Latest Posts

Vrij verticaal territorium

Tijdens de vorige confinement, toen de politie zo’n beetje achter elk bosje school en we als schimmen door de vallei slopen, nam Thibault een boor mee naar een verborgen stuk rots in de bergen en opende daar vier sportklimroutes. Hij noemde het geheime klimgebiedje ‘Wuhan’.

We spraken er niet al te veel over omdat het virus voor geen meter te vertrouwen viel, noch het beleid van de Franse regering, en profiteren nu dagelijks van ons vrije verticale territorium, waar we rustig kunnen blijven trainen zonder constant om ons heen te kijken of onze oren te spitsen uit angst voor de spontane opkomst van de politie (en de 135 euro boete maal twee).

Professionele sporters, en dus ook berggidsen en sportklimgidsen (in opleiding), hebben allemaal het recht behouden om te trainen, maar wij (examenkandidaten) zitten als vanouds gebonden aan de kilometerzone. Daarom hang ik zonder al te veel gewetensbezwaren aan onze verborgen rots. We hebben onze training misschien nog wel harder nodig dan zij die reeds professioneel zijn.

Jammer is echter dat Wuhan in de schaduw ligt en we steeds dieper in de herfst duiken, waardoor zowel mijn tenen als vingers dikwijls gevoelloos aan mijn lichaam bungelen. Daarbij gaf de rots geen grepen voor opwarmroutes en brokkelt er hier en daar nog weleens een greepje af. ‘Training’ in dagen van confinement geeft tevens steevast een mentale expeditie van een uur of drie, waarna ik me met een kop thee in een deken rol en mijn uiterste ledenmaten ritueel om vergeving vraag.

Interessant is het echter wél, dat kleine klimgebiedje daarboven. Niet alleen omdat de route soms spontaan veranderd (hier zat aanvankelijk toch een voettreetje?) maar ook omdat ik voor het eerst werkelijk ervaar dat al die sportklimroutes menselijke creaties zijn. Die van Thibault, dit keer. Het contact met de rots voelt daarom puur. Geen historie komt ertussen, geen waardering, geen lijn in de topo noch geblaat van andere klimmers. Er is slechts rots, en dan die enkele gek die erover naar boven probeert te kruipen.

Maar als straks de eerste sneeuw valt is het frisse feest van Wuhan over. Wat er vervolgens met ons gebeurd is aan het virus en Macron om te bepalen. Misschien moeten we in egaal witte pakken op zoek naar een geheime berg om ons voor te bereiden op een eventueel ski-examen, ons klimniveau dat integraal af zal hangen van een oefenbalkje in de slaapkamer.

We weten het echter niet. Zoals niemand niet.

Vette veganistische koekjes



‘Welke luxe zou je jezelf veroorloven als je plotseling miljardair zou worden?’ Die vraag wordt nou nooit aan me gesteld, net als de vraag in welk dier ik zou willen reïncarneren, met welke beroemdheid ik het liefst zou willen trouwen en hoe ik mijn leven zou organiseren als ik wist dat ik gezond en wel 200 jaar oud zou worden. Daarom gooi ik ze zelf maar af en toe in de groep, om direct popelend af te wachten tot ze terugkaatsen en ik fronsend mag nadenken over een huwelijk met Aurora of de kwaliteit van leven van een nijlpaard (misschien zou ik wel reïncarneren als giraffe en de hele dag in de spiegel kijken).

Hoe dan ook, mocht ik over een schatkist struikelen waarin een miljard blijkt te zitten, dan zou ik een kok permanent in dienst nemen. Want ik eet tegenwoordig (grotendeels) veganistisch en heb regelmatig last van mijn gebrek aan motivatie, talent of tijd voor koken. Geen melkproducten consumeren – voorlopig mijn halve variant van het veganisme – verandert voor mij persoonlijk bijna elke maaltijd die ik voorheen at en vraagt dus om een hoop nieuwe recepten en keukenkunsten. Maar voordat ik inga op de uitdaging van mijn nieuwe regiem, wil ik het eerst graag even hebben over de leuke kanten van de plotselinge wens om koe en kalf met rust te laten.

De leuke kanten van het veganistisch dieet

Nog geen vijf minuten voordat ik besloot (grotendeels) veganist te worden, vond ik veganisten rare mensen en dacht ik nooit, maar dan ook nooit, kaas, melk en yoghurt uit mijn dieet te kunnen schrappen. Het gekke is dat ik al die dingen dus niet mis. Hoe dat precies werkt is me een raadsel, maar het voelt nog het meest alsof iemand een lampje heeft aangeknipt dat voor mij de link tussen melkproducten en koeien(leed) zichtbaar maakt, waardoor kaas-en-zo veel van zijn vroegere aantrekkingskracht heeft verloren.  

Met oprecht plezier heb ik me op verschillende plantaardige melken gestort (favorieten: soja en havermout), kookboeken aangeschaft (zelfs voor een niet-koker is dat leuk), Seitan ontdekt, Tufo eindelijk een keer echt leren bereiden en op internet een grote gemeenschap van veganistische bloggers en vloggers gevonden (waarmee ik eenzijdig vriendschap heb gesloten) die goede tips geven en tegelijkertijd het gevoel opwekken dat ik echt niet zo raar doe. Telkens als ik een product ontdek dat veganistisch blijkt te zijn of een melkvariant vervangt (veganistische chocopasta, chocolade, croissantjes) ben ik natuurlijk heel blij en telkens als ik een veganistisch recept tot een succesvol einde breng nog blijer.

Best wel handig, zo’n boek. Staan echt veel goede tips in. Bovendien geen dieetcultuur in te bekennen.


Maar wat me vooral gunstig stemt is het feit dat het echt een stuk makkelijker is dan ik had verwacht. Ik verbaas me over de snelheid waarmee ik mijn gewoontes heb kunnen aanpassen en dat is zeker niet omdat ik zo gedisciplineerd ben (want dat ben ik niet). Het verschil tussen mijn verwachting en de realiteit ligt denk ik in het gegeven dat ik voorheen vooral dacht aan alles wat veganisten niet konden eten, en ik zelf als veganist eigenlijk alleen maar op zoek ben naar wat ik wel kan eten, en dat aanbod is tegenwoordig gigantisch en de ontdekking ervan best interessant.

