Latest Posts

Het vluchtelingenpak

Een jongen met geblondeerde haren zegt me dat hij schoenen nodig heeft (Shoes! Shoes!). Ik kijk naar zijn voeten en zie daar twee schoenen in prima staat. Regelmatig lopen ze op blote voeten, slippers of te-kleine-schoenen-als-slippers (wat sommige mensen wel eens doen als ze even naar de brievenbus gaan en te lui zijn om de veters van een willekeurig paar schoenen los te maken). Maar ik spreek zijn taal niet en hij zou zomaar schoenen kunnen zoeken voor zijn moeder.

We lopen naar het kledinghok. Zodra ik de deur open, glipt een vriend van hem mee naar binnen. Die gaat de kledingrekken af en trekt af en toe een jasje aan, terwijl de jongen kritisch naar het schoenenrek kijkt. ‘No, madame, no, no, no….’ De schoenen worden met ernst afgekeurd – duidelijk niet zijn stijl. Ook zijn vriend vindt geen leuk jasje, en ik sluit vlug de deur achter hen zodat ik weer aan het werk kan.

Die middag heb ik een kledingverzoek van een vrouw. Ze wil helpen schoonmaken (het centrum stinkt naar een sociëteit, ik dacht dat daar bier voor nodig was maar blijkbaar is het genoeg om honderd mensen op elkaars lip te laten leven en slechts een half keer per dag te dweilen), maar ze heeft er de juiste kleding niet voor. Haar joggingsbroek en capuchontrui lijken me perfect voor een schoonmaaksessie, en daarom denk ik dat het misschien gaat om een vervangend set voor later.

In het kledinghok begrijp ik het pas. Haar broer of man vergezelt haar en samen zoeken ze naar een kledingstuk dat tot haar knieën reikt. Ik zie ze mannenvest na mannenvest in enorme maten uit de rekken trekken, maar telkens blijken de kledingstukken niet lang genoeg. Bedekkende kleding voor vrouwen hebben we niet. Uiteindelijk vindt ze een jas, best een leuk exemplaar, felrood met houten knopen, die tot haar vreugde precies over haar knieën valt. De pijpen van haar joggingsbroek steken eronder uit. Even later zie ik haar de gang dweilen.

In de dagen die volgen ben ik me veel bewuster van de absurde kledingcombinaties die sommige tentoonstellen. Een enorme man op waterschoenen met glitters, een zwangere vrouw in een Hello Kitty trui, dikke wollen vesten boven dunne sportbroekjes, onze afdankertjes op alle mogelijke manieren bij elkaar gecombineerd. Hoewel de bezoekjes aan het kledinghok soms iets lichts hebben (toch maar even iets leuks zoeken nu we toch een trui nodig hebben) dienen ze voornamelijk om mensen warm te houden en voeten te beschermen. Een vluchtelingenpak waarvan sommige het beste proberen te maken.


Refuge Solidaire: een uitleg

Het vluchtelingencentrum Refuge Solidaire werd opgericht in 2017, omdat er via de bergen aan Italiaanse zijde grote aantallen migranten Briançon binnenkwamen – en nog steeds komen. Briançon is een kleine stad waar een aanvraag voor asiel niets uithaalt, dus reizen asielzoekers door naar grote steden als Parijs en Lyon, of verder richting het noorden.

De tocht door de bergen naar Frankrijk is echter fysiek zwaar en vluchtelingen die hier aankomen (waaronder ouderen, geblesseerden, zwangere vrouwen en jonge kinderen) hebben behoefte aan eten, drinken en onderdak voordat ze hun reis doorzetten. Refuge Solidaire geeft ze even rust, voordat ze in een grote stad terug op straat belanden.

Het statuut voor de Franstaligen:

« Considérant qu’il est indigne de laisser dans la rue des migrants arrivant dans le Pays du grand Briançonnais par la montagne, qu’ il est nécessaire de leur donner un temps de repos et d’écoute afin qu’ils retrouvent leur dignité et fassent valoir leurs droits, il est décidé de créer une association afin de gérer au quotidien des lieux d’accueils en partenariat avec les collectivités locales, les associations locales, des ONG.
                La finalité est de permettre aux migrants de dormir, de manger, de se laver, d’avoir accès aux soins, à leurs droits et toutes autres nécessités, grâce à un premier accueil d’urgence de quelques jours dans des conditions décentes. »


Een grote groep vrijwilligers uit Briançon en vrijwilligers uit andere steden of landen zijn direct betrokken bij het (min of meer) laten functioneren van het dagelijks leven binnen het centrum, zoals het voeden van soms honderdzestig mensen per avond, het wassen van evenveel lakens en een te klein aantal vaak smerige wc’s, het geven van medische hulp en het ondersteunen van mirganten bij het plannen van hun vervolgreis. Hoeveel en hoe vaak sommige van hen zich investeren is indrukwekkend: er zijn er meerderen van een jaar of zeventig die ruim veertig uur per week onder het dak van de Refuge doorbrengen, en dat al jaren achtereen.

Organisaties zoals het Rode Kruis, Emmaüs en Secours Catholique bieden noodzakelijke ondersteuning, de rest wordt overeind gehouden door persoonlijke giften en donaties van kleding, medicatie en eten. Refuge Solidaire is daarom in staat twee mensen fulltime uit te betalen, waarvan één receptioniste en één coördinatrice van vrijwilligers. Maar er zijn een hoop meer werknemers nodig om de huidige toestroom aan vluchtelingen op te kunnen vangen onder correcte omstandigheden zonder de huidige werknemers en vrijwilligers op korte termijn een burn-out in te jagen.

De vereniging kijkt daarom momenteel naar het aannemen van een bewaker, een schoonmaker/klusjesman of -vrouw, een kok en iemand die alles bij elkaar coördineert, alhoewel het te besteden budget voorlopig niet toereikend lijkt te zijn. En in alle eerlijkheid draait zo’n tent alleen correct op basis van minstens twintig werknemers, maar ik ben inmiddels genoeg thuis in de humanitaire wereld om te vermoeden dat we altijd achter de feiten aan zullen blijven lopen (hollen, sprinten).

De verhuizing

Ik ben zelf binnengekomen nét na de verhuizing, middenin een bijzonder moeilijke periode die ik nog steeds leer begrijpen.

Het oude vluchtelingencentrum lag vlak naast het station in het midden van een woonwijk (toevallig naast mijn oude muziekschool). Het gebouw was veel te klein voor de toestroom aan migranten en de gemeente wilde ze er weg hebben. Drie mensen kochten toen een enorm gebouw (een oud bejaardentehuis) wat hoger in de vallei, dat uiteindelijk door meerdere verenigingen gehuurd zou worden, waaronder Refuge Solidaire.

Dit gebouw moest echter gerenoveerd worden om te corresponderen met de veiligheidsnorm, waardoor een deel van de raad van de vereniging (de beslissing-makers) ging klussen (héél hard ging klussen) en even wat minder aandacht besteedde aan het dagelijks leven in het oude gebouw. Ondertussen werd de stroom vluchtelingen zo groot dat de aanwezigen in het oude gebouw het niet meer aankonden, brak Covid uit, kon niemand weg omdat de Pass Sanitair werd ingevoerd (waardoor ongevaccineerden/niet-geteste vluchtelingen geen bus of trein meer konden pakken) en ontstonden er gevechten. De situatie was onhoudbaar en dus besloot de raad om Refuge Solidaire tijdelijk te sluiten, de boel de boel te laten in het zicht van anderen, met onder andere als argument dat de overheid deze problematiek eindelijk eens onder ogen moest komen en verantwoordelijkheid moest nemen (de overheid kijkt nog steeds de andere kant op). 

