Author: Ruby Elizabeth

Bijt niet in de hand die je voedt

Daar gaat het busje omhoog naar het skistation. Eerst vond ik dat nog wel leuk. Zat ik daar met alleen maar locals, de skiliftbewakers en pisteurs op weg naar hun winterbaan en ik naar de mijne. Nu, zo’n twee maanden nadat ik skilessen begon te verkopen voor de Franse skischool, vind ik het minder leuk. Want hoe vaker ik opga in weer een nieuw winterseizoen, hoe absurder het geheel daarboven op me overkomt. Wordt het werkelijk absurder? Of verander ik zelf meer en meer? Soms vind ik er de bergen niet meer. Dan liggen ze in etalage van winkeliers die royale levens van ze leiden of simpelweg op het bord van de rijken der aarde, of vervagen ze achter de nevel van liefde tussen die twee. Soms zie ik ze even in de schaduw van de enorme auto’s die door de smalle straten van Montgenèvre proberen te rijden of steekt één van hun toppen uit boven alles wat gekocht, gegeten of gedronken moet worden voor een geslaagde skivakantie. Als achtergrond staan ze gelukkig verdomde goed …

Il candore della neve

Er kwam een bus langs en ik stapte in. Januari 2024, op weg naar de gidsenopleiding in Italië. Hij stopte in mijn woonkamer als een idee, een waarom niet, een mogelijkheid die ik gaandeweg zou onderzoeken. Dat ik daarvoor Italiaans moest leren, lijkt nu pas, een jaar verder in het onderzoek, door te dringen; nu ik door een lesboek blader en merk dat ik het verhaal begrijp of het ritme voel. L’incedere lento del tempo, of il candore della neve. Ik wil graag de taal leren die ik bijna spreek, wat een geluk. Dat ik ook Italianen heb leren kennen, lijkt een vreemd gegeven uit mijn recente geschiedenis. Een bushalte in een parallel universum waar ik stotter en word getest, maar toch langzaam iemand begin te worden. Dan kijk ik naar een Italiaanse film met zulke uitgesproken Italiaanse mensen en denk ik: goh, ik ken dat volk. Ik word dat volk, een klein beetje. Herinneringen aan hoe ik met hen door de straten van een Italiaans stadje liep. Een Hollander. Mijn meest absurde, engste en …

Vierkante kat

De enige manier waarop ik mijn leven kan verpesten, is door er niet over te schrijven. Zolang ik erover schrijf is het een geslaagd project. Wat er ook gebeurt. Schrijf ik er niet meer over, dan slaat het nergens meer op. Dat is het leuke aan mijn bestaan. Dat geluk heb ik. In plaats van dat het nooit werkelijk ergens op slaat, slaat het alleen nergens op wanneer ik er niet over schrijf. Wat er nu allemaal in dat leven gebeurt – dat bij deze ergens op slaat? Niets bijzonders en toch alleen maar geks. Van grote groepen halfnaakte Italiaanse mannen en presentaties over Italiaanse berggeiten of Italiaanse presentaties over ik-kan-het-niet-verstaan, tot breien op de bank en een nieuwe baan bij de skischool in Montgenèvre, waar rood de religie is.  Een blessure, dan weer geen blessure, en dan weer een nieuwe blessure. Klimmen aan rotsen in een zonnig winters landschap, krijsend hangen aan een muur van ijs of krijsend vanwege wereldnieuws op wereldnieuws. Geld, geen geld, geld en 112 volgers op een nieuw Instagram account …

