

Af en toe word ik doodmoe van de dood van jonge, gezonde mensen die zo gepassioneerd zijn voor de bergen dat ze er zomaar hun leven voor laten. Het is elk jaar raak; gelukkig niet altijd zo dichtbij. Maar als ik op een vreemd moment word gebeld door een vriend of vriendin, dan zet ik mezelf schrap. Mensen die al een tijd lang in de berggemeenschap leven, zullen dit ongetwijfeld herkennen. Het hoort erbij. Ik probeer op een andere, open manier naar die overgang van leven naar dood te leren kijken en ’t lukt me steeds beter om het leven zelf te vieren, zolang het er is en zolang het er was. Maar het blijft een zoektocht.

Kevin kon je niet losmaken van de wijze waarop hij in de bergen bestond, hetzij op klimschoentjes, met ijsbijlen of met twee vleugels aan zijn vliegpak. Zoals een berggeit zich in veiligheid brengt op de dunste richels van een rotswand, vond ook Kevin daarboven iets dat hij nodig had. Ik weet niet of het zin heeft om zijn beslissingen verder nog te overdenken, net als de beslissingen van alle andere alpinisten. Het is zoals het is. Beter het leven vieren.

Over een paar weken vindt zijn herdenking plaats en dit keer kunnen Thibault en ik er wel bij zijn. Belle kennende, zal het iets feestelijks worden, midden in de bergen.

Iets waarbij Kevin zelf vrolijk zijn biertje had opengetrokken, met zijn dochter op zijn schoot.

Kun je even vertalen

‘Het is Marie. Kan je aannemen?’

Mijn verantwoordelijke kijkt me aan met een telefoon in haar hand.
‘Natuurlijk.’

Marie coördineert de reddingen in het skistation vanuit ons gebouw. Ze communiceert met hulpzoekenden op de pistes om te weten waar ze zich bevinden, en met de reddingsposten om de pisteurs – de poppetjes die eerste hulp verlenen – de juiste kant op te sturen. Maar ze spreekt niet zo goed Engels en heeft me al een paar keer gevraagd om te vertalen.

Ik krijg de brandweer aan de telefoon (die had de beller ook niet kunnen verstaan) en word doorgeschakeld. Het blijkt een Belg te zijn die hulp zoekt. Hij is samen met een vriend langs een man geskied die uitgestrekt aan de zijkant van de piste ligt.

‘Hij is bewusteloos,’ zegt de Belg.

‘Waar zijn jullie precies?’

‘Na die grote lift vanuit het centrum… Uh… Links. Er staat een bordje met nummer 93 daarzo.’

De Belg klinkt rustig, onbekommerd bijna. Ik vraag om zijn telefoonnummer en geef de informatie door aan Marie: ze zijn langs een bewusteloze man geskied, daar en daar. Omdat ik vergeet het telefoonnummer te noemen, ren ik met mijn post-it naar haar kantoor.

Daar zit ze met de chef van de pisteurs, in het lawaai van walkietalkies en het gekraak van een redding die op gang komt. Zodra ze me ziet, drukt ze de telefoon weer in mijn handen.

Il est inconscient, du coup?’ vraagt ze.

Ik herhaal de vraag aan de Belg en knik.
‘Bewusteloos.’

Ik merk dat ik niet meer nodig ben en glip de ruimte uit.

Even later, terug op mijn bureau, zegt mijn collega dat hij twee pisteurs hoorde praten en dat ze op de piste bezig waren met een reanimatie.

‘Wat!?’ roep ik uit.
Mijn man in de berm werd gereanimeerd?

Weer vijf minuten later gaat de telefoon op mijn post en heb ik Marie weer aan de lijn.

‘De volgende keer moet je vragen of de persoon in kwestie ademt.’

Met stomheid geslagen kijk ik naar mijn verantwoordelijke.

Le gars était en arrêt cardiaque,’ fluister ik terwijl ik ophang.

‘Redt hij het?’

‘Hij is dood.’


In mijn hoofd was het nooit een mogelijkheid geweest dat de man niet ademde toen hij daar voor die Belgen lag. Bewusteloos is niet dood. Maar misschien hadden de Belgen er gewoon niet aan gedacht dat hij misschien niet ademde. En ik had er niet aan gedacht dat mensen er niet aan denken om de ademhaling van een bewusteloos persoon te controleren.