Ik moet daarbij vermelden dat ik vooralsnog flexibel ben. Als ik bij mijn schoonouders of vrienden op bezoek ben die mijn keuze niet zo goed begrijpen, dan eet ik wat de pot schaft (op vlees na, maar dat is inmiddels in sociale context makkelijker om te weigeren). De vegetarische burger met aubergine, pesto en Parmezaanse kaas van ons chaotische en goedkope lievelingsrestaurantje Kazdal in Briançon ligt nog geregeld voor me op mijn bord en als ik buitenshuis geen enkele veganistische optie vind en zelf niets heb meegenomen, dan kies ik bij de bakker (als een echte rebel) nog steeds voor het vegetarische broodje met feta of geitenkaas.

Over honing denk ik overigens nog eventjes niet na en de eieren van de buurkippen (maar echt alleen de buurtkippen) eet ik gewoon.

De lastige kanten van het veganistische dieet

Binnenshuis leef ik met een niet-kokende vleeseter die al zijn liefde voor mij moet inzetten om een klein beetje begrip op te brengen voor mijn keuze. Van hem verwacht ik dus geen leuke nieuwe veganistische maaltijden (gelukkig is er die steun vanuit de onlinegemeenschap).

Als ik daarbij in deze oerconservatieve vallei een restaurant, snackbar of bakker om iets plantaardigs vraag, weten ze vaak oprecht niet waar ik het over heb (‘ik heb kaasstengels voor je in de frituur gegooid!’), laat staan dat er op een bakje frietjes na werkelijk iets veganistisch op het menu staat. Ik ken slechts één restaurant dat een veganistische salade aanbiedt voor 14 euro, waarin je op een paar noten na lang kan zoeken naar een echte calorie (dankjewel dieetcultuur).

Het allerlastigste aan mijn nieuwe veganistische regiem vind ik daarom bij uitstek dat ik veel meer zelf aan de slag moet in de keuken, vaker mijn maaltijden op voorhand moet bereiden en bovendien moet nadenken over alles wat mijn lichaam nodig heeft. Dat is niet heel erg als ik veel tijd heb en toevallig gemotiveerd ben om mijn week qua eten uit te plannen (is me nog nooit overkomen) of verleid wordt door een nieuw recept, maar wel uitdagend wanneer ik heen en weer ren tussen activiteiten. Het resultaat is toch wel dat ik minder eet, en wat ik eet is vaak nu eenmaal wat minder calorierijk. Daarom moet ik momenteel niet alleen actief op zoek naar proteïne en B12, maar vaak ook naar bulk. Vet. Pindakaas. En een persoonlijke chefkok.

(Wat overigens ook meespeelt is het feit dat ik hiervoor veel calorieën haalde uit koekjes, chocoladebroodjes en ander soort prefab ongein dat normaal gesproken in huis rondslingert. Zoveel plantaardige snaaidingen zijn er echter nu eenmaal niet, en de Gerblé koekjes die ik nu maar in huis haal zijn lang niet zo zoet en vet. Klinkt misschien als iets goeds, maar in een koude winter vol training draai ik er best veel calorieën doorheen en kom ik niet ver op een lege tank. Daarom moet ik eens in de zoveel tijd ook maar de moeite nemen om een baal vette veganistische koekjes te bakken om die in een glazen pot op het aanrecht te stallen. En dan maar hopen dat Thibault er van af blijft.)

Wat betreft het prijskaartje van het veganisme: uiteindelijk maakt het wat betreft uitgaven in mijn geval niet zo heel veel uit of ik nou plantaardig eet of niet. Mijn eerste bezoekje aan de Biocoop was nogal alarmerend, omdat ik producten zoals Seitan, Agar Agar, pindakaas en plantaardige yoghurt voor het eerst in grote kwantiteit aanschafte en nog niet zo goed wist wat ik lekker vond of waar ik het goedkoper kon halen. Vooral de kant-en-klare vleesvervangers en proteïnebronnen ervaar ik als duur. Hoe meer eenvoudige recepten ik leer maken en hoe beter ik leer koken, hoe goedkoper ik (vermoed ik) zal uitkomen. Daarbij eet ik minder buitenshuis en koop natuurlijk geen kaas meer, dat hier in de vallei stinkend duur is.

De verpakkingen zitten me overigens wel dwars. Tufo en alle nepburgers (die ik dan maar zelf moet maken) hebben vaak een dikke plastic verpakking plus nog een karton. Alle melken komen natuurlijk in pak (maar ook dat schijn ik zelf te kunnen maken) en de yoghurtjes ook (en zelfs dat valt zelf te maken?). Hier moet ik dus nog eventjes iets op vinden (nog meer koken dus).


Kortom…?

Het is een blijver, dat veganisme. Of ik in de toekomst strikter word, kan ik nog niet zo goed inschatten, maar voorlopig voelt ‘t goed. Terug naar het niet-weten of beseffen kan toch niet, en ik moet ook zeggen dat ik het idee dat het klimaat zodoende wat minder last van me heeft ook behoorlijk prettig vind.

Het gegeven dat ik geforceerd word om een stuk meer te koken is daarbij misschien zo slecht nog niet, en eigenlijk ben ik er gewoon al wel (bijna) aan gewend. Nog steeds voel ik me in sociale context dikwijls een rare vogel en heb de neiging om mezelf te excuseren (‘sorry de rare hippie doet weer moeilijk’), maar ik begin te leren dat ik mezelf niet persé hoef uit te leggen en ook gewoon voor mijn keuze zou kunnen staan.

En als laatste wil ik nog even benadrukken dat de hele onderneming behoorlijk wordt gefaciliteerd door het aanbod in de winkels van Briançon en het feit dat ik de tijd heb om uit te vogelen hoe ik mijn levensstijl binnen mijn budget kan aanpassen. Ik besef me dat dit niet voor iedereen overal hetzelfde is.

Hieronder mijn misbaksels.

Nog nooit zo’n loodzware hartige cake gemaakt. Zeer middelmatig resultaat.
Het leukste aan Seitan is dat het lijkt op hersenen. Dit was mijn derde poging en ‘t werd eindelijk een keer best lekker!
En dit was een enorme kat in de lokale kroeg die er niet vandoor ging met de pizza maar met het breiwerkje.