Dat ik Parijs af en toe ook nodig heb

Ik was even in de stad, afgelopen week. Niet zomaar een stad: Parijs, met de familie. Een van die grote Franse steden die ik nog nooit had bezocht, dus zag ik de Eifeltoren voor het eerst, het Louvre en de Seine. Ook zag ik verschillende mensen, hoorde verschillende talen, at Japans en dronk de duurste cappuccino die ik ooit zal drinken. Kunst was er gewoon links en rechts, in etalages of als fonteinen, een paardentekening op de radiateur van het appartement. De eerste etage van een groot winkelpand bleek slechts voor canvassen, schetsblokken en papier, ik droom nog steeds van de vellen papier die daar te koop lagen, en ik dacht nog, waar is het krijt en de verf? Daar was een eigen etage voor.   Er waren straten waar ik me wel zag wonen en straten waar ik niemand zag wonen. Soms te veel geld, soms te weinig. Een slaapzak naast de etalage van Hermès waar we langs liepen op weg naar het Ritz, gewoon om even te kijken wie er uitstapte. De parken …

De podcastkwaal / altijd herrie aan je hoofd

’s Ochtends zat ik eens op de bank met een kop koffie en staarde voor me uit. De afgelopen jaren luisterde ik echter veel naar podcasts. In de ochtend naar NRC Vandaag of De Volkskrant Elke Dag. Ik fietste naar mijn werk met stemmen in mijn oren, misschien Italiaans om de taal wat beter te leren, of Culturele Bagage. Terwijl ik schoonmaakte of kookte, luisterde ik naar Serial, BBC- of CBC-podcasts, naar de Rudi en Freddie Show, naar Het Uur, naar Napleiten, en als iets interessant of verslavend was, dan wilde ik soms ook nog luisteren tijdens het uitlaten van de hond. Ik luisterde naar All The Small Things tijdens het haken, naar GONZO als ik moe was, en zelfs als ik naar het toilet ging, ging de podcast in mijn borstzakje soms met me mee. (Niet altijd natuurlijk, maar toch.) Ik spreek in de verleden tijd, want dat mag nu allemaal niet meer. Of in elk geval niet meer allemaal. Mijn eerste podcasts herinner ik me nog goed, omdat het bijna ongelooflijk was: een …

Innerlijke supertijger

Mijn laatste opleidingsweek in het hooggebergte was heel erg zwaar. Daar waren veel redenen voor. Heel veel redenen. Ik sprak niet goed genoeg Italiaans, waardoor ik moest afleiden van andermans handelingen wat ik nou eigenlijk moest doen. Zo leerde ik langzamer dan de rest (deels dacht ik dat, deels was het ook gewoon zo) en had ‘t gevoel alles fout te doen. Middenin de week ging onze auto kapot, waardoor het organisatorisch haast onmogelijk werd om de spullen – en onszelf – telkens weer op de goede plek te krijgen. Het gros van de Italiaanse cursusgenootjes hielp ons niet (zeker niet uit zichzelf) en vanwege mijn timiditeit met betrekking tot mijn Italiaans kon ik ook geen brug tussen ons inslaan (Thibault kon dat gelukkig wel).  De sfeer was anders dan ik had gedacht. Het was militair, in het malletje passen, ja-en-doorgaan. Ik dacht dat ik ondersteund en aangemoedigd zou worden, maar we werden allemaal getest. Ook cursusgenoten stonden onder spanning. En met die spanning ‘moest je leren omgaan’ want ‘in de bergen moest je tegen …

Voor wie zijn de bergen

Hebben jullie de code van de barrière? – vragen ze ons tien, twintig keer per dag. De gemeente sluit ‘s zomers de toegang tot het einde van de vallei af, voor auto’s welteverstaan. Een automatische barrière gaat open en dicht en open en dicht, open voor de publieke busjes die heen en weer rijden en open voor de mensen met een code, eigenaren van huisjes hier en daar. Pas ’s avonds om zes uur mag de rest met de auto naar boven. En ’s ochtends om half negen gaat de vallei weer dicht. Die busjes die heen en weer rijden, kosten twaalf euro heen en terug. Per persoon. Wat zit er precies, achter die barrière, dat twaalf euro waard is? Het attractiepark van moeder natuur: golvende bergen met paden. Marmotten verstoppen zich in het hoogseizoen, maar de toppen en dalen verwelkomen slingers wandelaren. Een smalle maar geasfalteerde weg leidt naar het begin van de wandelpaden, twaalf kilometer diep de vallei in. Kunnen we daarboven iets zien? – vragen ze wel eens. Het is geen weg …