In alle eerlijkheid weet ik niet honderd procent zeker of ik er zelf aan gedacht zou hebben. Ik hoop van wel.

In mijn hoofd was het ook nog niet doorgedrongen dat ik, als vertaler, het eerste echte noodcontact van een hulpbehoevende kon zijn. Daar was ik nooit voor opgeleid. Ik dacht dat Marie me telefoontjes doorgaf voor kleinigheden: telefoonnummers, details die ze niet had begrepen.

Later drong het wel tot me door, en toen dacht ik: dit is gestoord. Als ik zelf het noodnummer bel, hoop ik niet mezelf aan de lijn te krijgen. Wel na opleiding en prakrijkervaring. Niet omdat ik toevallig Engels spreek.

De pisteurs waren snel ter plaatse en hebben alles gedaan wat ze konden om de man terug te brengen. God mag weten hoe lang hij daar al in de berm lag. Mijn rol in het geheel was klein, onbeduidend waarschijnlijk, maar toch blijft het incident me bij.

Ik denk omdat ik besef dat ik faalde op een belangrijk moment en me daar even niet goed over voelde (de man overleed nota bene), terwijl ik tegelijk dondersgoed weet dat het noch mijn schuld, noch mijn verantwoordelijkheid was. Marie zou gewoon Engels moeten spreken. En als ze een beroep op mij willen doen, dan moeten ze me opleiden.

Sindsdien wil ik héél graag adequaat leren reageren op noodsituaties. Het voelt als onbekend terrein waarin ik zonder waarschuwing kan worden losgelaten. Ik ben niet iemand die van nature rustig de controle neemt en instinctief beslissingen maakt. Ik moet echt worden opgeleid en blootgesteld.

Hoe?

Daar moet ik nog iets op vinden.

Goede Lele

Lewis liet zijn racefiets vallen tussen een stel bomen en kwam tevoorschijn met een grote marmot op zijn hoofd. Een muts. Hij was Brits en zijn Brits liet weinig ruimte over voor het Frans, en toch zei hij: Bonjour, je suis Lele. Nice to meet you. We zaten midden in Covid en waren dus verstopt, mijn vriend Thibault, Lele en ik, op weg naar een verborgen klimgebiedje.

Thibault had Lele ontmoet via het internet en al een paar keer met hem geklommen. Kun je niet eens normale mensen ontmoeten, dacht ik toen ik achter de marmottenmuts aanliep. Onze vriendengroep was al een bont, gecompliceerd gezelschap.

Maar Lele had Britse humor vol zelfspot, en na vele jaren in Frankrijk gewoond te hebben was het een verademing om iemand over een wand te zien klimmen die zichzelf niet zo serieus nam. En klimmen, dat kon hij. Bovendien zouden al te normale mensen niet met ons stiekem zijn gaan klimmen, diep in een vochtige vallei gesurveilleerd door helikopters en sneeuwscooters.

Hij zou de jaren daarna op komen dagen, immer op de fiets, in leggings met daarover korte broeken, donsjassen vol tape, verwassen mouwloze T-shirts en nog veel meer rare mutsen, of juist zijn dikke blonde haar in alle richtingen, als een rockster die had gekozen voor de rots.

De eerste keer dat ik alleen met hem ging klimmen, in de lente na Covid, vertelde hij me – in het Engels – over de wegen die hem naar Frankrijk hadden geleid. Eveneens over zijn vroegste verleden, en ik vervloek mezelf dat ik zo’n slecht geheugen heb, hoewel ik ons nog steeds zie lopen over het pad naar huis en mijn nieuwsgierigheid en fascinatie weer voel. Ik zie ons zitten op het terras voor het huis en hoor hem het tweede biertje weigeren, want hij moet ’t rustig aan doen met alcohol. Wat goed, dacht ik toen. Dit is iemand die voor zichzelf zorgt.