Niet genoeg

‘Kijk’, zeggen Thibault en ik telkens voor de grap. ‘Ook daar zijn ze de sneeuw vergeten’.

De rotswanden op het zuiden zijn droog. Zelfs voor de pistes van Serre Chevalier halen we onze steenski’s tevoorschijn, oude latten die wel kapot mogen. Regelmatig word ik overvallen door een lentegevoel en hoop ik dat de bloemetjes niet hetzelfde overkomt. Het zou zo zonde zijn als ze nu al hun kop uit de aarde steken.

Het is mijn allereerste winter zonder het fameuze ski-examen dat me midden maart steevast met gespreide kaken opwacht. Een winter waarin ik zinloos en zorgeloos mag dwalen door de absurde, magische besneeuwde wereld die ik met zoveel verwondering ontdekte toen ik berggids besloot te willen worden. Maar er ligt geen sneeuw. Niet genoeg, althans.

Als ik triest ben voor mijzelf en het uitstel van mijn geplande dwalingen, dan ben ik nog veel triester voor de winter. Een paar weken geleden regende het keihard. Als het die paar dagen koud genoeg was geweest, dan had de winter nu met miljarden ijskristallen geschitterd in het zonnetje van de Hautes-Alpes.

‘Is dit nou klimaatopwarming?’, vraag ik aan Thibault, aan mijn vriendinnetje dat voor Natura2000 werkt, aan het internet. Het weer is complex en lokaal karig besneeuwde winters zijn er wel vaker geweest, maar dat het regelmatig zo warm is kan wel degelijk het gevolg zijn van klimaatverandering. Zoiets.

De verleiding om de auto te pakken naar Italië of Chamonix is groot, want bij hen ligt er wel sneeuw en ik droom inmiddels van eindeloze witte afdalingen en die magie, die ongelofelijke magie waar ik het altijd over heb en waar ik dit jaar meer dan ooit naar hunker. Maar tegelijkertijd ben ik boos. Op alle dikke auto’s. Op alle stomme toeristen die hierheen komen vliegen. Op mijzelf en mijn werk in een bar. Op het domme gegeven dat ik in deze tijd geboren ben of skiën zo laat heb ontdekt. Op het feit dat ik kinderen wil en die ook wil laten skiën en dat het toch absoluut niet om mij gaat, maar om de winter en de hoop dat die bloemetjes hun koppen niet vroegtijdig uit de aarde steken, want dat zou zo zonde zijn.

Dit was de enige échte lading sneeuw die we hebben gehad. Twee weken geleden viel er nog zo’n twintig centimeter bij. Komende twee weken is het ‘grand beau’, maar gelukkig niet zo warm.

Helper


Paulo is een lange, stevige, diepdonkere man. Hij slaapt in de wachtruimte op een stoel, direct na de hoofdingang van het centrum, met zijn nek in de knik van een slapende man op een stoel. Als migranten ’s nachts aankloppen, schrikt hij wakker (denk ik, ik ben er ’s nachts niet bij, misschien wordt hij zachtjes wakker van hun voetstappen buiten). Dan brengt hij ze naar een vrije hoek in het gebouw, geeft ze te eten en wat dekens en gaat weer terug naar zijn stoel.

Soms maakt hij schoon. Dan komt onze keukenheldin ’s ochtends aan en is de hele keuken spic en span. Of het hele trapgat.

Omdat de spanningen tussen de Afghanen en Margebanen vaak s’ nachts tot uiting komen, is hij dikwijls getuige van gevechten en weet ons dan ’s ochtends aan te wijzen wie als eerste het mes trok. Laatst werd hij zelf met de dood bedreigt. Waarom? Omdat hij onze helper is, omdat hij tussen beide probeerde te komen, omdat hij misschien niet alles even tactisch oplost. Ze zeggen daarbij dat mensen van zijn kleur gediscrimineerd worden in Noord-Afrika en dus ook in ons centrum.

Wanneer het brandalarm gaat, rent hij zo vlug mogelijk naar de receptie om korte metten te maken met de verschrikkelijke herrie. Daarna gaat hij weer terug naar zijn stoel, een van de redenen waarom we ’s nachts toch een nachtwaker nodig hebben. Men rookt nog steeds binnen, de nooduitgangen liggen vanaf tien uur ’s avonds geblokkeerd met slapende migranten en de bezetting van het gebouw is vier keer groter dan de norm. De verantwoordelijkheid voor de brandveiligheid kan niet alleen bij Paulo liggen, en toch is hij dikwijls de enige die ’s nachts de boel – enigszins – in de gaten houdt.

Hij helpt ons daarbij al maanden, maar we kunnen hem niet in dienst nemen, want hij heeft geen papieren. We geven hem eten en een eigen kamer, en een handvol vrijwilligers financiert hem van tijd tot tijd. Hij heeft vrienden in de vallei, praat en lacht veel met andere migranten, lijkt op grote incidenten na zijn ‘werk’ niet vervelend te vinden en wil niet weg.

Sommige van ons zijn tegen, die vinden zijn werkzaamheden ‘naar slavernij ruiken’. Anderen zeggen dat hetzelfde soort constructie bij anderen in het verleden tot goede dingen heeft geleid, zoals huizing, opleiding en uiteindelijk papieren. Maar de sfeer in het centrum is gespannen en tijd om Paulo anderszins op weg te helpen heeft niemand. Hoe meer migranten en hoe groter onze stress, hoe meer we ook nog eens van zijn hulp afhankelijk worden.

Dus blijft Paulo voorlopig helper bij Refuge Solidaire.

De vraag is natuurlijk of dat wel oké is.  

Dit verhaal schreef ik grotendeels in oktober 2021. Inmiddels maakt de sneeuw en de enorme politiebezetting op de grens het lastig om Briançon binnen te komen. Daarom zijn er momenteel in het centrum zo tussen de 15 en 40 migranten, geen gezinnen, alleen maar jonge mannen, die alle ruimte voor zichzelf hebben (in vergelijking met de 180 van voorheen). Het is er dus rustig, alhoewel de reden voor die rust natuurlijk vragen oproept: waar zijn ze nu, wanneer komen ze wel? Vrijwilligers vermoeden dat de opkomst komende lente net zo extreem wordt als de herfst, alhoewel afhankelijk van de inzet van de grenspolitie.

