Fieke en Ruby op week

Snelweg

Ik vulde de cola bij toen ik mijn mobiel op de bar zag oplichten. Fieke belde. Ze had alles bij elkaar maar wist van chaos niet hoe ze het bij het station moest brengen. Ik begreep de ernst van de zaak niet tot ik mijn collega zag binnenlopen. Om mij te vervangen. Het bleek vier uur, de trein zou zo vertrekken.

We bedachten alle mogelijke scenario’s van het weekend. Onze tassen lagen uitgestald in de coupé, een berg met helmen, klimschoentjes en kikkersnoepjes. Naast ons vergat een jongen uit te stappen, en ook aan mij ging het landschap voorbij. De trein schoot voort alsof de NS op de hoogte was van ons liften. Het licht zou ons in de steek laten voordat wij onze laatste lift naar Freyr te pakken hadden.
In Sittard werd ik opgesloten. De eerst zo haastige trein bleef lange tijd stilstaan, en Fieke was uitgestapt om te kijken wat men van plan was. De deur sloot voor mijn neus en ik drukte als een malle op het knopje. Niets gebeurde. Ik ramde op de ramen alsof de trein langzaam in een afgrond zakte. Opgesloten. Ik zag voor me hoe Fieke alleen op het perron achterbleef, gillend, terwijl ik vertrok richting het niemandsland van de lege NS treinen. Een zeer geïrriteerde conducteur, die schijnbaar drie keer had omgeroepen dat we de trein moesten verlaten, wees me uiteindelijk een deur die voor me open ging.

De laatste trein stopte nabij een snelweg in Maastricht. We besloten langs het verlaten terrein van de universiteitsgebouwen te lopen, in de hoop dat een student toevallig een late afspraak met zijn professor had gehad. Het bleek om een vriendelijke burger te gaan, oud-inwoner van Diemen, die ons naar het tankstation bracht waar onze volgende lift al klaarstond. Een groot wit busje met drie fransen en naar inschattingen kilo’s wiet. Als we het niet erg vonden dat ze blowden konden we meerijden.

De man achter het stuur, een jaar of vijfendertig, had het uiterlijk van een Franse filmster. Lang en in overhemd, een bruine huid en zwarte lokken, vrij onverzorgd en zowaar mysterieus: Een man die zijn uiterlijke charme diep in zijn karakter had liggen. Hij reed rustig de snelweg op.
Om ons gunstig af te zetten vroeg hij naar de wegenkaart, waarop hij met zijn vinger langzaam de snelweg volgde. Alle aandacht schonk hij die kaart, met beide handen hield hij hem vast voor zijn stuur, vouwde hij hem op, tot origami. Het rijden werd in stilte overgedragen aan zijn bijrijdster, die na een tijd op het zelfstandig functioneren van de auto te hebben vertrouwt met haar linkerhand het stuur beet pakte en het razende voertuig op de weg hield. Ze brachten ons in Namur.
Stoned als we inmiddels waren wisten we nog twee liften te regelen, waarvan de laatste ons tot aan de parkeerplaats in Freyr bracht. Een overdaad aan vriendelijkheid, omdat de bestuurder zelf ver voor Dinant woonde en ons meenam alsof hij zijn dochters naar zwemles bracht. Het was inmiddels donker. Uitgehongerd en extatisch stond ik daar, Fieke wat beduusd vanwege de Fransman en de ontdekking van de absentie van haar mobiel.

Een grote groep mensen zat op het terras bij Chamonix, met gitaren, een accordeon, sigaretten en bier. Allen typische klimmers, het soort waar ik jaloers op zou worden als ik zelf in geciviliseerd gezelschap zou verkeren. Gelukkig verkeerde ik dat niet.
Ons avondeten bestond uit een Dame Blanche en een Grand Marnier. We luisterden naar het Frans en doordachten onze eigen positie. Voor het eerst op weekend, aangekomen, geen vastgelegde plannen, geen controle, geen idee.

Gingen we op het veld slapen, in de grot, bij het uitzichtpunt…?

Onze hoofdlampen toonde ons de kleine geheimen van het bos. Duizendpoten kropen langs dikke boomwortels naar boven en ondefinieerbare beestjes vluchtten voor het licht zodra wij een flits van hen te zien kregen. Een grote groene pad liet zich de schijnwerper rustig welgevallen, ondanks dat Fieke bij zijn aanzicht gilde alsof ze werd belaagd. Pas toen sloop de mogelijkheid van angst in mijn gedachten. We waren twee meisjes, alleen in een groot bos, rond een tijdstip waarop meisjes gingen slapen en enge mannen opstonden. Dit bos was echter een klimmersbos, waar de goedheid van de klimmer zich in de rotsen had genesteld en over ons waakte zolang wij de intentie hadden even goed voor de rotsen te zijn.

De grot was leeg. Door de opening aan de kant van de Maas schenen sterren. We legden onze matjes op de plek van een gedoofd kampvuur en staarden naar de boulders in het dak. “Wat zullen we denken als we morgen wakker worden?”, vroeg ik Fieke.

Rots

Mijn droom kreeg een andere wending toen het geluid van keukengerei dichterbij kwam. Opeens besefte ik me dat ik in een grot lag en er iemand binnenkwam; ik riep dat wij er waren terwijl ik in mijn mummie overeind probeerde te komen. Ik was nog half in slaap. Fieke werd pas wakker. Voor ons stonden twee van de meest ongeloofwaardige figuren mogelijk. Twee donkere jonge jongens in legerkostuum, gordel en helm, met touwen en ladders in hun handen. Ze spraken Frans en Engels en keken net zo verbijsterd naar ons als dat wij hen aanschouwden. “Sleeping in a cave?! Why?!”.

We moesten ons vooral niets van hun aantrekken. Lekker blijven liggen, ze zouden nog wel terugkomen, legden alleen hun spullen even neer. Na hun vertrek vervielen Fieke en ik van verbazing in hilariteit. What the fack.

We raapten onze spullen bij elkaar, schudden restjes kampvuur uit onze slaapzak en bereidde een abseil voor die ons aan de voet van de Jeunesse zou brengen. Mijn tas was veel zwaarder dan ik gewend was. Ik kantelde onder het gewicht en sprak mijn buikspieren aan om niet headfirst naar beneden te duikelen. Fiek kwam ook horizontaal naar beneden. Nog beduusd van verbazing pakten we de touwen bijeen en volgden we de Maas naar een plekje waar we konden ontbijten. We namen plaats op een schommelende boomstam aan de rand van het water, schuin langs het pad. Ik doopte mijn brood in Nutella en volgde het schouwspel aan de overkant van de Maas. Legerbusjes en militairen. Freyr was oorlogsterrein en wij waren onwetende toeristen.

De topo leek in niets op de rots. Plukjes gras bedekten de vlaktes waar zij bomen zagen, grote overhangen groeide dwars door 5btjes heen. We konden slechts vertrouwen op onze eigen ervaring en besloten wijselijk de Merinos in te stappen. Het was ooit onze eerste multipitch geweest en leek ons voor het moment, in absentie van andere verantwoordelijken dan onszelf, wel een goede.

One Comment

  1. En wat dachten ze??!

    Oeh, grandmarnier, j’ai pas de marnier. Pas de manieren:D

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

w

Connecting to %s