Lele had psyche. I’m psyched! riep hij. Hij was altijd gemotiveerd om te klimmen waar dan ook, met wie dan ook. Dat zijn de beste klimvrienden die je kunt hebben. Ik hield van zijn fucking hell en ander gescheld – ’t deed me denken aan This Is England – en dan plotseling zijn Britse beleefdheid wanneer hij met mijn moeder sprak. Omdat hij al wel honderd honden had gehad, hielp hij ons met het opvoeden van Squeeze, die als puppypuber nogal hard in mijn kuiten beet. Met zijn kersverse vriendinnetje kwam hij soms gewoon opdagen.

Het gekke is dat ik niet meer weet wanneer het veranderde. Voor ons, voor mij, want Lele zelf had levenslang. Het is alsof er twee Lele’s in mijn geheugen bestaan: die van het begin, en die van het diepste in-the-shit-zitten waarvan ik ooit getuige ben geweest. Ik kan niet meer terughalen hoeveel fases er waren. Goede Lele – in die zin dat het relatief goed met hem ging – kwam af en toe in vol ornaat weer langs. Slechte Lele was er in vele vormen.

Gezellig maar dronken. Open maar high. Wanhopig want in rehab. Trillend want in rehab. Vijftien kilo zwaarder want in rehab. Rusteloos want geen drank. Dan weer graatmager.

Ik kan me wél herinneren wanneer ik doorkreeg hoe serieus het was, omdat hij een week van de radar verdween en in ’t ziekenhuis bleek te zijn opgenomen. Als ik aan het bier ga, dan ga ik aan de drugs, dus ik mag nooit, nooit meer drinken, legde hij me later aan mijn keukentafel uit. Hij was er bijna via een overdosis tussenuit geknepen. We hadden veel gesprekken waarin ik probeerde er voor hem te zijn, aandoenlijke pogingen tegenover een problematiek die in werkelijkheid om een geheel andere realiteit vroeg, een ander verleden voor Lele, een brein dat opnieuw opgestart kon worden.

Dat brein was een lastig te grijpen fenomeen. Lele had eens een klimongeluk gehad waarbij hij zo hard zijn hoofd had gestoten dat hij in het ziekenhuis terecht was gekomen. Daarna leed hij aan ernstig geheugenverlies. Ik hoorde dit verhaal toen ik alleen nog Goede Lele kende, maar geloofde het niet meer toen ik al jaren omging met Slechte Lele. Ik geloofde niets meer. Lele leefde – overleefde – tussen realiteit en leugen. Hij kwam dikwijls niet opdagen.

Waren we er allemaal van overtuigd dat het goed met hem ging – hij kwam wél opdagen en zag er goed uit – dan spotten we hem voor de bakker in de auto van zijn dealers.
Of, wederom aan de keukentafel, hield hij een speech over wie hem behandelde, wat het plan was, hoe goed het ging, terwijl ik hem zag trillen en frummelen op de keukenstoel, schichtig om zich heen kijkend. Mag ik één slokje, vroeg hij na afloop. Er stond een fles wodka op de keukenkast. Na zijn vertrek heb ik alle flessen, inclusief bier en wijn, in de kelder gezet. Niemand ziet ooit meer alcohol in mijn huis.

Het geheugenverlies weet ik aan jarenlang middelengebruik. Op zich maakt het niet uit waarom hij niets onthield, feit was dat hij officieel gedeeltelijk arbeidsongeschikt was bevonden en zelfs met dat statuut nauwelijks een baantje kon behouden. Zijn redding was La Mireille, een kringloopwinkel waarin het personeel twee jaar lang werd voorbereid op re-integratie op de arbeidsmarkt. Zijn ondergang was die ‘twee jaar’.

Mijn vriend en ik hadden een totaal andere relatie met hem. Thibault hielp hem niet, ging geen enkel gesprek met hem aan, trok nooit aan de bel, sprak niet met zijn vriendin, maar ging gewoon met hem op pad. Ze waren klimmaten en gingen klimmen, door alle fases heen. Als ik mijn frustratie uitte over het feit dat Lele zoveel loog, dan zei hij: tegen mij liegt hij niet. Het lukte me niet altijd om de verslaving los van Lele te koppelen, waardoor ik écht teleurgesteld en boos op hem kon zijn. Thibault was daardoor misschien een betere vriend. Hij oordeelde nooit.

Ik trok het op een gegeven moment nauwelijks meer.