Ik vermoed dus dat Paulo’s leven in het centrum momenteel relatief prettig is en vragen over zijn status als helper daarom minder urgent. Het is dus afwachten wat de lente hem (en het centrum) zal brengen.

Er zijn momenteel een stuk meer knuffelberen dan kinderen.

Voor de harige vierpoten



Zo’n tien jaar geleden zag ik een felgroen boek in de kast bij Fieke staan. ‘Gaat over de impact van de vleesindustrie op het klimaat’, zei ze. Het heette Dieren Eten en was geschreven door Jonathan Safran Foer. Na het lezen schrapte ik vlees grotendeels uit mijn dieet.

In de jaren daarna was ik soms strikt en soms flexibel vegetariër, tot dat er in 2020 een vrachtwagen vol varkens omviel in Drenthe en ik het dermate jammer vond dat al die knorrige beesten niet massaal hun vrijheid tegemoet renden dat ik mijn eigen occasionele vleesconsumptie een beetje gek begon te vinden. In diezelfde tijd adopteerde ik bovendien Tigrou (overtuigd carnivoor), een chagrijnige harige vierpoot die me verschrikkelijk ongerust kon maken. Ik voelde me direct enorm verantwoordelijk voor zijn welzijn en wist dat ik me op precies dezelfde wijze zou ontfermen over welke andere harige vierpoot dan ook die onder mijn verantwoordelijkheid zou vallen. Als ik dan langs een stel koeien liep, was ik blij hen te kunnen vermelden dat ik hun zusters heus nooit meer zou opeten.

Ik werd dus tevens vegetariër omdat ik niet wilde dat dieren voor mij leden of omgelegd werden.

Nu gebeurde er laatst iets heel onpraktisch. Ik kreeg een mailtje van de Correspondent (online journalistiek platform) over het verschijnen van een podcast van De Rudi & Freddie Show. Die ging over ‘de lessen van 3 maanden vaderschap’, een onderwerp dat me nieuwsgierig maakte omdat er momenteel nogal wat baby’s geboren worden.

Nu vond ik Rudi en Freddie wel gezellig. Daarom luisterde ik er nog wat podcasts bij; eentje over bitcoins waar ik helemaal niets van begreep, een aantal over de Nederlandse politiek en – toen ging het mis – een aantal over de zuivelindustrie.

Wat ik me nu (pas) werkelijk besef, is dat ik weg moet blijven van melkproducten als ik niet wil dat er kalven voor mijn consumptie bij de koe worden weggehaald (vindt koe noch kalf leuk), om vervolgens te worden vetgemest voor de slacht, mits ze zelf niet als melkkoe kunnen dienen (omdat ze bijvoorbeeld een mannetje zijn). Daar had ik natuurlijk eerder over na kunnen denken, maar dat heb ik niet gedaan. Sindsdien zit ik met de gebakken veganistische peren.

Er is daarbij überhaupt veel mis met de zuivelindustrie en de impact van die industrie op het klimaat geeft op zichzelf al een solide motivatie om wat minder zuivel te consumeren. Mochten jullie geïnteresseerd zijn, luister dan naar deze podcast, of juist niet, want het kan onpraktische gevolgen hebben.

Want ik kan er zelf nauwelijks meer omheen: mijn consumptie van melkproducten strookt niet met mijn wens om een zo min mogelijk negatieve impact te hebben op dierenwelzijn (en het klimaat). En dat vind ik best heftig. Een veganistisch dieet volgen is überhaupt vrij ingrijpend, laat staan in een Franse vallei waar het volk ’s winters prat gaat op alle vlees- en kaasgerechten en al moeite heeft met vegetariërs. Daarbij zit ik zelf nog boordevol vooroordelen over veganisten en wil ik absoluut niet ‘die ene zijn die moeilijk doet’. Maar ik kan niet inconsequent mijn voedingskeuzes meer maken. Het houdt gewoon een beetje op.

Dus heb ik twee veganistische kookboeken gekocht en probeer ik het maar.

Hoe het me precies afgaat?

Daar zal ik vast nog wel een aantal blogs aan wijden.

De reden waarom ik er überhaupt over schrijf, is natuurlijk niet (persé) om jullie te overtuigen van de noodzaak om veganist te worden, om reclame te maken voor de Rudi & Freddie Show of om aan te tonen dat ik zo’n verschrikkelijk goed mens ben. Ik doe nog genoeg kwaad (voor details, stuur me een mail) en Rudi en Freddie ken ik verder niet. Natuurlijk vind ik het een interessant avontuur, maar ik denk dat ik al schrijvende vooral de behoefte voel om mijn ingewikkelde, vermoeiende, sociaal-niet-wenselijke keuze uit te leggen.

En nogmaals: voor het hele verhaal en elk mogelijk argument dat ik zelf eventueel zou kunnen hebben (gestolen van mensen die intelligent overkomen), luister deze podcast.

(Credits vooral aan Roanne van Voorst, auteur van het boek Ooit aten we dieren. Zij is het immers die me gedurende de podcast heeft overtuigd en was ook nog eens op een blauwe maandag mijn werkgroepdocent. Dat vind ik dan wel weer leuk. Al vond ik haar doodeng en moest ik allemaal doodenge presentaties geven die me nog steeds achtervolgen in mijn ergste nachtmerries.)

Ik vind dit beest dus onfatsoenlijk schattig. Daar kun je ook vraagtekens bij zetten.

Aan de bar

Het is eerste kerstavond. Op de hoek van de bar is een jongen komen zitten. Omdat het binnen koud is, zo’n 15 graden, heeft hij zijn jas nog aan en reikt zijn muts tot over zijn oren.

Hij is onze enige gast. Ik ga met tegenzin het gesprek aan, want ik ben murw van verveling sinds Covid de Grote Stilte naar onze bar bracht (de klandizie is voornamelijk Brits), kamp mede daarom al dagen met een lek in mijn tank van sociaal enthousiasme voor vreemden en kan toch niet veel anders. Mijn collega is verdwenen in de keuken, de bar is absurd schoon voor het soort vermaak dat wij bieden, de koelkasten puilen uit, we hebben genoeg limoentjes gesneden om cocktails te maken voor de hele vallei.