Het gevolg van dat besluit was dat een groot aantal vrijwilligers geen steun meer had van de organisatie en tegenover een groep van meer dan honderd migranten stond. Hoe dit er in de praktijk uitzag weet ik niet, maar er zijn in elk geval een hoop centrale personen verdwenen. De enige twee werknemers kwamen met een burn-out op de bank terecht en de rest is nog steeds heel boos.

Een week later verhuisde de hele bedoeling met veel haast, technisch en organisatorisch te vroeg, en toen kwam ik binnenlopen.

Overbezetting

Het nieuwe gebouw heet Les Terrasses en huisvest dus meerdere verenigingen, waarvan Refuge Solidaire verreweg het grootst: wij nemen twee etages in beslag, de andere hebben elk een kamertje. Manager en verantwoordelijke van Les Terrasses (het gebouw) is Thomas met de baard. Als er brand uit breekt of dingen instorten, dan komen ze bij hem aankloppen.

Het maximale en ideale aantal vluchtelingen dat we in een tiental kamers kunnen opvangen, is vijftig. Legaal mogen we tot tachtig vluchtelingen huisvesten, waarvoor we klapbedden uit de kast halen die in de eetzaal en op de gang terecht komen. Als we een nachtwaker inhuren, kunnen we dat getal oprekken tot 96 man. Komen we daarboven en vliegt de boel in de fik, dan hebben we een héél groot probleem.

Nu zijn er twee dingen gaande: sommige vluchtelingen roken – als het even kan in hun slaapzak – en er zijn er doorgaans tussen de 130 en 160 van. Thomas met de baart slaapt daarom niet meer ’s nachts.

Wat nu? Zelfs al zouden we willen, een selectie aan de deur is niet mogelijk. We hebben al een chronisch gebrek aan vrijwilligers (er zijn er immers nogal wat vertrokken) en de weg terug naar binnen is gauw gevonden. Veel mensen vinden het daarbij ethisch onverantwoord om wie dan ook naar buiten te gooien. De nachten vallen nu nog wel mee, maar Briançon is een bergstad waar de temperatuur binnenkort flink zal dalen. Als we ons echter niet aan de limiet houden, riskeren we opdoeking van het hele centrum (en daarmee de verspilde moeite van veel mensen die zich jarenlang heel hard hebben ingezet en bovendien honderden migranten die acuut op straat terecht komen) of in het ergste geval, een brand waarbij veel doden kunnen vallen. En een brand is echt niet zo ondenkbaar als we allemaal zouden willen.

Het lastige aan deze situatie is onder andere dat betrokkenen lijnrecht tegenover elkaar komen te staan. Thomas met de baard, eindverantwoordelijke, zich zéér bewust van de risico’s, weet en voelt hoe wankel het allemaal nog steeds staat. Hij stelt een harde grens bij tachtig en heeft vrijwel alle oudere vrijwilligers aan zijn kant. Een deel van de jongere generatie wil echter geen concessies doen en lapt graag de regels (de norm) aan de laars voor onderdak van iedereen die anders op straat zou komen te staan.

Een ander probleem van de huidige bezetting is dat het gebouw nu al degradeert. Overdag hebben we zo’n tiental vrijwilligers (soms een stuk minder, soms een stuk meer) verdeeld over het koken, de receptie, de was en de schoonmaak voor honderd plus mensen. Natuurlijk helpen de migranten vaak mee, maar de taak is simpelweg te groot, de grond altijd vies, de toiletten altijd verstopt, te veel wasgoed om te wassen en te veel gebouw om te redden van geleidelijke ondergang.

Daarbij zitten mensen uit veel verschillende landen met veel verschillende religieuze achtergronden, vaak met een miserabel verleden en een miserabel toekomstperspectief, dikwijls getraumatiseerd, hutjemutje op elkaar. Dat er soms gevechten uitbreken, is niet heel verbazingwekkend. Dat er joints worden gerookt en alcohol wordt geconsumeerd, evenmin.

Ook wil een klein deel van de vluchtelingen simpelweg niet graag weg. Waar ze bij ons kunnen eten, drinken en slapen, zij het in chaos, hebben ze buiten onze muren geen enkele mogelijkheid en kijken ze aan tegen een leven op straat, met name wanneer hun asielaanvraag kansloos lijkt. Er zijn een aantal die systematisch problemen veroorzaken en heel moeilijk gedrag vertonen (die me uitlachen waar ik bij sta) maar eruit gooien kan je ze nauwelijks (niet op grond van ons statuut en ook niet in de praktijk). En zolang we zelf achter de feiten aanhollen, kunnen we ze het leven ook niet moeilijk(-er) maken, noch ze helpen zoeken naar een aantrekkelijker alternatief.

Vaak breken baby’s en kinderen mijn hart wanneer ik ze in een hoek zie liggen, maar van deze jongens weet ik vrijwel zeker dat het leven ze niets meer zal geven en zijzelf de weg omhoog niet zullen vinden. Daarom denk ik ’s avonds vaak aan hén, wanneer ik in mijn eigen veilige bed lig.

Covid

Vanwege het virus komt het Rode Kruis drie keer per week vluchtelingen testen. Zij met een negatieve uitslag krijgen een Pass Sanitair en kunnen doorreizen. Zij met een positieve uitslag kunnen niet weg. Voor hen hebben we een geïmproviseerde Covid-kamer (ook wel: een kamer vol covid), maar covid houdt zich soms rustig en besmette vluchtelingen voelen niet altijd de urgentie van een quarantaine. Hoe snel zo’n virus zich door ons gebouw verspreid, is niet heel lastig om te bedenken (hutjemutje + massaal ongevaccineerd + weinig mondkapjes). Gek genoeg valt het tot nu toe wel mee, maar een grote uitbraak ligt ongetwijfeld in de nabije toekomst.

Hoop

De omvang van het gebouw en de hoeveelheid betrokkenen bij Refuge Solidaire, vragen om een professionele aanpak van het dagelijks leven, een solide planning en personeel dat verstand van zaken heeft. Maar de organisatie wordt overeind gehouden door een flinke handvol (inmiddels oude of vermoeide) vrijwilligers die het vaak niet met elkaar eens zijn, vrijwilligers die even een weekje komen helpen en slechts twee werknemers waarvan ik momenteel één ben (en mijn professionele ervaring met dit soort organisaties is letterlijk nul). Geld voor verdere professionalisering ontbreekt. Een nieuwe bron aan gemotiveerde lokale vrijwilligers zou een deel van de problemen kunnen oplossen, maar de kleine stad van Briançon is uitgeput. Daarbij is het dagelijks leven binnen het centrum momenteel zo uitdagend (ze vergelijken het met een War Zone, realiteit is dat je met beperkte middelen en mankracht van de ene in de andere crisissituatie schiet en tegelijkertijd blootgesteld wordt aan een flinke doses humanitaire misère) dat vrijwilligers moeilijk te overtuigen of aan te houden zijn.

Wat geeft me hoop?