Onze relatie veranderde definitief vanwege een relatief stompzinnig incident, toen we gingen klimmen met een grote groep vrienden, waaronder mijn zus. Toevallig liep het zo dat het Lele’s beurt was om te zekeren, en mijn zus zou gaan klimmen.

En ik durfde het niet. Ik durfde de gang van zaken niet aan en greep in, zei uiteindelijk via een lange omweg dat ik niet wilde dat hij mijn zus zou zekeren. Want hij trilde en was er niet helemaal bij. Niet híj.

Mijn motie van wantrouwen maakte vanaf die dag deel uit van de grond onderaan de rots.

Toen hij weer beter ging – misschien omdat hij weer gebruikte, dat was nooit duidelijk – excuseerde hij zich voor zijn gedrag, en dat hij nu wel kon zekeren. Hij zou het elke keer weer zeggen, en ik schaamde me rot. Omdat ik antwoordde: Of course! – maar het nooit overtuigend kon laten klinken.

Toch kwam er nog een moment dat ik er wel even voor hem kon zijn, en daar ben ik ook mijn familie dankbaar voor. Toevallig kwam ik hem tegen – Slechte Lele – op kerstdag 2024, en het werd me al snel duidelijk dat hij die avond alleen zou zijn. Dus nodigde ik hem bij ons uit (natuurlijk, dat had iedereen gedaan). Hij kwam veel te vroeg aangefietst en trof mijn vader alleen in de woonkamer. Omdat hij er zo vaak was geweest, nestelde hij zich op de bank als een huisgenoot en bood mijn vader wat te drinken aan; mijn vader wist niet wie hij was of wat hem overkwam.

Die avond zaten we rondom cadeaus en gedichten en hoewel een tikje absurd, iets tussen Frans, Engels en Nederlands in, was het gemoedelijk.

’s Winters verdween hij überhaupt vaak van de radar (wij ook, in alle eerlijkheid), maar in de lente dook hij dan toch altijd weer op, meestal via een stortvloed aan gemiste belletjes die hij op elk van onze telefoons achterliet. Ik weet niet hoeveel mensen het al hadden opgegeven, maar ik was er één van. Hoe ik precies in die categorie verzandde, weet ik niet, het was nooit een bewuste keuze geweest.

Afgelopen herfst kwam ik hem een aantal keer tegen in de klimhal en konden we de weg naar elkaar nauwelijks meer vinden. Ik herinner me nog wel een laatste gesprek. Geloof ik. Of iets dat ik toen begreep, in de hal: dat het klimmen hem op de been had gehouden, maar hem nu onderuithaalde. Want door alle alcohol, drugs en medicatie werkte zijn lichaam niet meer mee. Hij was hetgeen aan het verliezen dat hij nodig had om beter te gaan. Was hij kunstenaar geweest, dan had hij kunnen blijven schilderen. Klimmen vraagt te veel.

Via anderen leerden we dat hij naar Marseille was verhuisd. Dat leek me voor een drugsverslaafde toen geen goed idee, maar enigszins onbewust fixeerde ik hem daar in de Calanques, als een hippie onderaan nieuwe rotsen met nieuwe vrienden. Een poging van mijn brein om mijn geweten te dempen, denk ik nu. Tot ik afgelopen februari een telefoontje kreeg van zijn – inmiddels ex – vriendin.

Lele had zichzelf opgehangen in zijn appartement in Marseille.

Tijdens de ceremonie liep een twintigtal vrienden naar Rocher Barron, een klimgebiedje waar Lele graag had geklommen, in retroleggings, met gezichten vol glitters en rare mutsen op. Ik vond een excuus om niet mee te gaan, maar trof ze even later in het gemeenschapszaaltje van het onderliggende dorp. Honden speelden buiten op het trottoir, ik had zelf Squeeze meegenomen. Maar weinig mensen kende ik. What the fuck are you doing here!? – had ik Lele kunnen vragen, platgeslagen tegen de witte muur van het gemeenschapshuis, in al zijn verschijningsvormen. Qu’est-ce qu’il a fait, ce con, zou Thibault nog vaak herhalen.