Na gesproken te hebben over mijn herkomst (Amsterdam) en de zijne (vergeten), begint hij over zijn beste vriendin, die de feestdagen in Briançon doorbrengt en tevens haar ex bezoekt. Die ex is toevallig ook de huisgenoot van de gast aan de bar, en de huisgenoot probeert haar blijkbaar deze eerste kerstavond te heroveren. Ik moet er even over nadenken. Met name omdat ik vermoed dat de ex in kwestie precies dezelfde dame is die volgens getuigenissen afgelopen nacht bovenop mijn verantwoordelijke heeft doorgebracht. Dat zeg ik niet tegen mijn gast.

Techno klinkt luid door de speakers. Mijn collega houdt enorm van techno. Hij komt aanzetten met gefrituurde kip, falafel en ketchup. Ik duw af en toe een falafelbol in de ketchup en buig mezelf over de bar om mijn enige gast te kunnen verstaan.

Die begint enthousiast een inschatting te maken van de kansen van zijn huisgenoot om zijn ex terug te winnen, maar wordt onderbroken door de komst van vier jongens. Ik heb ze al eerder gezien, ze zijn elk een jaar of dertig oud met keurig gekapt haar, dure winterschoenen en een aanwezigheid die me op de een of andere manier tegenstaat. Ik ben in een matig humeur, zij spelen biljard. Na een tijdje zijn ze dronken en vind ik ze eigenlijk wel gezellig. Eentje heeft toevallig een jaar in Maastricht gestudeerd, iets met human rights. Even popel ik om hem te vertellen over de migrantenproblematiek van Briançon waar ik zo verschrikkelijk bij betrokken was, maar dan wantrouw ik mijn motieven en houd mijn mond.  

‘Het zijn rijkeluisjongens’, zegt de gast aan de bar, knikkend naar het gierende viertal. ‘Hoe weet je dat?’, vraag ik hem toch een beetje nieuwsgierig. Hij zegt iets over vijftigbiljetten, ik versta hem slecht omdat de techno hard door de ruimte dreunt of ik zelf ondertussen doof ben geworden. Daarna kijk ik voor lange tijd wezenloos op mijn telefoon, hij ook, mijn collega ook, en spelen de jongens hun biljard.

Even later merk ik dat een van de jongens contact legt met de gast aan de bar. En weer, en weer, en weer. Hij strijkt door zijn blonde lokken, schuift een barkruk aan en gaat op een gegeven moment zo dicht bij de gast zitten dat ik me afvraag of ze flirten. Tot mijn verbazing richt de gast zijn aandacht tot mij en vraagt om een papiertje. ‘Wat voor een papiertje?’ ‘Gewoon, een papiertje.’ Mijn collega is me te snel af en geeft de jongen een blaadje van het notitieblok. Die komt van zijn kruk af en gaat direct naar de WC.

Vragend kijk ik mijn collega aan.
‘Cocaïne’, fluistert hij.
‘Oh’, antwoord ik.

Natuurlijk. Dat had ik kunnen weten. Cocaïne en kerstmis gaan namelijk prima samen.

Een uur later zijn de jongens verdwenen maar zit de gast nog aan de bar, inmiddels omringt door zijn vrienden. Die hebben de nacht ervoor zo hard gefeest dat ze lijden onder hun kater, een reden om limiet onbeleefd te zijn. Ik kan interesse noch sympathie voor ze opbrengen en kijk elke vijf minuten naar de klok op mijn telefoon. Die brengt me gestaag naar mijn verlossing.

Om tien uur zit ik in de auto, om half elf kruip ik bij Thibault in bed. Ik sla mijn armen om hem heen en fluister in zijn slapende oor dat ik volgend jaar toch eigenlijk wel kerstmis wil vieren.



(Misschien schets ik een nogal grim plaatje van mijn werk in een bar, dit was absoluut niet de beste avond. Er zitten goede bij.)

Kiezels


Les Terrasses is de naam van het voormalige bejaardentehuis waar Refuge Solidaire de eerste drie verdiepingen huurt. Zowel de tweede als derde verdieping geeft toegang tot een drietal terrassen waar migranten ’s winters hun sigaret roken en ’s zomers in de zon zitten.

Het terras op de derde verdieping is zo groot als een basketbalveld en ligt vol met kiezels. Misschien was dat prettig of mooi voor de bejaarden, maar migranten hebben er niet zoveel aan (je kan er nu eenmaal niet zo goed op basketballen). Toch hebben de kiezels tot een vorm van amusement geleid.

Drie Afghaanse broertjes tussen de vier en zeven jaar oud verveelden zich op een willekeurige herfstdag in het vluchtelingencentrum en stuitten toen op een terras vol kiezels. Ze vulden elk een handje, liepen naar de rand van het terras, zetten hun voetjes op de onderkant van de stalen balustrade en probeerden een voor een verschillende objecten te raken. De weg lag daar zo’n vijf meter onder. Blijkbaar mikten ze vooral op geparkeerde auto’s van de buurtbewoners, en (godzijdank) niet op voetgangers, fietsers of ander langsrijdend verkeer.

Wij werden van hun spel op de hoogte gebracht door een tweetal buren dat plotseling in de receptie verscheen en getuigde van een wonderlijke kiezelregen. Ze hadden hun auto’s met urgentie moeten verplaatsen. Geen schade. Wij grepen natuurlijk direct de kinderen in de kraag en brachten ze naar hun ouders, wat lang niet zo leuk bleek als het gooien van kiezels op objecten.

Even later stond er daarom nog een buurman op de stoep. In de voorruit van zijn auto zat een enorme barst. Boos was hij niet, verre van. Verlegen misschien zelfs. ‘Ik begrijp dat jullie er niets aan hebben kunnen doen, maar ik ga toch langs de politie, want mijn ruit moet nu eenmaal vergoed worden. Ik heb mijn auto elke dag nodig maar zit financieel ook weer niet zo ruim. Het spijt me op recht.’