Mensen zoals Marie de keukenkoningin. Ze loopt tegen de zeventig, komt tot aan mijn schouders en werkt vijf dagen per week, van acht uur ’s ochtends tot vier uur ’s middags, in onze keuken. Waarom? Omdat Marie wil dat alle honderdzestig te eten krijgen. Sylvette wil dat iedereen een schoon bed heeft om in te slapen, al is het maar voor drie dagen, Emma wil dat ze op weg kunnen naar de stad om daar asiel aan te vragen, Constance wil dat de kinderen iets hebben om mee te spelen, Jawad wil dat ze een kans krijgen op een beter leven zoals zijn ouders dat ook hebben gehad en ga zo maar door. Het wemelt er van de mensen die een groot deel van hun vrije tijd opofferen om anderen met grote problemen, loodzware bagage en een onzekere toekomst heel even rust te geven. Nog nooit ben ik getuige geweest van zoveel goede wil. En dat geeft me hoop.

En dan staat er opeens een Afghaans kind voor je


Mijn therapeut vraagt me wanneer ik tijd heb voor een volgende afspraak. Ik antwoord dat het afhankelijk is van de baan die ik zal vinden. Hij blijft me eventjes aanstaren. In dat moment maakt hij, denk ik achteraf, een afweging: mijn patiënt zoekt een baan en ik heb zelf een zéér urgente vacature bij de noodopvang voor vluchtelingen, mag ik haar echter een baan aanbieden waarin ze nauw met mijzelf zal samenwerken? Is dit goed voor mijn patiënt, voor mijzelf of voor beiden?

De patiënt blijkt verbaasd maar geïnteresseerd. Even later zit ik op de fiets naar Refuge Solidaire, het vluchtelingencentrum dat sinds een week van locatie is veranderd en nu uitzicht biedt over de hele stad. Ik hoef niet lang te zoeken naar het juiste gebouw, want nergens in Briançon zitten zoveel gekleurde mensen buiten op een trap. Ik twijfel waar ik mijn fiets neer zet, want ik heb geen slot maar zie evenmin bosjes waarin ik hem kan verstoppen. Zouden vluchtelingen er iets aan hebben, mijn fiets? Voor een rondje Briançon, in die drie dagen dat ze hier mogen blijven? Even langs het park, het oude centrum, het zwembad? Ik zet hem tegen een hek, loop de trap op en ga, net als veel anderen, zitten op een muurtje. Daar bedenk ik vast maar op welke honderd manieren ik hier niet thuishoor en hoezeer iedereen dat door zal hebben, zowel de andere vrijwilligers als de vluchtelingen.  

Mijn therapeut neemt me mee op een rondje door het gebouw. Hij begroet alle vluchtelingen (ik dus ook maar) en gaat een ernstig gesprek aan met elke vrijwilliger die hij tegenkomt. Hoe gaat het, neem je wel genoeg rust, laat het allemaal van je afglijden. De vloer plakt, in hoeken liggen stapels kleding, prullenbakken puilen uit, iemand rookt en wordt naar buiten gestuurd, vreemde talen klinken door de gang en overal slapen mensen. Op veldbedjes of op de grond.

Ik leer dat het gros van de vluchtelingen momenteel uit Afghanistan komt en word er meteen met één geconfronteerd, twee bruine ogen op kniehoogte van zijn moeder, handjes vastgeklemd aan haar broek.

Terwijl we door het gebouw circuleren geeft mijn therapeut me kleine beetjes informatie over de gang van zaken in het centrum. Refuge Solidaire voorziet in eerste plaats van noodopvang. Mensen verblijven er zo’n twee of drie dagen om van hun reis door de bergen bij te komen, te eten, drinken, douchen en zich voor te bereiden op het vervolg van hun reis. De receptie helpt hen vervolgens met het boeken van tickets naar de grote steden. Soms hebben ze geld, soms niet. Er zijn gelukkig veel donaties, zowel eten en kleding als geld, maar het budget blijft krap en ondersteuning van de staat is uitgesloten. Hoe het verloopt met mensen die vertrekken is zelden duidelijk, want de stroom vluchtelingen is enorm en hun verblijf in het centrum maar kort. 

Zodra we via de achterkant weer naar buiten lopen, en ondertussen zo’n 150 vluchtelingen zijn gepasseerd, besef ik me dat ik er nog steeds niet veel van begrijp. Wie zijn het, waarom en hoe zijn ze gevlucht, wie en wat laten ze achter, waar gaan ze heen? Hoe kan zo’n immense structuur zichzelf financieren op basis van donaties? Wie zijn al die vrijwilligers en hoe belanden ze in het kleine bergstadje van Briançon? En hoe functioneert een dergelijk dagelijks leven op deze enorme schaal? Functioneert het eigenlijk wel?

Er spelen blijkbaar een aantal complexe zaken die slechts mondjesmaat aan me worden uitgelegd. De verhuizing verliep allesbehalve soepel, veel mensen zijn boos op elkaar en een significant aantal vrijwilligers heeft zich recentelijk teruggetrokken. De toestroom van vluchtelingen is daarbij driemaal zo groot als het aantal beschikbare bedden en Covid heerst. Mijn voorganger zit thuis met een burn-out.

De voorgestelde tijdelijke functie (twee maanden) luidt als volgt: coördinatrice van vrijwilligers van Refuge Solidaire. Ik heb nog nooit iets gecoördineerd en ken zowel vluchtelingen als vrijwilligers alleen uit het journaal en de zojuist gelopen ronde door het centrum, en toch zeg ik ja, een beslissing waar ik al een paar dagen later spijt van heb.

Ik groet mijn therapeut en vind mijn fiets op dezelfde plek waar ik haar heb achtergelaten. Terwijl ik naar huis rijd, voel ik me alsof ik terugkom van een spontane reis naar een moeilijk stuk wereld. Totaal overrompeld. In elk geval zal ik me voorlopig niet alleen maar op mezelf concentreren, is mijn gedachte. Zal ik mijn ogen niet meer kunnen sluiten voor het onheil naast de deur, zal ik mijn geld verdienen met iets ‘goeds’. Het feit dat ik er zo middenin val voelt daarbij alsof het op de een of andere manier voorzien is. De bedoeling. Mijn beurt om een steentje bij te dragen.

Het zal een erg groot steentje worden. 

Kwast in Kwestie



Het was elf uur ’s ochtends, die avond zou ik online mijn statistiektentamen afleggen. Tijdens mijn koffiepauze haalde ik mijn schilderspalet van stal en werkte verder aan een baby in de bijzondere wereld van de buik (een vriendinnetje van me is zwanger). Je zou dit Studie Ontwijkend Gedrag kunnen noemen, maar ik weet inmiddels dat, door een concentratieboog van zo’n dertig minuten, mijn ‘studeren’ voor ongeveer vijftig procent uit werkelijk ‘studeren’ bestaat en voor vijftig procent uit afleidende zaken zoals het opruimen van het huis, schrijven van blogs en kijkjes in de koelkast of er ondertussen geen lekkere dingen zijn verschenen. En dat is niet erg. Ik moet gewoon twee keer zoveel tijd nemen.

Hoe dan ook, Tigrou kwam langs en zou onbedoeld voor een hoop afleiding zorgen. Hij strekte zich uit over mijn werktafel en ik aaide hem gedachteloos, tot ik zag dat hij met zijn billen in mijn verfpalet was gaan liggen. Die zaten dus onder de vlekken. Rood, groen, roze, blauw, wit. 

Aanvankelijk moest ik erom lachen, tot ik me bedacht dat olieverf ongezond is voor een mens en ongetwijfeld ook voor een kat. Ik moest dus de billen van mijn kat schoonmaken voordat hij dat zelf zou doen.