Na afloop, in het winterzonnetje, sprak ik met zijn ex. Zij vierde zijn excentriciteit vol liefde en zonder terughoudendheid, waar ik haar nog steeds om bewonder, maar was ook veel eerlijker over Lele’s laatste jaren dan ik had verwacht. Of laat ik het zo zeggen, ze maakte expliciet en beeldend wat ik tegen het einde was gaan mijden. Wat ik niet volledig onder ogen was gekomen. Holy fucking shit, had Lele zelf gezegd.

Ergens in mijn hoofd was Slechte Lele een demon geweest die Goede Lele steeds vaker overnam. De Verslaving. Een Ziekte. Maar Lele zelf was het gros van die tijd gewoon aanwezig geweest. Ik had zijn lijden niet grover kunnen onderschatten. Bovendien begreep ik later dat Lele wel degelijk zijn hoofd had gestoten bij een val op de rots. Er was sprake geweest van zowel grote mentale problematiek als verslavingsproblematiek, waardoor geen zorginstantie hem werkelijk adequate zorg had kunnen bieden. Ze droegen hem telkens aan elkaar over.

Het is dus een lente waarin Lele niet op komt dagen. Ik ging laatst klimmen bij Rocher Barron, maar vond hem er niet. Nog steeds moet ik hem gedag zeggen. Nog steeds moet ik een rare muts breien onder een rotswand die hij mooi had gevonden. Misschien moet ik terug naar het klimgebiedje waar we elkaar voor het eerst troffen, maar ik geloof dat hij eerder bij de zee is.

In Marseille, de Calanques, dat lijkt me wel een goede plek voor hem.

Horecatijger

Ik ben weer serveerster.

Als je tegen mijn achttienjarige zelf had gezegd dat ik op 34-jarige leeftijd nog zou serveren, hoe had zij dan gereageerd?

Ik geloof dat ik toen psychiater en filosoof wilde worden. Daarna deed ik weinig om psychiater en filosoof te worden. Ik wilde iets moeilijks en ambitieus waarvan serieuze mannen zoals mijn vader goedkeurend zouden gaan knikken.

Mijn vader blijkt veel liever dan ik dacht, want ’t kan hem werkelijk niets schelen dat ik nog steeds rondjes loop met dienbladen vol bier – voor mijn geld.

Hij wil dat ik gelukkig ben.

En ongelukkig ben ik niet, met een doekje in mijn ene hand en een asbak in de andere.

Afgelopen winter had ik een bureaubaan bij een skistation. Ik werkte van acht tot vijf en werd gerespecteerd, fatsoenlijk betaald en had recht op bonussen en gesprekken met de dame van personeelszaken. Het was zo comfortabel dat ik er helemaal week van werd. Tegen een uur of tien nam ik de vorm aan van mijn bureaustoel en na een volle werkdag gleed ik als een hoopje gelatine uit de open deuren van de bus, bovenop mijn deurmat.

Hoe comfortabel het precies was, kreeg ik door tijdens mijn eerste werkdag in een restaurant in Briançon. In de horeca is je eigen welzijn secundair zolang er nog iemand ergens zit die ’t zout zoekt of wacht op de parasol voor de baby op het terras. Het is twee zweetplekken om te verhullen en twaalf bestellingen op drie verschillende tafels om te onthouden (zonder ketchup maar met die andere kaas die in de lasagne zit. En als het kan wat extra friet in plaats van de salade want dat eet ze toch niet op).

Ik ben doodmoe na een drukke lunch.

En toch.

Want dan heb ik met die oudjes gepraat aan tafel 101 en grapjes gemaakt met de chef-kok en een moccacino frappé verpest en dus zelf maar opgedronken en zit ik met een grijns op mijn fiets terug naar huis. Een horecatijger was ik al op achttienjarige leeftijd en ben ik, tegen mijn verwachtingen in, op vierendertigjarige leeftijd nog steeds.

Lunchtekeningen

Ik heb een uur en een kwartier pauze, en het liefst ga ik bij de bakker een kopje koffie drinken. Want die zit aan de ‘grote’ weg in mijn skidorp, en ik hou van wat er langsloopt.

Soms denk ik aan de toekomst van het skiën. Of hoe – en dat heb ik al eens geschreven – alle secundaire huizen zich bij hun eigenaars voegen. 61% van de huizen in Briançon en omgeving is van iemand ver weg; 61% dichte luiken in het laagseizon; 61% huizen die massaal emigreren?