Onze verzekering dekte ons niet, waardoor we meer dan 600 euro voor de ruit moesten neerleggen. Aan de kiezels konden we inderdaad weinig veranderen, want geld om het terras te vervangen hadden we niet en als we ze gewoon weg zouden halen, dan zou blijkbaar het gebouw onderlopen bij de eerstvolgende regenval. We konden evenmin de kinderen in de gaten houden, omdat we al nauwelijks de mankracht hadden om het dagelijks leven op correcte wijze te organiseren. Alleen de komst van de winter en een flinke lading sneeuw zou ons kunnen helpen, en die kwam zoals afgesproken zo’n maand later.

Tot onze verassing stond er toen ook iemand anders voor de deur: de buurman. In zijn handen hield hij zijn CV. ‘Ik kom vrijwilligerswerk voor jullie doen. Ter waarde van 600 euro, plan me maar in.’ Hij had er niet van kunnen slapen, zei hij, want Refuge Solidaire had die 600 euro ongetwijfeld zelf nodig gehad, en hij toch ook wel, maar wij misschien nog meer, maar hij ook écht, en de enige manier voor hem om zich er goed over te voelen, was om ons te helpen.

De eerstvolgende keer dat ik hem zag, stond hij in onze keuken boven een enorme pan met groentesaus.

Vandaag denk ik aan duizenden kiezelsteentjes onder een laag sneeuw, de fantastische buurman van Refuge Solidaire en drie Afghaanse broertjes die misschien wel ergens in Europa een klein beetje dat gekke kerstfeest van ons vieren.   

Een deur en een kompas


Sinds ‘het contract’, dat na mijn laatste werkdag bij Refuge Solidaire zo is gaan heten, heb ik moeite met schrijven. Zodra ik achter mijn laptop ga zitten, voelt het alsof ik op het punt sta om een deur te openen naar een gigantische storm met windstoten die me stuk voor stuk op zullen pakken, mee zullen nemen, heen en weer zullen schudden en me uiteindelijk als lapje voor het scherm zullen achterlaten.

Daarom eindig ik meestal op een nieuwssite, of iemands anders blog.

Mijn theorie was aanvankelijk om de deur telkens op een kiertje te zetten en kleine vraagstukjes door te laten. Maar zonder de storm waar ze vandaan komen en deel van uit maken, lijken ze nauwelijks kracht of betekenis te hebben. Wat ik nu denk is dat ik gewoon aan de storm moet wennen (of de deur voor altijd gesloten moet laten, een verleidelijke optie).

Wat is die storm dan? Ik vermoed chaos. Het niet werkelijk begrijpen van ongelijkheid, mijn eigen positie en rol daarin en wat die impliceren voor mijn dagelijks leven, mijn verantwoordelijkheden en het soort persoonlijke toekomst waar ik me zelf goed genoeg over moet voelen.

Ik zeg vaak tegen Thibault: het voelt alsof mijn morele kompas op hol is geslagen. De manier waarop ik gewend ben om te leven en te denken ligt niet meer in lijn met mijn gevoelsmatige polen van goed en kwaad. Daarom kan ik die deur naar die storm (mijn excuses voor al die metaforen, ik kan even niet anders) niet zo lang meer gesloten houden, het is immers best vreemd om toch de hele tijd een beetje te voelen dat er iets niet helemaal meer klopt.

Wat ik misschien even moet vermelden is dat ik sinds het contract mijn ‘oude’ leven weer heb opgepakt. In grote lijnen: ik werk in een bar, studeer, ski en klim. Daarbij werk ik één dag in de week vrijwillig voor Refuge Solidaire, en word ik dus tegenwoordig vergezeld door één gesloten deur naar een gigantische storm en één op hol geslagen moreel kompas.

Natuurlijk piept die deur af en toe open, met alle gevolgen van dien. Wat ik me in de dagen daarna altijd grondig besef is mijn gebrek aan kennis, misschien wel mijn gebrek aan een filosofische basis (is dat nodig?) en in elk geval een groot gebrek aan gereedschap om een soort van positie voor mezelf uit houwen in die grote chaos van een wereld. Het lukt me zelfs nauwelijks om een mening te vormen, nu ik een klein beetje heb ervaren hoe ingewikkeld, chaotisch, oneerlijk en schrijnend het allemaal is.

Voorlopig moet ik het daarom doen met andermans analyses en meningen.

Je zou ook kunnen zeggen dat ik gewoon een beetje in de war ben. Deze gehele blog had ik misschien als volgt kunnen schrijven: Momenteel schrijf ik wat minder want ik ben een beetje in de war.

Verder gaat het overigens wel gewoon goed. Zolang ik kan klimmen en skiën, ben ik nu eenmaal dikwijls blij als een kind. In hoeverre mijn huidige leven echter ‘houdbaar’ is, wanneer de wijzers van mijn morele kompas zich eindelijk zullen kalmeren en vooral in welke stand ze stil komen te staan, wat de werkelijke impact is van het eventueel ‘openen van de deur’, in hoeverre deze metaforen werkelijk staan voor de verwarring die ik voel, dat alles weet ik niet. Het enige wat ik hoop, is dat het me toch lukt om erover te schrijven (met eventuele gevolgen van dien), omdat zelfs een chaotisch verhaal als het bovenstaande me enigszins helderheid geeft in wat er gaande is en toch ook wel een interessante periode weergeeft.

(Metaforen waar ik ook nog aan heb gedacht: de struisvogel en de kop in het zand, het leven in een bubbel en natuurlijk het wel of niet de kop uit de bubbel steken (of de bubbel die spontaan uit elkaar spat)).




Het drama van de dertigjarige vrouw


Al vanaf mijn veertiende brengen verjaardagen de crisis van het ouder worden. Sinds mijn denken enigszins op gang is, ben ik me tergend bewust van de voordelen van onwetendheid, roekeloosheid en onverantwoordelijkheid. Ik wil niet terug, maar alles dat me dichter bij het drama van de dertigjarige vrouw brengt maakt me dieptreurig. Ik ga mijn creativiteit vastbinden met ductape. Eenieder die zich waagt aan mijn vertrouwen en optimisme stuur ik mee naar Spanje. Ik heb back-up van honderd zwarte pieten, elke verjaardag, hoe oud ik ook word.