Niet alleen laat olieverf zich erg moeilijk uit kwasten wassen, deze kwast in kwestie had daar helemaal geen zin in. Na een aantal rondjes door het huis met een ingezeepte spons in mijn hand en Tigrou zo kleurrijk als voorheen, suggereerde Thibault hem met terpentijn schoon te maken, dan zou het misschien wat makkelijker gaan. ‘Nee!’, riep ik, ‘dat is hartstikke giftig’.
‘Ja, maar dat verdampt voordat hij eraan gaat likken. En als het zo giftig is, zal hij er überhaupt niet aan beginnen, toch? Beesten hebben daar een instinct voor.’
Waarschijnlijk had statistiek opstoppingen in mijn brein veroorzaakt, want ik stemde in en rende vervolgens met een vaatdoek vol terpentijn achter Tigrou aan. Het resultaat was dat hij nu onder de verf zat, én de terpentijn, en zich boos in een hoek van het huis verschool om zichzelf verwoed schoon te likken.

Enigszins in paniek belde ik de dierenarts, die bevestigde dat vooral terpentijn erg problematisch was en ik Tigrou zo snel mogelijk in bad moest stoppen. Ze kende duidelijk Tigrou nog niet. Dus achtervolgde ik het arme beest een laatste keer door het huis om hem in zijn transportbak te forceren en reden we samen naar de praktijk. Omdat er nogal wat zielige honden en katten die dag op een consult wachtten, liet ik mijn eigen geverfde exemplaar, inmiddels goed chagrijnig, bij ze achter en stortte me wederom op mijn statistiek.

Om vijf uur ’s avonds, een uur voor mijn tentamen, kreeg ik een belletje dat mijn kat gewassen was.
Ze hadden hem uiteraard moeten verdoven, dus liep hij even later suf door het huis, in een walm van shampoo. Zijn luxe spa-behandeling had ons 120 euro gekost en mij ruim drie uur aan Studie Ontwijkend Gedrag. Gelukkig zou mijn statistiektentamen er niet onder lijden, ik haalde gek genoeg een negen (het hoogste cijfer dat ik ooit voor een tentamen heb gehaald). Je zou bijna zeggen dat gekleurde katten geluk brengen.





Het verhaal van Ruby’s afgelopen zomermaanden



Terugkeer naar de bergen, fase I

Begin juli werd ik verwacht mee op pad te gaan met de ENSA (de alpine school van Frankrijk) voor mijn laatste examenweek om daarna eindelijk in opleiding te kunnen. Maar ik twijfelde.

Sinds het ongeluk ruim twee jaar geleden, waarbij Céline en Elise door een steenlawine de diepte in werden gesleurd en ik niet, de jongens ook niet, maar zij wél en voor altijd, had ik het alpinisme grotendeels vermeden. Met gemak verschool ik me achter mijn training voor de technische toelatingsexamens, die immers veel tijd in beslag nam, en kwam er zodoende pas laat achter dat mijn terugkeer naar de bergen problematisch was. 

Tijdens mijn eerste alpine tochten deze lente, raakte ik dikwijls in paniek. Soms door steenval, maar meestal simpelweg door de hoogte onder mijn voeten, omdat ik had gezien wat er gebeurde als je daarin losgelaten werd. Een klein beetje onzekerheid wat betreft het vinden van de route maakte me misselijk van angst. In mijn hoofd speelde een constante film van wat er allemaal mis kon gaan, zoals het uitbreken van boorhaken of de rots in zijn geheel, een ernstige voorklimval van mijn partner of alleen in de bergen achterblijven. Ik had geen enkel vertrouwen in mijn eigen kunnen en buitengewoon veel moeite om boven mijn laatste zekering uit te klimmen. Vlak voor alpine tochten hoopte ik steevast dat de auto er puffend mee op zou houden, mijn klimpartner een griep zou hebben opgedaan (eigenlijk niet zo aardig van me) of een onverwacht koufront de berg in ondoordringbare mist zou hullen.

Het werd me langzaamaan duidelijk dat mijn terugkeer naar de bergen een probleem vormde dat te groot was voor mijn eigen mentale oplossingscentrale en ging uiteindelijk, eindelijk, naar de psycholoog, die me vertelde dat ik getraumatiseerd was. Dáarom mijn heftige reacties. Het was een foutje in het brein, een fysieke reactie buiten mijn ‘controle’ en viel gewoon op te lossen. Dat was toen even een heel belangrijk inzicht.

Het bleek echter lastig om vervolgafspraken te krijgen met mijn psycholoog, die bovendien in Gap woonde en niet altijd voor kon gaan op het mooie weer. Ik moest immers tegelijkertijd alpineren als ik mezelf wilde klaarstomen voor die examenweek. 

Dus gingen trauma en ik samen op pad en werden we noodgedwongen iets beter in het overkomen van het gros van mijn angsten. Ik begon aan de hoogte te wennen en merkte dat de bergen er niet constant op uit waren om mij uiteindelijk toch nog om te leggen. Soms had ik zelfs een beetje plezier. Maar een paar dagen voor de examenweek wist ik dat ik er nog niet klaar voor was, en zei ik precies dát tegen de grote baas van de ENSA.

Terugkeer naar de bergen, fase II

De ENSA bleek echter zoveel examenkandidaten te hebben, dat ze een tweede week moest organiseren die 16 augustus zou beginnen. Een geschenk uit de hemel, want zo kreeg ik opeens veel meer tijd om de bergen in te trekken alvorens examen te doen. En toch merkte ik dat ik er niet heel blij mee was. Liever had ik misschien een heel jaar gehad om mijn liefde voor de bergen en mijn gemak in het terrein terug te vinden. Eigenlijk wist ik, voelde ik dat ik meer tijd nodig had dan slechts één zomer. Maar iedereen was zo blij voor me en ook ik ervaarde een sprankeltje hoop. Misschien kon ik mezelf verbazen. Dus stond de zomer in het teken van ‘mijn terugkeer naar bergen’ (fase II).

Hoe zal ik daar nou eens over schrijven.

Ik heb mooie tochten gemaakt en ging er mentaal nog steeds ontegenzeggelijk op vooruit. Mijn oude alpine niveau kwam terug en af en toe zat ik enthousiast aan de keukentafel met open topo’s en een slordig geschreven lijstje van tochten die ik graag wilde maken. Maar vaak trok ik mezelf op het laatste moment terug uit een tocht. Ik sliep niet voor een beklimming. Ik was bang. De hele tijd. Het hoogtepunt van een tocht bleef het moment waarop de moeilijkheden over waren en ik uitzicht kreeg op een veilige terugkeer. Dikwijls moest ik mezelf met alles, alles dat ik in me had forceren om spannende passages te overbruggen of een route uit te klimmen.

Het conflict tussen mijn oerliefde voor de bergen, mijn solide droom om berggids te worden, en mijn angst, constant aanwezig, expliciet of verstopt, was doodvermoeiend. Sterker nog, ik begon een hekel aan de bergen te krijgen. Ik begreep het niet. Ik begreep niet waar mijn enthousiasme bleef, dat enthousiasme dat iedereen om me heen leek te hebben. Het ging toch beter? Waar was dan het oude vuurtje? Mijn bergen leken in niets meer op mijn oude bergen en zeker niet de bergen van anderen. Ze lagen in de schaduw. Zo voelde het, kil en bedreigend. De hele zomer lang pushte ik mezelf, met mijn vooruitgang als hoop en motivatie, maar krap twee weken voor de examens was het op. Was ík op. Ik had er geen zin meer in, ik kon niet meer.