Geitenkaas

Plampinet is zo’n dorp waarvan je de schoonheid niet bedacht krijgt. Een gekleurde vlakte tussen bergen in, hoog gras, bloemen, een rivier, bomen, rotsblokken (ben je er nog? Want ik ga nog even door: ..), een kerktoren, smalle straatjes, oude mensen en wat oude boerderijen, gele wanden die ergens hoog boven het dorp uitrijzen en vaak helemaal alleen staan, want veel mensen komen hier uiteindelijk niet. Die rijden door naar Névache, en zo mag het van mij wel blijven. Tartiflette, noemde ik het dorp toen ik nog slecht Frans sprak. Plampinet-van-ons is het nu, Plampinet waar de hond kwam toen die nog pup was, waar het pad naar de rotsen werd verwoest door een modderstroom en door ons – en andere zogenaamde eigenaren – weer werd opgegraven. Wie er wonen, weet ik overigens niet. Behalve… een stel geiten. Vanaf de hoge gele wanden zei ik laatst, ‘die geiten, die hebben me toch een goed leven!’ Ze hoorden bij de Chevrerie, een kleine boerderij die het hele grasland aan de rivieroever voor zichzelf had. ‘Ja’, beaamde …

Italië I: Met een bergje ernaast

We hebben een Italiaanse vriend. Hij is langer dan de gemiddelde Hollander, met brede schouders, dikke zwarte wenkbrauwen en donkere ogen, en komt uit een stukje Italië waarvan je het bestaan toevallig moet kennen, helemaal in het Noord-Oosten van Italie, tussen de zee en Slovenië in. Triente, heet het daar. En de vriend heet Sandro. Sandro is berggids en vroeg afgelopen herfst, op een warme dag onder de rots, aan mijn Franse vriend (een kleiner exemplaar met blauwe ogen) of deze niet de opleiding tot berggids in Italië wilde volgen. Zoals hij zelf had gedaan. In Italië werd de gidsenopleiding per regio georganiseerd en regio Piemonte lag op nog geen tien minuten rijden van ons dorp in Frankrijk. Ja! – dacht vriend Thibault. Dus ging hij skiën, ijsklimmen en drytoolen om zich op de Italiaanse toelatingsexamens voor te bereiden. Diezelfde winter nog zouden die plaatsvinden. Vaak ging ik met hem mee om hem te zekeren en gezelschap te houden onderaan het ijs en de rots, ik wilde immers graag dat hij berggids zou worden. Dat …

Ik zit in de wijn

Een nieuw seizoen, een nieuw restaurant. Dit keer staan er prijzen op het menu van dertig euro of meer voor het hoofdgerecht. De baas verscheurde bijna mijn contract omdat ik niets wist van Magret de Canard en waar slakken vandaan komen. Slakken die je eet. Hij kent van al zijn producten de afkomst, de naam van het lam waarvan het been rondjes draait onder de schoorsteen, maar ook van de salade. Zijn gerechten zijn biologisch, lokaal en faits maison, tot aan de ketchup aan toe, die overigens alleen kinderen toegeschoven krijgen. Als volwassenen om mosterd vragen trekt hij zijn wenkbrauw op. Hij is gepassioneerd, als je zijn lont aansteekt door te vragen naar de Beurre Blanc bij de vis, dan krijg je een vuurwerkshow vol ingrediënten, technieken en Franse woorden die je alleen voor eten gebruikt. Ik ken in het Nederlands ‘lekker’ en ‘niet lekker’, daarom heb ik een hoop bij te leren. Gelukkig kom ik doorgaans weg met bon appétit. Het restaurant zit vol mensen die bereid zijn om dertig euro of meer voor een hoofdgerecht …