Ik vind het mooi om te zien hoe mijn vrienden steeds noemenswaardiger worden. De tijd brengt ons persoonlijkheden. Toch, vanuit een duistere invalshoek, brengt de tijd me dit jaar eenentwintig niet uitgevonden eieren. Een ei per jaar. Ik had een tophockeyende soulartiest met Braziliaanse kinderen, bestsellers en een grote gekleurde pappagaai kunnen zijn.

De eerste pepernoten herinneren me eraan, maanden voordat ik jarig ben. Wanneer de Albert Heijn vol kinderschoenen staat weet ik dat Sinterklaas is gearriveerd, met de crisis van het ouder worden in de juten zak van zijn zwarte pieten.

Maar dit jaar heb ik wél een ei uitgevonden. En dat is het ei der besef van daadkracht. Ik word geen treurige dertiger wanneer ik geen treurige dertiger wil worden. Ik word gewoon heel blij, altijd, ongeacht hoe vaak ik Sinterklaas al aan wal heb zien stappen. Dus nu ga ik pepernoten eten en een feestje vieren op de beat van de zwarte pietenrap.

Ik heb het niet kunnen vermijden: vandaag ben ik dertig geworden. Daar stel ik mijn 22-jarige zelf natuurlijk bijzonder mee teleur.

Ik vind het zelf wel leuk.
Zo leuk dat ik zelfs een feestje heb gevierd (met allemaal andere treurige dertigers).

Liever word ik ouder. Het bevalt me wel. Ik ben dankbaar, blij en nieuwsgierig.

Op naar het drama van de veertigjarige vrouw.

De enige juiste manier om jarig te zijn: met Fiek in de sneeuw.

De Franse Jatpiet



Rommelpiet had de hele klas overhoopgehaald. Stoeltjes waren omvergelopen, de grond lag bezaaid met legoblokjes en Zondag volgde gek genoeg op Dinsdag. Het was 18 november en ik bracht een ochtend door tussen zestien uitgelaten kleuters onder de hoede van mijn moeder, in groep 1/2 van een basisschool in Hoofddorp. En het wás nogal een ochtend. Disco-sinterklaasmuziek klonk al door de aula om een uurtje of acht. Rommelpiet had ook de tafels op de kop achtergelaten en zelfs per ongeluk alle schoentjes verstopt, maar tot ieders opluchting was het tevens in hem opgekomen om in elk schoentje een chocoladesinterklaas te stoppen.

Hoe leg je dit nou uit aan je Franse vrienden? Ze weten vaak niet eens dat Sinterklaas bestaat (en wij in Nederland grotesk zijn verjaardag vieren). Meestal pak ik al gauw de kerstman erbij, waar hij nu eenmaal erg op lijkt, en laat de stoomboot, roetveegpiet en wortels voor het paard min of meer achterwege zodra ik merk dat de interesse van mijn Franse gesprekspartner nu ook weer niet reikt tot Diewertje Blok van het Sinterklaasjournaal.

Maar omdat ik nu eenmaal vlak voor vijf december in Nederland was en via de kleuters razendsnel besmet raakte met het Sinterklaasvirus, vond ik het bijzonder leuk om stiekem mijn tas vol chocoladeletters, pepernoten en marsepein te laden en het geheel naar Frankrijk te schepen (met de Flixbus). Tot drie keer toe ben ik op mijn vaders achteruittrapremfiets naar de winkel gereden om alle juiste letters bij elkaar te verzamelen.

Nu ben ik zelf denk ik nét iets georganiseerder dan rommelpiet, maar toch moest ik tijdens het reizen terug naar Frankrijk behoorlijk op mijn spullen letten om niet alle chocoladeletters per ongeluk in het toilet van de bus achter te laten. Daarom bestempelde ik één groene rugtas tot belangrijke-dingen-tas die ik niet uit het oog zou verliezen. Daarin zat: mijn laptop, spiegelreflexcamera, portemonnee, telefoon, paspoort, etui met lievelingspen, dagboek en meditatieboek (om kalm te blijven wanneer ik toch zou ontdekken dat ik de chocoladeletters in het toilet van de bus had achtergelaten).

Halverwege de busreis kwam ik erachter dat ik de allermooiste chocoladeletters, de T van Thibault en de F van Fieke, gekocht in een echte chocoladewinkel in Haarlem, bij mijn ouders vergeten was. Mijn moeder, die het belang van dit soort zaken natuurlijk direct juist inschat, had de letters gelukkig al lang in een kartonnen doos op de post gedaan. Na een flinke reis, en met een redelijk gevoel van succes, kwam ik die middag aan bij de ouders van Thibault in Grenoble en liet behoorlijk trots al het snoepgoed aan mijn vriendje zien. Daarna stopte ik de chocoladeletters wijselijk terug in mijn bagage, want ik had al eens eerder meegemaakt wat er gebeurt als je Thibault en Hollands Snoepgoed zonder surveillance in dezelfde ruimte achterlaat.

We deelden natuurlijk wel een zakje truffelpepernoten.

De volgende avond zouden we mijn reis terug naar Briançon met de auto voortzetten. Daarom besteedde ik verder geen aandacht meer aan mijn organisatie en veranderde gedachteloos de inhoud van de belangrijke-dingen-tas. Daarin zat nu: al het snoepgoed en nog steeds het etui met mijn lievelingspen, mijn paspoort, dagboek en meditatieboek. We maakten van de gelegenheid gebruik om met wat vrienden uit Grenoble falafelbroodjes te eten en parkeerden de volgeladen auto in het centrum van de stad (daar hadden we misschien iets langer over moeten nadenken). Toen we een uurtje later terugkwamen zei ik verbaasd tegen Thibault: ‘Kijk dit nou, het slot in de deur van de bestuurder is er niet meer’. Een gapend gat zat op de plek waar ik de sleutel wilde steken. ‘Oh’, zei hij, ‘dat is me nog niet eerder opgevallen. Mis je iets?’ Ik wierp vlug een blik op het binnenkantje van de auto, maar omdat Thibault nog een stuk rommeliger is dan rommelpiet en hij de auto twee weken lang voor zichzelf had gehad, zag ik zo één twee drie niets ontbreken. Mijn portemonnee lag gewoon in het handschoenenvak, de spiegelreflexcamera weggestopt achter een laag tassen op de achterbank en mijn laptop in mijn reistas in de koffer.