Maar mezelf terugtrekken uit de examens nu ik zó veel moeite had gedaan om te komen waar ik was, voelde onmogelijk en zo mogelijk nog enger. Ik moest gewoon nog even zien door te zetten. Nog even één week.

De examenweek

Die zaterdag spendeerde ik huilend, zowel dag als nacht. Zondag besloot ik toch in de auto naar Chamonix te stappen, en maandag zei ik tegen mijn examinator dat ik er niet zeker van was of ik wel aan de examens wilde participeren omdat ik iets had meegemaakt dat me nog steeds dwars zat. Hij luisterde aandachtig. Ik zou het maar gewoon proberen.

Woensdagochtend trok ik mezelf terug.

Woensdagavond had ik wederom een gesprek met mijn examinator. ‘Ruby’, zei hij, ‘je bent getraumatiseerd. Je functioneert prima in de bergen, maar je hebt een probleem dat je niet daarginds, op hoogte, kan oplossen. Het is fysiek, bijna zoals een ziekte. Ik heb het gezien. Het heeft niets te maken met wie jij bent als persoon of alpinist, met jouw sterkte of zwakte, maar alleen met hetgeen wat je mee hebt gemaakt. De bergen, de hele bergen, zijn het terrein van jouw ongeluk geworden. Je moet de verbinding tussen die ene dag en de bergen leren verbreken, en dat kan. Dat precies is trauma en daar zijn oplossingen voor’.

Gek vond ik het dat zijn woorden zoveel impact hadden, want op de hoogte van mijn eigen trauma was ik natuurlijk al. Maar ik had dat trauma op de een of andere manier aan de kant geschoven, was het woord zelfs zat geraakt, gedreven door het idee dat hardheid en doorzetten nodig waren om alpinist te worden, met name berggids. Iedereen was wel eens bang, ik was voor het ongeluk ook bang geweest. Als ik berggids wilde worden bij de ENSA, dan moest ik net als iedereen met die angsten leren omgaan.

Maar dit keer was ik getraumatiseerd. Om dat werkelijk te geloven, moest iemand van de ENSA me daar wederom op wijzen.

Die avond kon ik mezelf even ontslaan van mijn zorgen en frustratie over mijn onvermogen om met het ongeluk en mijn zwaktes om te gaan, en dat was fijn. Ook kreeg ik plotseling weer hoop wat betreft mijn toekomst in de bergen. Want het was waar, wat hij zei. De gehele bergen waren het decor van het ongeluk geworden. Daarom was ik continue zo bang geweest en waren ze me langzaamaan zo tegen gaan staan. Tegelijkertijd merkte ik voor het eerst sinds verschrikkelijk lang dat ik de berggidsenopleiding voor geen goud wilde opgeven. Ik droomde nog steeds van dit beroep, ik voelde het in mijn hele lijf, met name nu ik zo dichtbij was gekomen en ik mijn opleidingstraject weer een jaar zou moeten uitstellen. Hier hoorde ik thuis. In de bergen.   

Terugkeer naar de bergen, fase III

Inmiddels ben ik terug thuis met een bont gevoel van opluchting en teleurstelling. Ik had graag gewild dat het anders was gelopen, maar dat is misschien hetzelfde als zeggen dat ik graag had gewild dat het ongeluk nooit had plaatsgevonden. Mijn gang door de bergen werd onhoudbaar en de manier waarop ik uiteindelijk tot een stop ben gebracht was misschien zo gek nog niet. Ik heb een goede kant van de ENSA gezien, écht een goede kant en begrepen dat ze er zijn om kandidaten te helpen (met die nare technische examens krijg je soms een ander idee). Ik ben weliswaar verhinderd om in opleiding te gaan, maar heel gemotiveerd om mezelf volgend jaar opnieuw te presenteren (tijdens die laatste examenweek).

Het is natuurlijk belangrijk dat ik dit keer werkelijk de tijd neem om mijn trauma te verwerken. Hoe het komende jaar er daarnaast precies uit gaat zien, is me nog even een raadsel. Ik word enerzijds moedeloos van het idee dat er niet bepaald progressie zit in mijn (professionele) leven, maar kan nu wel, eindelijk, een échte pauze nemen van de alles-consumerende race achter dat diploma aan, en  tijdelijk investeren in andere dingen. Muziek, mijn studie psychologie, schrijven, schilderen, meditatie, een tripje naar mijn lieve oude kikkerland en langs wat zwangere vriendinnen. Misschien vind ik ondertussen een baantje dat nog best leuk is ook (iemand gemotiveerd om een gezellige bar met Belgisch bier in Briançon te openen?) en kan ik zelfs wat geld gaan verdienen met mijn schrijven.

En zodra dat zonnetje doorbreekt op mijn liefste bergen, dan weet ik waar ik te vinden zal zijn.



Rommelig

Meditatie kan je niet echt goed of slecht doen. Via zo’n oordeel stap je in de denkmachine en dus uit het moment. Uit je meditatie.

Toch kan ik het heel slecht doen. Dan denk ik bijvoorbeeld herhaaldelijk aan hoe slecht het gaat, ga langdurig mee met elke gedachtereeks die zich aandient en kijk bij driekwart van de voorgenomen tijd op mijn klok hoe lang ik nog moet.

Maar het kan ook goed gaan. Altijd maar eventjes, alles dat zo heel kalm de revue passeert, gedachten als wolkjes ver weg, gevoelens licht als veertjes, geluiden als briesjes door een open veld.
Zo’n moment verknal ik vervolgens door in het wolkje van ‘nu gaat het goed!’ te klimmen en ermee af te dwalen naar verre gedachtenlanden waarin ik ook wel veertig (in plaats van twintig) minuten zou kunnen mediteren en eigenlijk ook in de bergen zou moeten mediteren en hier vooral een blog over zou moeten schrijven.

Maar goed, ze zeggen dan ook weer dat meditatie precies het moment is waarop je weer bewust raakt van het feit dat je op pad bent met gedachten, en die gedachten weer laat gaan. Dat op pad gaan zelf is nogal moeilijk om te vermijden. Althans, voor mij en ongetwijfeld ook andere debutanten.

Mijn discipline wat betreft meditatie komt en gaat, maar ik begin er nu wel achter te komen dat het gemakkelijker is om het meditatiekussen constant (dagelijks) een beetje warm te houden. Dan is mijn brein vanaf het begin af aan rustiger, alsof het wat van de kalmte van de laatste sessie heeft behouden. Ik heb tevens geleerd dat ik de uitdaging van het mediteren zo klein mogelijk moet houden, voorlopig althans. Als ik heel moe ben, net veel heb gegeten, Thibault iets in huis zoekt, de buren aan het boren zijn en ik überhaupt geen zin heb om te mediteren, dan kan ik beter eventjes wachten tot de omstandigheden gunstiger zijn. Ik zou mezelf naar het kussen kunnen jagen, maar een rondje natuur zou beter zijn, of een kopje thee.

’s Ochtends vroeg werkt daarom voor mij het beste, zelfs al ben ik zelf dan nog slaperig en duurt het eventjes voordat ik wat scherpte vind. Mijn brein is dan namelijk nog vers, de gedachtemachine slechts aan het opstarten, onbewerkt door allerlei emoties en ervaringen, en de wereld doodstil. Op vogeltjes na.