Of ik denk aan, uhm, een muis?

Die laatste is misschien nog wel mijn lievelings.

In Aperol Spritz gedrenkte muizen


Ik wil alleen nog maar zijn pootjes op het parket en zijn gewicht op mijn bast.

Dat je kunt rouwen om een kat wist ik niet maar om Tigrou kan ik dat. Want geen enkele kat zal me aankijken zoals hij. Onvervangbaarheid is geen mooi woord en toch was hij onvervangbaar zo mooi als ‘t zich voor kan doen, onvervangbaar in zijn oranje vacht, zijn gemauw, zijn kopjes.

Hij kwam ons ophalen wanneer hij het geluid van onze auto herkende. Niemand kan ons ophalen zoals Tigrou.

Na zijn dood dacht ik: jeetje, ik ben niet voor dit leven gemaakt, want de dood van mijn kat valt me veel te zwaar. Maar na gesproken te hebben met huisdierbazen uit alle hoeken, weet ik dat het overlijden van een huisdier, voor bijna iedereen, even, een catastrophe is.

Want Tigrou bestond in elke ruimte van het huis. Hij was veel groter dan ik dacht. Hij woog meer dan ik dacht. Je kon hem niet lang in je armen houden, maar nu droeg ik hem naar het bos, door de sneeuw, dicht tegen me aan. Hij is inmiddels zo groot en zwaar als het bos zelf, de bevroren grond en de wilde dieren die aan hem zullen snuffelen.

Ik probeer het geluid en de beelden van zijn overlijden actief uit mijn gedachten te weren, maar ze komen vaak terug. De afspraak was zorg. Ik zou voor hem zorgen en hij zou mij zijn kopjes geven en die deal bestond al zeven jaar. Nu leed en stierf hij urenlang en keek ik toe.

Dus stuur ik mezelf keer op keer terug naar zijn adoptie, toen hij op de hoogste pluche rots van het asiel luie Tigrou stond te zijn. Ze vroegen nog, weet u het zeker, dat u Tigrou wilt.

Ik zei ja en wil Tigrou nu nog steeds.

Maar als ik mijn tante moet geloven, zit Tigrou inmiddels in de kattenhemel met vier van haar eigen katten, die voor hem in Aperol Spritz gedrenkte muizen hebben klaargezet. Dus ga ik daar een mooie tekening van maken en hang die ergens in het midden van het huis op.

Dat zal me helpen wanneer ik, hoe goed ik ook luister, zijn pootjes op het parket toch niet kan horen.

Bushokje

Elke avond, als ik ga slapen, zet ik mijn geest in het bushokje.
Dan komt de bus.
En ben ik weg.

Soms gaat mijn geest zelf in het bushokje zitten, tijdens een saaie presentatie.
Dan hoop ik dat de bus niet langskomt.
Hé, eruit, fluister ik dan.
Twee minuten later zit ze er weer.

Soms is het juist andersom. Dan lig ik in bed en zet ik mijn geest keurig en op tijd in het bushokje.
Een enkele oogwenk later vind ik haar terug.
Op reis of aan het puzzelen of hordelopen.
Of in de boekwinkel, grijnzend.
Dan pak ik haar bij haar nekvel en zet haar terug in het bushokje.
‘Dat dacht je’, hoor ik haar denken.
En daar gaat ze weer, de hort op.

En ’s ochtends?

Dan wordt ze netjes gewoon, op tijd, weer afgezet.

Of nou ja.

Soms twijfel ik.
Dan is het tien uur ’s ochtends en heb ik toch het gevoel dat er iets mist.
Terwijl ik bovenlangs mijn koffiekop staar.
Heb ik mijn geest wel opgehaald vanmorgen?

Drie geesten mee op dagreis

Brillenclub

‘Zet ze maar op,’ zei de mevrouw.
Ik schoof de bril op mijn neus. Ze keek me nieuwsgierig aan.
‘Het is een beetje gek in het begin, toch?’

Ja, want ik deed hem meteen weer af. En toen weer op. En toen toch weer af.

Nieuwe ogen. Voor mijn 34ste verjaardag mag ik de wereld scherper zien.