De volgende morgen werd ik vrolijk wakker, want ik zou de hele dag lang voor cadeaupiet spelen en mijn Franse vrienden ongevraagd een klein beetje ons grote Sinterklaasfeest mee laten vieren. Tien minuten later constateerde ik met verdriet het bestaan van de Franse jatpiet: de belangrijke-dingen-tas was natuurlijk nergens meer te bekennen.

Die tas blonk uit in wat er allemaal in had kunnen zitten maar er nu bij toeval niet meer inzat: mijn laptop, spiegelreflexcamera, portemonnee, telefoon en de twee allermooiste chocoladeletters die een paar dagen later via de post zouden aankomen.

Helaas laat een dagboek vol reflecties op twee bijzondere jaren zich toch ook niet zo makkelijk vervangen en kun je een lievelingspen niet zomaar weer aanschaffen. Mijn paspoort voelt daarbij bijzonder waardeloos in handen van een Franse jatpiet maar o-zo-praktisch in de mijne en dat meditatieboek had ik best wel acuut kunnen gebruiken om het zojuist geleden verlies te relativeren.

Uiteraard had ik die bende van Franse jatpieten ook liever niet willen belonen met een tas vol snoepgoed. Waar ik dan stiekem toch wel een klein beetje om kan lachen: hun buit was waarschijnlijk uiterst onverwacht. Ik zie ze voor me in hun kamer, hoopvol de tas openritsen en met verbazing al die chocoladeletters tevoorschijn halen. Geen cent rijker maar dan toch plotseling smikkelend in een hoekje van de kamer, de ogen groot van al de suiker, flink wat chocolade rond hun mond, de grond bezaaid met pepernoten, marsepein en lege letterdozen, waarop de eerste letters van de namen van mijn Franse vrienden tegen die tijd bijzonder betekenisloos staan afgebeeld.

Ik hoop dat ze er dan toch maar van genieten, dat Sinterklaasfeest van ons.

(Ik had in dezelfde tas ook appelstroop, stroopwafels en verschillende soorten hagelslag gestopt, waaronder krokodillenhagelslag voor Thibault. Het stemt me nog steeds triest dat ik hem daar nu niet meer mee kan verassen. Voordeel is dat ik ongetwijfeld binnenkort naar Nederland moet voor een nieuw paspoort; dan koop ik vijf van die pakjes krokodillenhagelslag, stop er in elke tas één en doe er meteen maar eentje op de post. Dat lijkt me nog de veiligste route.)

(En ik hoop natuurlijk stiekem dat de Franse jatpiet door het Franse broertje (of achterneefje of iets dergelijks) van Sinterklaas wordt aangesproken op zijn gedrag en onder dreiging van een enkeltje Spanje mijn dagboek, paspoort en pen terug komt brengen, desnoods vol roetvegen. Dan zal ik nooit meer een auto vol chocoladeletters in Grenoble parkeren, want ik snap best dat je ze daarmee in de verleiding brengt.)

Partytent

De eigenaren van Les Terrasses Solidaires besloten een week voor het einde van mijn contract om het gebouw te sluiten voor al haar huurders, een dag na de inauguratie van de nieuwe locatie, omdat ze erachter waren gekomen dat de situatie vrijwel onhoudbaar was (de migranten lagen weer eens in bosjes in het couloir). Het was eindelijk tijd voor de overheid om haar verantwoordelijkheid nemen. We zouden pas heropenen als zij ons beloofde zich te ontfermen over de migranten die wij volgens de norm van het gebouw geen plek meer konden bieden (nummer 81, 82, 83 etc.)

De migranten worden nu al een week lang ondergebracht in een zaal naast de kerk, en de overheid wil niet onderhandelen (die vindt het misschien wel prettig dat we moesten sluiten). De kerk ligt onderaan Briançon en Les Terrasses bovenaan; we slepen al het eten, de dekens en de vrijwilligers dus heen en weer tussen beide locaties.

Inmiddels is er geen plek meer over in de kerkzaal en hebben we een extra tent moeten opzetten. Van veraf lijkt het op een witte partytent die ook op een bruiloft had kunnen staan, en soms hangt er inderdaad iets feestelijks in de lucht, wanneer de jongens voetballen of in de rij voor het buffet staan (immer rijst met saus). Maar vanmorgen begon het te sneeuwen en vannacht wordt min twaalf voorspeld. We hebben onder andere twee families met kinderen op waggelleeftijd. Het geeft een mooi plaatje, hun koppies omringt door dikke sneeuwvlokken, waar je zomaar ’s nachts wakker van zou kunnen liggen.

Ik doe ondertussen aan fulltime vrijwilligerswerk. Daarom heb ik nog geen tijd gehad om na te denken. Niet over die sneeuw of de combinatie van sneeuw en migranten, noch over de groteske aankondiging van de winter (het sneeuwt hard), de bergen en dat andere leven dat ik eens leidde. Een paar dagen geleden viel een cursusgenootje van de CRET van een berg in Nepal, daar heb ik ook nog niet over nagedacht. Ik voel dat alle reflecties en emoties in de wacht staan (ze popelen om toegang).

Er staan ook veel onafgemaakte verhalen in de wacht. Over Afghaanse kindjes die kiezelstenen naar voorbijrijdende auto’s gooien en de vooruit van de buurman breken, over zakjes urine in een bus, over een migrant die zijn laatste 10 euro besteedt aan het vervoer van een andere migrant en daardoor mijn receptioniste in huilen doet uitbarsten, over een vrijwilliger met OCD die te midden van de ergste crisis nog steeds kledinghangers op kleur, materiaal en dikte sorteert en over het vreemde fenomeen van de politie die blijkbaar regelmatig met ons meeluistert, waardoor ik me constant afvraag welke amusementswaarde mijn dagelijks leven heeft voor de meneer of mevrouw aan de andere kant van de lijn (Thibault ik heb honger jij kookt vanavond, nee, de kat is bang voor de hond en trouwens er is geen toiletpapier meer).

Die komen er dus aan. Eind deze week ontmoet ik mijn kersversje nieuwe maatje Abel in Zwitserland, daarna pak ik de trein naar Nederland en daar vind ik vast de woorden. In elk geval de nodige afstand en misschien zelfs de rust om chocola van het geheel te maken.