Maar goed, soms gaat mijn wekker en ben ik een zombie met langdurig koffiedrinken als enige weg terug naar het rijk der levenden.

Ook weet ik inmiddels dat ik voorlopig maar zo’n twintig minuten kan zitten op een kussen zonder dat de fysieke uitdaging (de pijn in mijn rug) mijn sessie overneemt. Na die twintig minuten ga ik verder, liggend op de grond. Via een betere zithouding en meer kracht en souplesse zal ik mijn tijd op het kussen in de toekomst kunnen rekken, maar soms wil ik ook gewoon wat langer door kunnen mediteren zonder me te hoeven concentreren op mijn houding of de sensatie van de pijn in mijn rug.

Mijn meditaties blijven dus, op zijn zachts gezegd, nogal rommelig, maar ook rommelige meditaties hebben al een enorme invloed op mijn dagelijks leven. Hoe meer ik frutsel op mijn kussen, hoe minder macht mijn onzinnige gedachten op me kunnen uitoefenen gedurende de dag en hoe beter het mediteren op langere termijn gaat (totdat ik dus euforisch in mijn denkmachine stap om deze blog te schrijven).




Afgelopen weekend bezochten Thibault, mijn ouders en ik de vallei van La Berarde, om te overnachten in Refuge Temple Écrins. Onderweg vonden we deze onverwachte vrienden. Een stroom van helder bergwater langs het hoofd in het hart van de Écrins; de plastic eenhoorn heeft meditatie beter begrepen dan ik.

Zeemeerminnen



Achter de haarspeltbochten tussen l’Argentière-La-Bessée en Saint-Martin-de-Queyrières loopt het riviertje van Rif de l’Oriol. Door de eeuwen heen heeft ze een kloof uitgesleten met twee golvende wanden op zo’n vier meter afstand van elkaar. Zodra toeristen voet in onze (zo noem je ze na een tijdje) bergen zetten, loopt de kloof ermee vol. Toegankelijke, schaduwrijke klimgebieden zijn immers schaars in Briançon.

Met de rust in onze bergstad is het inmiddels gedaan. De straten zitten verstopt met vakantiegangers in auto’s en auto’s en auto’s, de rij voor de bakker is lang. Wanneer ik afdaal in de kloof met een touw op mijn rug en zomerzweet op mijn voorhoofd, krijg ik bijna sociale paniek. Zoveel mensen in een relatief nauwe ruimte heb ik al tijden niet meer gezien. Ik vlucht nagenoeg de kloof weer uit, maar mijn zus, haar vriend en Fieke willen graag klimmen.

De bodem ligt bezaaid met touwen, tassen en lunchpakketten. Drie honden rennen achter elkaar aan, iemand zit op een klapstoel, koffie geurt omdat iemand anders zojuist een percolator heeft gezet. Frans, Duits, Nederlands, Vlaams en Tsjechisch weergalmt tussen de muren. Zuchtend hijs ik mijn gordel over mijn heupen, probeer een bezette route aan een groep Fransen te ontfutselen en denk verheugd aan de maand September, wanneer ze allemaal terug naar hun steden trekken en ik de kloof weer voor mezelf heb.

De toeristen hebben echter een verassing in petto.

Het valt me niet meteen op, maar nadat ik een tijdje gedachteloos heb gestaard naar een vrouwelijke voorklimster (gebeurt wel vaker), wordt mijn aandacht getrokken door een andere. Even daarna volg ik met bewondering een lenig, jong meisje, geplakt aan de muur als een spin, terwijl ik in mijn ooghoek een ander meisje zie vechten en vallen uit een hoge wand. Niet veel later volgt een derde in dezelfde route, een vierde links, een vijfde rechts. Fieke beklimt haar eigen steile stuk rots en dan pas zie ik het: de wanden van Rif de l’Oriol worden bezet door vrouwen. Niet alleen door vrouwen, maar door veel meer tezamen dan ik ooit gezien heb.

Dat is nou eens leuk.

Plotseling heb ik zin om met de hele kloof te praten. Er zijn immers vragen om te stellen: wie zijn jullie, waar komen jullie vandaan? Wie heeft jullie leren voorklimmen? Wat gebeurt er in jullie hoofd wanneer jullie ver boven jullie haak stappen, welke mentale strategieën passen jullie toe? Wie of wat is bepalend in jullie succesvolle reis over spannende stukken rots? Wisselt jullie mentale capaciteit per dag, per week, misschien afhankelijk van het moment in het seizoen, met wie jullie klimmen of zelfs, ik durf het bijna niet te zeggen, de menstruatiecyclus? Hoe zouden jullie andere vrouwen (en vooruit, mannen) leren voorklimmen en voorbereiden op die specifieke mentale uitdaging?

Wanneer we de kloof uitlopen, zegt de vriend van mijn zus: de beste klimmers vandaag waren vrouwen.

Eenmaal thuis laat ik mijn fantasie de vrije loop en schets ik Rif de l’Oriol in het schemerdonker, wanneer zeemeerminnen hun kop uit het riviertje steken om vast te stellen dat wij allen vertrokken zijn. Geruisloos leggen ze hun staarten te drogen en raken dan de wand aan, eerst met hun handen en dan met hun voeten. Als elegante kloofdieren, voorklimsters, vrouwelijke strijders, klimmen ze elk tot een eigen stuk wand, haken hun voeten in de rots en vallen in slaap als vleermuizen, hun vinnen glimmend in het licht van de maan, het zachte stromen van Rif de l’Oriol in de diepte van de kloof.

Misschien is de dag waarop het me niet meer opvalt wanneer vrouwen voorklimmen, dichterbij dan ik denk. 


– Ik schrijf dit verhaal met, onder andere, dank aan de dames van een Vlaamse klimclub genaamd Vertical Thinking (stond op hun truien), op dat zij nog veel andere vrouwen zullen inspireren om die mooie verticale strijd aan te gaan (en mochten ze toevallig antwoord hebben op mijn vragen, ik luister er graag naar).

Foto gemaakt in Les Ayes door Bas Visscher, mooi gebied maar te warm voor klimmen in de zomer, wel leuk om te wandelen! Uiteraard geen foto’s genomen in Rif de l’Oriol… Deze foto gekozen omdat er een helm-dragende voorklimmende vrouw op staat, heel toevallig ikzelf, natuurlijk ook omdat ik mijn spierballen wilde laten zien en monster wilde introduceren (pofzak, heeft eergisteren zijn oog verloren, ook nog wel een blog waard).



Plastic Modeverschijnsel

En dan nog even een berichtje, puur en alleen om de sfeer te verpesten:

Afgelopen November klom ik in een gebied genaamd Ponteil. Een vriendelijk ogende man, enigszins op leeftijd, onderbrak onze sessie en zei: ‘Ik wil absoluut niet de vervelende man uithangen, maar zie dat geen van u een helm draagt. Kijk – hij deed zijn helm af en wees naar een flinke deuk aan de voorkant van zijn schedel – ik had wél een helm op en dat heeft mijn leven gered. Nog geen jaar geleden. Rif de l’Oriol, mijn partner trok een enorm stuk rots uit de wand. Ik kom pas net uit mijn revalidatie. Soms vergeet ik dingen, maar ik leef en kan nog klimmen.’  

Sindsdien draag ik een helm tijdens het sportklimmen (zo snel kan het gaan).