Ik dacht dat iedereen moe werd van autorijden en computeren, maar op een dag begon ik toch aan mijn zicht te twijfelen. Je went eraan, aan grote letters in Word en de laptop tegen je neus. Dat ik eigenlijk bij de brillenclub hoorde, kwam nooit in me op. Omdat je andermans zicht niet ziet en die dus niet kunt vergelijken met je eigen.

En andermans geluid hoor je ook niet, en andermans gevoelens voel je ook niet. Daarom is het toch gek om opeens een bril te dragen. Heel even moet ik wennen aan de kleine correctie van mijn brillenglazen, en net zo even besef ik me dat de wereld is zoals ik haar zelf, en alleen ik, ervaar. Misschien staat mijn universum eigenlijk op z’n kop, loopt mijn zwaartekracht van onder naar boven. En is mijn warme chocolademelk jouw koude haring en moeten mensen die gemeen zijn tegen andere mensen, gewoon even een andere bril op.

Of zie ik de wereld nu eindelijk zoals zij werkelijk is?

Welk brilmontuur precies bij mijn hoofd paste, was ook nog even de vraag. Ik had de meningen verzameld van mijn moeder, zus, vriend en beste vriendin, maar kon de mijne niet vinden.

Nu de — uit paniek gekozen, want de brilmeneer bleef naast me staan tijdens het passen — bril eenmaal op mijn neus rust, lijkt het alsof ‘ie er altijd al gezeten heeft. Het is een miraculeus verjaardagscadeau.

(Sorry, geen foto van de bril op het hoofd want het hoofd in kwestie staat even niet naar selfies. Wel een foto van wat ik zie, met die twee bijziende ogen).

De buurman. En de buurvrouw.

De buurman houdt niet van katten en heeft al jaren ruzie met de buurvrouw.

Toch heeft hij zes katten die hij allemaal liefdevol Sale Chat noemt (vieze kat).

Meerdere keren per week gaat hij bij de buurvrouw langs, in het ziekenhuis. Die heeft haar venijnige karakter nog niet verloren, zegt hij vaak. En dat is ook wel zo. Ze stuurt ons allemaal sms’jes met bevelen. Kom langs, ik ben alleen. Ik wil een croissant. De eerste keer at ik die croissant zelf op, in de auto, toen ik terug naar ons dorp reed. Want de buurvrouw mag geen vaste dingen meer eten omdat ze daarvan stikt, en ik weet niet of ze die realiteit negeert of zoveel honger heeft dat ze het stikken bij het eten van een croissant op de koop toe neemt.

Haar familie heeft haar computer al uit huis gehaald. Daar speelde ze patience op. Mocht ze onverhoopt toch thuis mogen sterven, dan kan ze dus geen patience meer spelen voordat ze doodgaat, en er is al zo weinig te doen in de wachtkamer. De jongere generatie werkt en de gepensioneerden gaan heus wel langs, maar na een aantal monologen weet je ook niet meer wat je moet zeggen. Dan schrijft ze weer op haar bordje dat ze honger heeft, want praten kan ze niet meer.

De buurman neemt haar mee naar buiten. Laatst, toen mijn moeder met de buurman mee was, liep ze in een rechte lijn naar de bakker. Ze hebben haar met kracht tegen moeten houden en terug het ziekenhuis in moeten duwen. Maar ze weegt niets meer, zei mijn moeder, dus zo moeilijk was dat eigenlijk ook niet.

Toen schreef ze op het bordje ‘kom nooit meer terug!’

Gisteravond vertelde ik haar dat er kattenpootjes in de sneeuw staan, voor de gesloten luiken van haar huis. Sales chats! – zei ik grappend. Daar moest ze om lachen, al weet ik niet of ze de verwijzing naar de buurman oppikte. Die had een paar maanden terug bedacht het steile paadje naar haar voordeur van een houten ramp te voorzien, waar ze gemakkelijk met een rolstoel overheen kon rollen. Maar de ziekte sloot haar op in het ziekenhuis, nog voor ze controle over haar benen verloor.

Nu loopt ze door de buurt van haar gang, van deur tot deur, precies zoals ze vroeger deed toen ze nog bij ons in het dorp woonde.
 
Een buurman zoals onze buurman, zal ze er niet vinden.