Afgelopen sessie stond Rif de l’Oriol vol mensen, letterlijk vol, waarvan denk ik zo’n tien procent (voornamelijk beginners) een helm droeg. De rotswand had gemakkelijk een
strike kunnen gooien, maar die ene flinke steen die ik zag vallen, belandde gelukkig naast een (vervolgens erg geschrokken) vrouw. De groep die naast me zat te lunchen schrok daar eveneens van, maar had geen helm mee en at weer door.

Een helm is niet gênant maar ook zeker niet cool, en toch hoop ik dat de cultuur op een dag zal omslaan (zoals bij skiën…) en zelfs harde klimmers zo’n minder sexy geval op hun hoofd zetten. Alle stenen zijn nog lang niet gevallen en daarbij, voorklimmen zonder helm kan bijzonder onaangename taferelen opleveren (ik heb een aantal donkere getuigenissen). Ik zal er nog een blog over schrijven, maar voor nu speel ik slechts de vervelende vrouw en schrijf ik graag: zet misschien een helm op?

Beste Nathalie,

Ik moet veel aan je denken. Grappig vind ik dat, omdat ik je aanvankelijk helemaal niet wilde ontmoeten. Daar had ik geen zin in. Maar tussen Chambery, de woonplaats van de ouders van Thibault, en La Vachette zitten een hoop kilometers die het makkelijkst met de auto worden overbrugd. Zoals je weet, heb ik een groot deel van de afstand gelopen via een bergpad tot Refuge Laval, nadat je me had afgezet bij Plan Lachat. Je had me overigens aangeraden om langs Lac des Cerces te gaan, maar het was te lang, te warm en ik was de vorige dag al verbrand. Er lag daarbij nog veel sneeuw, daarboven, zag ik later. 

Hoe dan ook, ik kon niet echt om je heen. De trein bracht me slechts tot La Ravoire. Met tegenzin stak ik mijn duim in de lucht, veel auto’s voor je reden in hoog tempo langs me. Ik stond er misschien twintig minuten.

De auto waarin je reed kan ik me niet meer voor de geest halen, maar jou vond ik deftig. Niet zoals deftig er in de stad uit ziet, maar deftig in de ontspannen variant van vakantie in de bergen. Een wit shirt met een subtiel patroon rond de hals, kleine oorbellen, een rode broek en kort, golvend haar, tussen bruin en grijs in. Lichtbruine ogen gericht op de weg. En op vakantie was je inderdaad. Nadat we wat oppervlakkigheden hadden uitgewisseld (waar gaat u heen, waar ga ik heen) viel het gesprek stil. Je antwoorden waren iets formeel, dat zouden ze heel die twintig minuten blijven. Ik twijfelde of ik een persoonlijke vraag zou stellen en vroeg uiteindelijk naar je werk.

Je werkte voor het Rode Kruis.

Ethiopië, Tigray.

Toen ik mijn duim in de lucht stak, verwachtte ik niet dat de weg tussen Ravoire en Plan Lachat langs Afrika zou lopen.

Zodra je vertelde dat je net terug was gekomen van missie en over een paar weken weer op missie zou gaan, brak ik mijn hersenen over de situatie in Ethiopië, want ik herinnerde me dat er iets gaande was, alleen niet meer precies wat. Miljoenen op de vlucht, hongersnood, verkrachtingen en verdenkingen van genocide, hielp je me herinneren. Je legde alles aan me uit zoals een juf aan geïnteresseerde kinderen, maar mijn Franse vocabulaire op het gebied van oorlog was, gelukkig misschien, onderontwikkeld. T-i-g-r-a-y, spelde je voor me uit. Die avond bracht Google me naar informatie die ik inderdaad al eens gelezen had, een paar dagen later stond het op de voorpagina van de krant.

Ik nam aan dat je arts was, maar je werkte als manager vanuit de hoofdstad. Van jou wilde ik inmiddels alles weten; wat je deed daarginds en zag, wat je voelde wanneer je geconfronteerd werd met al die ellende, met wie je sprak en hoe je tegen ze sprak, hoe je eruitzag in Afrika en wie er op je wachtte in deze weidse, zomerse bergen. Maar je vertelde over het Rode Kruis. Dat jullie bijvoorbeeld controleren of de condities in de gevangenissen wel humaan zijn. Daar schrijven jullie dan een rapport over. Maar omdat de toegang tot jullie werk afhankelijk is van de relaties die jullie onderhouden met alle partijen binnen het conflict, kan ook weer niet alles gemeld worden. Het is delicaat.

Vaak zijn jullie de eerste ter plekke. Jullie geven medische hulp maar zoeken ook naar familieleden, bergen overledenen en zorgen dat vluchtelingen weer iets kunnen opbouwen in het nieuwe, veiligere land.

Maar hoe voelt het nou?

Jouw traject was niet klassiek geweest. Normaal gesproken solliciteren mensen tussen hun 25ste en 30ste naar een baan bij het Rode Kruis. Ze hebben dan al grote studies achter de rug en redelijk wat werkervaring. Hun eventuele partner en/of kinderen moeten ze achterlaten, voor een missie die twee jaar kan duren en niet naar keuze is. Dat kan dus overal zijn. Na die eerste periode mogen ze zelf hun missies kiezen en kunnen ze doorgroeien naar verschillende functies. Eventuele partner en/of kinderen mogen dan wel langskomen. Vaak worden ze verliefd op collega’s en ontstaan er gezinnetjes. Die kunnen dan gewoon mee op missie, kinderen op de internationale school.

Als de kinderen op een gegeven moment te groot zijn om van hot naar her te slepen, wordt er vaak gestreefd naar een baan op het hoofdkantoor in Genève. Maar daar zijn er maar duizend van, terwijl er hoeveel mensen wereldwijd ingezet worden? Ik vergat het.

Jij daarentegen, was binnengekomen via het hoofdkantoor in Genève, middenin een lange carrière als ingenieur. Vijftien jaar na het aannemen van de post had je echter het gevoel ver boven ‘alles’ te zweven en besloot je zelf op missie te gaan, het terrein op. Hoeveel missies je inmiddels had afgerond wist ik niet, want de weg tussen La Ravoire en Plan Lachat was niet lang genoeg.  

Ik zwaaide naar je toen je van me wegreed, met een grote drang om ooit in mijn leven een goede indruk op je te maken. Ik zou me ontwikkelen en iets betekenen. Ik ook.

Natuurlijk hoop ik dat je hebt kunnen genieten van je tijd terug thuis, tussen de bergen. Ik hoop ook dat je veilig bent aangekomen in Afrika en het lukt om daar de wereld iets beter te maken. Misschien komen we elkaar nog eens tegen. Daar steek ik graag mijn duim voor in de lucht.

Het ga je goed,

Ruby

De foto’s zijn van de wandeling die ik tijdens ons bezoek bij Thibault zijn ouders heb gemaakt, in Chartreuse. Mijn tocht liep rondom (en over) La dent des Crolles. Behoorlijk wat volk op de top, maar niemand tijdens de rondtocht! Thibault beklom ondertussen zelf (met een vriend) Voie de la Grotte op de naburige wand van Rocher du Midi, TD+ 300m, de hoogste op de foto’s.

De bergen en ik


De standaard nakijk-elf van mijn blog (mijn moeder) is juf op een basisschool in Nederland en zo tegen het eind van het jaar altijd druk met rapporten schrijven. Daarom durf ik even geen blogs te publiceren.