Een kantoorbaan

Elke ochtend gaat mijn wekker om zes uur. Te donker om mijn hond uit te laten, om de ogen te openen, in alle eerlijkheid. Toch schuilt er in die koude ochtenden een ontmoeting met de dag die ik opzoek in gedachten, nog voor ik mijn bed uit moet. Iets waar ik zin in heb. Alleen op de wereld op mijn bank met mijn koffie, voordat het geheel doordraait richting het tijdstip waarop ik naar werk moet.

Zes maanden lang test ik het leven van normale mensen, of hoe ik me voorstel dat veel normale mensen hun leven leiden. Een kantoorbaan van kwart over acht ’s ochtends tot vijf uur ’s avonds, met elke zaterdag en zondag het weekend.

Zo’n zeven uur per dag zit ik routineus met de neus achter een computerscherm.

De beste uren van de dag; die van daglicht.

Tussen de middag eet ik warm uit mijn plastic bakje, uit de magnetron, tegenover collega’s in het refectoire. Dat is een Frans woord dat ik niet kende en door google wordt vertaald als ‘refter’; een woord dat ik ook niet kende. Een refter is, zo zegt Google, ‘zaal in een klooster waar gegeten wordt’. In mijn kloosterzaal ruikt het naar dode rat, zijn ze de ramen vergeten en staat een televisie te loeien.

Daarbuiten kleuren de Lariksen knaloranje, vooral wanneer de zon erop schijnt, en zou ik Gods aanwezigheid nauwelijks kunnen ontkennen. De sneeuw is zo belachelijk wit dat Hij ’t elk jaar weer lijkt te overdrijven. Met een Italiaanse collega drinken we onze koffie met ons gezicht in de zon en proberen niet te denken aan de tijd. De tijd die even later in het hoekje van ons computerscherm weer zal opdoemen. Nog drie uur, nog twee uur, nog één uur.

En toch is het zo erg nog niet. De sfeer op de werkvloer is goed. Ik leer Frans beter dan ooit, Italiaans of ik nou wil of niet, en heel af en toe kan ik rustig ademhalen in mijn moedertaal. Het bureau staat vlakbij de grens met Italië en overziet de virtuele skipasverkoop van een skistation. Touroperators komen bij ons hun honderden kaartjes ophalen. Sunweb, Tui, maar ook skischolen en hotels. We moedigen de overgang naar online verkoop aan, geven kortingen op online seizoenpassen of weekpassen met twee uur gratis toegang tot de sauna. Soms heb ik een particulier aan de telefoon die er niet uitkomt met het internet, of gewoon nog even niet klaar is voor het internet. Wie wel, werkelijk? –  stel ik ze gerust.

Als ik thuiskom, is het te donker om mijn hond uit te laten. En ben ik moe. Moe zoals alle normale mensen met een kantoorbaan, denk ik dan. En dan is het wachten. Of roepen. Roepen tot mijn dichter, artiest, mijn sporter zich een weg door de moeheid weet te banen en aan het roer gaat zitten. De bank als een tostiapparaat waar ik bij weg moet zien te blijven, de telefoon als bodemloze put. Ik zie de duivel dikwijls over de rand kruipen en naar me knipogen. Misschien moet ik hoorntjes op mijn telefoon plakken.

En het weekend? Daar schuilt de wind en vochtige rotsen, een knuffel met een beste vriendin, boodschappen. Daglicht als een diamanten deken over wat ik ook besluit te doen.

Prenditi cura del tuo tempo, zo luidt de slogan op de eerste pagina van mijn nieuwe agenda, niet bij toeval in het Italiaans. Draag zorg voor je tijd.

Ik offer het gros op voor een stabieler bestaan, en kruip erin, er middenin, op die paar vrije dagen.



(Je zou misschien denken, heb je nog nooit gewerkt, dan!? Jawel hoor, maar meestal ’s avonds en onregelmatig, met waanzinnige werkweken in het hoogseizoen en veel vrije dagen in het laagseizoen. Met de opleiding is dat niet meer haalbaar. Vaak betalen horeca-seizoensbanen bovendien rondom het minimumloon – ook niet meer haalbaar met mijn opleiding. Ik zit er nu net iets boven en dat geeft toch wat meer ademruimte.)