Wat ik wel graag wilde vermelden (dat vond ik het risico van schrijffouten wel waard), is dat ik weer terug in de bergen ben geweest. Soms gaat het alpineren goed en soms wat minder, maar het belangrijkste is dat ik teruggevonden heb wat toch wel een tijd kwijt is geweest: De bergen en ik.

Daar ben ik zelfs weer van gaan dichten en ik geloof dat het volgende gedicht wel weergeeft hoe ik me voel:

Ze hebben gezegd dat ik een mens ben en me aangekleed.
Ik scheer het haar van mijn benen om vrij over de paden te lopen.
Maar wanneer ik mijn hand in het koude water van de rivier leg,
stroom ik naar beneden,
sla neer als een gletsjer,
volg mijn hoefafdrukken in de sneeuw,
voel het zweet lopen langs mijn vacht, mijn stam, mijn graat.  
Daarom kleed ik me uit op het hoogste punt en leg de rots tegen tien van mijn tenen.
De zon op mijn kale benen.
De wind tegen de rug van mijn hand en mijn palm nog steeds in het water.
Misschien loop ik in schoenen naar beneden,
maar daarboven blijf ik bestaan.
  

Mijn excuses voor eventuele fouten.
En lieve mama, succes met de laatste loodjes.

Mijn buurman op weg naar Refuge des Bans en het graatje Dents de Coste Counier, AD, 500 meter. Vroeger blijkbaar een klassieker, daarna heel weinig beklommen en tegenwoordig plotseling weer populair. Een hele leuke route op relatief solide rots, klimmen slechts tot 4b maar soms lastig (niet) af te zekeren. De vallei is waanzinnig (sprookje, daar ga je van dichten enzo) en de fondue in de hut blijkbaar érg lekker.

‘De Weg naar Boven’ door Bas Visscher

Alles om me heen is wit. Mijn doel voor vandaag, de Pavé hut, ligt ergens in de mist verscholen. De sneeuwvlokken dwarrelen naar beneden. Ik ben nat en koud. Het enige geluid dat ik hoor is mijn eigen gehijg en het neerdalen van mijn stokken en schoenen. Mijn gedachten nemen de vrije loop en gaan rond in cirkels, telkens terugkomend bij vragen, onderwerpen of mensen waar ik al zo vaak aan heb gedacht. Het gaat over van alles en nog wat, van autoproblemen tot nieuwe liefdes. Het is ongestructureerd, opkomend en verdwijnend, irritant herhalend en het hoort vooral bij urenlang door een leeg berglandschap ploegen.

‘ Ik ben moe!!!’, schreeuw ik naar beneden. Mijn handen verdwijnen voor de zoveelste keer in de pofzak, in de hoop meer grip op de rots te krijgen. De zon brandt op Rocher Maubert. Onder me staan Ruby en Fieke, de Nederlandse vriendinnen die al jaren geleden Amsterdam-Oost hebben ingeruild voor het leven in de bergen. Ik hang in Namaste (7A+), een van de meer klassieke routes in dit gebied. Het klimmen is voor mij uitdagend en mijn onderarmen zijn al leeg van de eerdere routes vandaag. Maar toch probeer ik mezelf nogmaals te pushen om zo goed mogelijk te blijven klimmen. Mijn volledige bewustzijn is gericht op de structuur van de wand boven me. Ik probeer de weg van de minste weerstand te ontdekken, als een code die ontcijferd moet worden. Hoe ga ik in vredesnaam dit laatste stuk overwinnen terwijl ik me al zo gaar voel? Of Fieke en Ruby iets terugroepen registreer ik eigenlijk niet eens.

Voet voor voet ga ik verder door de diepe poeder. Vanmorgen vertrok ik bij mijn busje, met het doel om te trainen en minstens 1 of 2 uur sneller te zijn dan de aangegeven 5 uur die voor de route naar de Pavé hut staat.  Ik passeerde een groep van 5 toerskiers, die nog een vrolijke groepsfoto maakten in de regen. Zij leken onderweg naar de Refuge Adèle Planchard. Het waren de laatste mensen die ik tegen kwam. Naarmate ik hoger kwam veranderde regen in sneeuw, en verdween het pad onder een dikke witte laag sneeuw. Nu ben ik mezelf aan voortploeteren door de poeder, de structuurloze sneeuw die diep in mijn schoenen naar binnen dringt en mijn sokken nat maakt. Ik ben mijn voornemen om sneller te zijn dan de gidsjestijd al lang uit het oog verloren en ik vraag mezelf steeds meer af of ik überhaupt in de hut ga aankomen.

‘ Het laatste stuk zijn een aantal jeté’s’, vertelde Ruby me voordat ik aan de route begon. ‘ Dyno’s’? , vraag ik, niet zo comfortabel in het Frans als ik graag zou willen. ‘ Nee, dat niet, maar het zijn grote bewegingen.’ Met die woorden in gedachten zet ik mijn hele lijf op spanning en maak een moeilijke traverse naar links, net onder de finale van de route. Mijn hartslag is hoog en ik heb dorst. Dan de eerste grote beweging. Gelukkig vinden mijn vingers net houvast achter de rots en blijf ik ternauwernood hangen. Pffff. Heb ik het nog in me om de laatste meters af te leggen zonder te vallen?

Ik besluit om te draaien. Het sporen door de poeder is bijna niet meer te doen en de helling wordt steil. Bijna niemand weet dat ik hier ben en ik heb geen bereik met mijn telefoon. Plus dat de hut nog niet in zicht is. Ik begin naar het dal af te dalen en het rillen start. F*ckin koud, waarom heb ik niet meer kleren meegenomen? Alles is nat. Mijn gedachten gaan steeds meer richting zelfmedelijden en de waarom-vraag, de o zo vertrouwde vraag als ik het zwaar heb, komt weer boven.

Dan klip ik het topanker van Namaste. En sla ik de schuifdeur van mijn camper achter me dicht als ik terug ben van de wandeling naar de Pavé hut. Het is klaar. Een gevoel van rust overheerst, van even niets meer hoeven, of misschien zelfs een gevoel van tijdelijke tevredenheid. Is dit dan waar ik het voor doe? De uitdaging aangaan, het diep vermoeiende proces van het sporten en daarna het genieten van de rust? Misschien. Hoe dieper de fysieke inspanning, des te intenser de mentale ervaring. Elke keer opnieuw, of het nou aan de rots is of in de sneeuw.

Mezelf daaraan blootstellen voelt paradoxaal, want het afzien en het risico is lang niet altijd leuk. Maar toch ga ik steeds weer opnieuw. Waarom dan toch? Lastig te zeggen. Maar voor mij is het zeker dat sporten in de bergen of hangen aan de klimrotsen iets geeft dat bijzonder is. Maar ook iets is dat tegenstrijdig kan zijn met mijn eigen gevoelens. En toch uiteindelijk altijd weer heel erg de moeite waard is. Ik weet niet of ik er ooit genoeg van krijg. Misschien wel. Maar tot die tijd blijf ik terugkomen.

Op de site van Bas kun je verhalen vinden over zijn klimavonturen (van alpinisme in Chamonix tot sportklimmen in Russan en tradklimmen in Ettringen) en expedities (Pakistan, Alaska). Hij reist momenteel door Europa met zijn bus vol klimspullen, bereidt een volgende expeditie voor en onderzoekt de mogelijkheid van een leven in Frankrijk. Wordt hij binnenkort onze valleigenoot…?